Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-05-01
ECLI:NL:RBLIM:2026:4251
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,203 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4251 text/xml public 2026-05-18T15:42:07 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-05-01 ROE 22/893, ROE 22/1658 en ROE 24/4783 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4251 text/html public 2026-05-18T15:42:01 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4251 Rechtbank Limburg , 01-05-2026 / ROE 22/893, ROE 22/1658 en ROE 24/4783 De beroepen gaan over inzage van persoonsgegevens die in de FSV zijn opgenomen, over het delen van deze gegevens met derden en over schadevergoeding voor de registratie in de FSV. Inhoudelijk gaat het voornamelijk over het recht op de stukken waarin de persoonsgegevens staan en de volledigheid van de inzage. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en geoordeeld dat eiser geen recht heeft op deze stukken en dat niet aannemelijk is dat de inzage onvolledig is geweest. De rechtbank vindt terecht dat de minister het bezwaar tegen zijn beslissing op het schadevergoedingsverzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat over de gestelde schade alleen een vordering bij de civiele rechter kan worden ingesteld. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 22/893, ROE 22/1658 en ROE 24/4783 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen [eiser] uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire), en de minister van Financiën, (gemachtigden: mr. M.A.N. van de Kerkhoff, mr. M.M.J. Hoek). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de besluiten van de minister van 29 maart 2022, 4 juli 2022 en 29 oktober 2024 (de bestreden besluiten). Met de eerste twee besluiten heeft de minister de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en is de minister bij zijn besluiten op de inzageverzoeken van eiser van 15 november 2021 en 4 februari 2022 gebleven. Met het derde besluit heeft de minister het bezwaar van eiser tegen zijn besluit op het verzoek om schadevergoeding van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank beslist in deze uitspraak ook op de verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn waarin de rechtbank een uitspraak moet doen en het verzoek om vergoeding van vertragingsschade. 1.1 De rechtbank heeft de beroepen en verzoeken op 14 januari 2026 gelijktijdig op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister deelgenomen. 2. Na sluiting van het onderzoek heeft eiser de rechtbank verzocht het onderzoek te heropenen. Reden hiervoor is dat onlangs bekend is geworden dat een zogenoemde datakluis is gevonden die onder andere wordt doorzocht op het dossier FSV (Fraude Signalering Voorziening). 3. De rechtbank heeft in het verzoek geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en wijst het verzoek af. Wat eiser aanvoert geeft geen reden te oordelen dat het onderzoek in deze zaken niet volledig is geweest. Dit alleen al omdat het aantreffen van die datakluis en wat daar uit zou kunnen komen niet tot een andere uitkomst van deze zaken kan leiden gelet op de vragen die in deze zaken voorliggen. 4. De rechtbank heeft de zaken voor het doen van deze uitspraak gevoegd. Beoordeling door de rechtbank De beroepszaken Wat ging aan het instellen van de beroepen vooraf? 5. Eiser heeft de Belastingdienst om inzage gevraagd van zijn registratie in de FSV. De minister heeft het verzoek opgevat als een verzoek om inzage van persoonsgegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en het verzoek toegewezen. De minister heeft aan eiser een overzicht verstrekt van de persoonsgegevens van eiser die de minister in de FSV heeft opgenomen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. 6. In de reactie van eiser op de aankondiging van de uitspraak op het bezwaar heeft eiser aangegeven dat de Belastingdienst bankgegevens van hem heeft gedeeld met de gemeente Sittard-Geleen. Eiser heeft de Belastingdienst verzocht wat de grond daarvoor was en of die grond was de opname van zijn persoonsgegevens in de FSV. Daarnaast heeft eiser om schadevergoeding gevraagd voor de schade die hij stelt te hebben geleden door zijn registratie in de FSV. 7. De minister heeft het aanvullend verzoek opgevat als een nieuw AVG-inzageverzoek en ook dat verzoek toegewezen. De minister heeft eiser laten weten dat in het kader van de Participatiewet (Pw) persoonsgegevens van hem met de gemeente Sittard-Geleen zijn gedeeld. De minister heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser heeft tegen de besluiten op de inzageverzoeken en het verzoek om schadevergoeding bezwaar gemaakt. Met de bestreden besluiten heeft de minister op de bezwaren beslist zoals aangegeven onder 1. Wat voert eiser in de beroepen aan en slaagt dit? ROE 22/893 (eerste inzageverzoek) Bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde 8. Eiser voert aan dat de bekendmaking van het besluit op het inzageverzoek in strijd is met artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat dit tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden. 9. De rechtbank heeft gezien dat de minister het besluit op het inzageverzoek aan eiser zelf bekend heeft gemaakt in plaats van aan zijn gemachtigde. De rechtbank heeft ook gezien dat eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt en dat de minister vervolgens een besluit op bezwaar heeft genomen. Eiser is door de bekendmaking van het besluit op zijn inzageverzoek aan hemzelf in plaats van aan zijn gemachtigde daarom niet benadeeld. Het tast het bestreden besluit, waarmee de minister bij de toewijzing van het inzageverzoek van eiser is gebleven, ook niet aan. Daarom ziet de rechtbank hierin geen reden de bestreden besluiten te vernietigen. Wat eiser aanvoert slaagt dus niet. ROE 22/893 en ROE 22/1658 (eerste en tweede inzageverzoek) De stukken 10. In beide zaken voert eiser aan dat hij het er niet mee eens is dat de minister niet alle stukken aan hem verstrekt. Alhoewel eiser in beide zaken niet precies hetzelfde aanvoert, ziet de rechtbank in de omstandigheid dat het eiser gaat om screenprints van de registratie van eiser in de FSV (de screenprints) aanleiding hierover één oordeel te geven. 10.1 Eiser vindt dat de minister de screenprints aan hem moet verstrekken. De Belastingdienst heeft zijn geloofwaardigheid verloren en moet daarom zijn stellingen onderbouwen, aldus eiser. Eiser stelt dat hij de screenprints nodig heeft. Zonder de screenprints kan hij niet controleren wat de minister beweert. Hij moet ook over de screenprints kunnen beschikken om in het kader van een eventueel schadeverzoek over zijn registratie in de FSV zijn bewijspositie veilig te kunnen stellen. 10.2 Eiser wijst op de toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] dat het uitgangspunt is mensen zo veel mogelijk inzage te geven in hun registratie in de FSV en dat mensen daar recht op hebben op grond van de AVG. Eiser vindt dat hij in elk geval op grond van de artikelen 8:42 en 7:4 van de Awb recht heeft op de screenprints. Daarbij wijst hij op het arrest van de Hoge Raad (HR) van 4 mei 2018 . Eiser vindt ook dat de minister artikel 6 EVRM schendt als de minister hem de screenprints niet verstrekt. Hij verwijst verder nog naar verschillende algemene stukken/publicaties. Dit om te onderbouwen dat de minister een onjuist standpunt inneemt met betrekking tot de stukken die op de zaak betrekking hebben en/of dat niet zomaar kan worden uitgegaan van wat de minister stelt. 11. Uit artikel 15 van de AVG en vaste rechtspraak over het recht op een kopie van persoonsgegevens blijkt het volgende. Artikel 15 van de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke duidelijkheid te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te krijgen van die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van de AVG is de betrokkene de mogelijkheid te geven zich van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens op de hoogte te stellen en om de juistheid van de persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4251 text/xml public 2026-05-18T15:42:07 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-05-01 ROE 22/893, ROE 22/1658 en ROE 24/4783 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4251 text/html public 2026-05-18T15:42:01 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4251 Rechtbank Limburg , 01-05-2026 / ROE 22/893, ROE 22/1658 en ROE 24/4783 De beroepen gaan over inzage van persoonsgegevens die in de FSV zijn opgenomen, over het delen van deze gegevens met derden en over schadevergoeding voor de registratie in de FSV. Inhoudelijk gaat het voornamelijk over het recht op de stukken waarin de persoonsgegevens staan en de volledigheid van de inzage. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en geoordeeld dat eiser geen recht heeft op deze stukken en dat niet aannemelijk is dat de inzage onvolledig is geweest. De rechtbank vindt terecht dat de minister het bezwaar tegen zijn beslissing op het schadevergoedingsverzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat over de gestelde schade alleen een vordering bij de civiele rechter kan worden ingesteld. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 22/893, ROE 22/1658 en ROE 24/4783 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen [eiser] uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire), en de minister van Financiën, (gemachtigden: mr. M.A.N. van de Kerkhoff, mr. M.M.J. Hoek). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de besluiten van de minister van 29 maart 2022, 4 juli 2022 en 29 oktober 2024 (de bestreden besluiten). Met de eerste twee besluiten heeft de minister de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en is de minister bij zijn besluiten op de inzageverzoeken van eiser van 15 november 2021 en 4 februari 2022 gebleven. Met het derde besluit heeft de minister het bezwaar van eiser tegen zijn besluit op het verzoek om schadevergoeding van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank beslist in deze uitspraak ook op de verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn waarin de rechtbank een uitspraak moet doen en het verzoek om vergoeding van vertragingsschade. 1.1 De rechtbank heeft de beroepen en verzoeken op 14 januari 2026 gelijktijdig op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister deelgenomen. 2. Na sluiting van het onderzoek heeft eiser de rechtbank verzocht het onderzoek te heropenen. Reden hiervoor is dat onlangs bekend is geworden dat een zogenoemde datakluis is gevonden die onder andere wordt doorzocht op het dossier FSV (Fraude Signalering Voorziening). 3. De rechtbank heeft in het verzoek geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en wijst het verzoek af. Wat eiser aanvoert geeft geen reden te oordelen dat het onderzoek in deze zaken niet volledig is geweest. Dit alleen al omdat het aantreffen van die datakluis en wat daar uit zou kunnen komen niet tot een andere uitkomst van deze zaken kan leiden gelet op de vragen die in deze zaken voorliggen. 4. De rechtbank heeft de zaken voor het doen van deze uitspraak gevoegd. Beoordeling door de rechtbank De beroepszaken Wat ging aan het instellen van de beroepen vooraf? 5. Eiser heeft de Belastingdienst om inzage gevraagd van zijn registratie in de FSV. De minister heeft het verzoek opgevat als een verzoek om inzage van persoonsgegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en het verzoek toegewezen. De minister heeft aan eiser een overzicht verstrekt van de persoonsgegevens van eiser die de minister in de FSV heeft opgenomen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. 6. In de reactie van eiser op de aankondiging van de uitspraak op het bezwaar heeft eiser aangegeven dat de Belastingdienst bankgegevens van hem heeft gedeeld met de gemeente Sittard-Geleen. Eiser heeft de Belastingdienst verzocht wat de grond daarvoor was en of die grond was de opname van zijn persoonsgegevens in de FSV. Daarnaast heeft eiser om schadevergoeding gevraagd voor de schade die hij stelt te hebben geleden door zijn registratie in de FSV. 7. De minister heeft het aanvullend verzoek opgevat als een nieuw AVG-inzageverzoek en ook dat verzoek toegewezen. De minister heeft eiser laten weten dat in het kader van de Participatiewet (Pw) persoonsgegevens van hem met de gemeente Sittard-Geleen zijn gedeeld. De minister heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser heeft tegen de besluiten op de inzageverzoeken en het verzoek om schadevergoeding bezwaar gemaakt. Met de bestreden besluiten heeft de minister op de bezwaren beslist zoals aangegeven onder 1. Wat voert eiser in de beroepen aan en slaagt dit? ROE 22/893 (eerste inzageverzoek) Bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde 8. Eiser voert aan dat de bekendmaking van het besluit op het inzageverzoek in strijd is met artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat dit tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden. 9. De rechtbank heeft gezien dat de minister het besluit op het inzageverzoek aan eiser zelf bekend heeft gemaakt in plaats van aan zijn gemachtigde. De rechtbank heeft ook gezien dat eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt en dat de minister vervolgens een besluit op bezwaar heeft genomen. Eiser is door de bekendmaking van het besluit op zijn inzageverzoek aan hemzelf in plaats van aan zijn gemachtigde daarom niet benadeeld. Het tast het bestreden besluit, waarmee de minister bij de toewijzing van het inzageverzoek van eiser is gebleven, ook niet aan. Daarom ziet de rechtbank hierin geen reden de bestreden besluiten te vernietigen. Wat eiser aanvoert slaagt dus niet. ROE 22/893 en ROE 22/1658 (eerste en tweede inzageverzoek) De stukken 10. In beide zaken voert eiser aan dat hij het er niet mee eens is dat de minister niet alle stukken aan hem verstrekt. Alhoewel eiser in beide zaken niet precies hetzelfde aanvoert, ziet de rechtbank in de omstandigheid dat het eiser gaat om screenprints van de registratie van eiser in de FSV (de screenprints) aanleiding hierover één oordeel te geven. 10.1 Eiser vindt dat de minister de screenprints aan hem moet verstrekken. De Belastingdienst heeft zijn geloofwaardigheid verloren en moet daarom zijn stellingen onderbouwen, aldus eiser. Eiser stelt dat hij de screenprints nodig heeft. Zonder de screenprints kan hij niet controleren wat de minister beweert. Hij moet ook over de screenprints kunnen beschikken om in het kader van een eventueel schadeverzoek over zijn registratie in de FSV zijn bewijspositie veilig te kunnen stellen. 10.2 Eiser wijst op de toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] dat het uitgangspunt is mensen zo veel mogelijk inzage te geven in hun registratie in de FSV en dat mensen daar recht op hebben op grond van de AVG. Eiser vindt dat hij in elk geval op grond van de artikelen 8:42 en 7:4 van de Awb recht heeft op de screenprints. Daarbij wijst hij op het arrest van de Hoge Raad (HR) van 4 mei 2018 . Eiser vindt ook dat de minister artikel 6 EVRM schendt als de minister hem de screenprints niet verstrekt. Hij verwijst verder nog naar verschillende algemene stukken/publicaties. Dit om te onderbouwen dat de minister een onjuist standpunt inneemt met betrekking tot de stukken die op de zaak betrekking hebben en/of dat niet zomaar kan worden uitgegaan van wat de minister stelt. 11. Uit artikel 15 van de AVG en vaste rechtspraak over het recht op een kopie van persoonsgegevens blijkt het volgende. Artikel 15 van de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke duidelijkheid te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te krijgen van die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van de AVG is de betrokkene de mogelijkheid te geven zich van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens op de hoogte te stellen en om de juistheid van de persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren.
Volledig
11.1 Een verwerkingsverantwoordelijke is op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG verplicht aan de betrokkene een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens van de betrokkene die onder zijn verantwoordelijkheid worden verwerkt. Deze verplichting houdt niet in dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een kopie te verstrekken van de stukken waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een verwerkingsverantwoordelijke mag deze stukken verstrekken, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, zoals een overzicht van de persoonsgegevens. Als met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15 van de AVG wordt voldaan. 11.2 Soms is het nodig dat informatie in een bepaalde context wordt geplaatst om de informatie te kunnen begrijpen. Dat kan met zich meebrengen dat de verwerkingsverantwoordelijke dan niet met een overzicht kan volstaan en de stukken moet verstrekken waarin de persoonsgegevens staan maar dan wel alleen voor zover dat nodig is om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten op grond van artikel 15 van de AVG uit te kunnen oefenen. Een recht op inzage van persoonsgegevens is iets anders dan een recht op toegang tot bestuurlijke stukken. Artikel 15 van de AVG is niet bedoeld om toegang tot bestuurlijke stukken te verzekeren. 12. Op grond van (artikel 15 van) de AVG en gelet op de vaste rechtspraak over het recht op een kopie van persoonsgegevens heeft eiser dus geen recht op een kopie van integrale stukken. De toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] die eiser heeft aangehaald is gebaseerd op de AVG. Omdat de AVG geen recht geeft op integrale stukken is deze toezegging ook niet te lezen als een toezegging dat de minister inzage geeft door (niet gelakte) screenprints van een registratie in de FSV te verstrekken. 13. In het door eiser aangehaalde arrest van de HR van 4 mei 2018 heeft de HR een aanvulling gegeven op de eerder in het arrest van 10 april 2015 gegeven uitgangspunten voor wat moet worden verstaan onder de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. In algemene zin heeft de HR overwogen dat alle stukken die een bestuursorgaan heeft gebruikt bij zijn besluitvorming in beginsel tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren en moeten worden overgelegd. De HR heeft specifiek overwogen dat ook elektronisch vastgelegde gegevens moeten worden aangemerkt als stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Voor gegevens in databases geldt dat zij slechts op de zaak betrekking hebben voor zover zij van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op de aan de orde zijnde zaak. Deze gegevens vormen het op de zaak betrekking hebbende ‘stuk’, dat in de vorm van een afdruk of op een andere geschikte wijze ter beschikking moet worden gesteld. Een bestuursorgaan is op grond van artikel 8:42, eerste lid van de Awb niet verplicht om buiten de reeds ter beschikking staande of gestaan hebbende stukken nadere gegevens te vergaren. 14. Eiser stelt dat de minister screenprints kan verstrekken. De rechtbank weet ambtshalve dat de minister deze mogelijkheid heeft. De registratie van eiser in de FSV is naar het oordeel van de rechtbank daarom een verzameling van elektronische gegevens die raadpleegbaar kunnen worden gemaakt. De vraag is of de screenprints van belang zijn voor de beoordeling van deze zaken. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten aan de hand van wat eiser daartegen aanvoert. Om deze beoordeling te kunnen maken heeft de rechtbank de screenprints van de registratie van eiser in de FSV niet nodig. 15. Op grond van de uitgangspunten van de HR zijn de screenprints geen stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitgangspunten van de HR niet te volgen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 25 februari 2026 nog in lijn met die uitgangspunten geoordeeld. 16. Omdat de screenprints geen stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb zijn het, gelet op de samenhang tussen artikel 8:42 van de Awb en artikel 7:4 van de Awb, ook geen stukken waarvan eiser in de bezwaarschriftprocedure op grond van artikel 7:4 van de Awb al inzage of een afschrift had moeten krijgen. De minister heeft daarom ook niet in strijd gehandeld met artikel 6 EVRM door eiser de screenprints niet als op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. 17. De hiervoor besproken bepalingen geven eiser dus geen recht op de screenprints. Dit betekent dat de minister niet verplicht is de screenprints aan eiser te verstrekken. Dat eiser de screenprints om hem moverende redenen wil hebben en wat in de algemene stukken/publicaties staat waarnaar eiser verwijst maken dat niet anders. De standpunten van de minister dat screenprints van de registratie van eiser in de FSV geen stukken zijn die op de zaak betrekking hebben en dat hij de screenprints niet aan eiser hoeft te verstrekken zijn dan ook juist. Wat eiser aanvoert slaagt dus niet. 18. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de minister te verzoeken de screenprints over te leggen of te toepassing geven aan haar bevoegdheden om een onderzoek ter plaatse in te (laten) stellen en de FSV in te (laten) zien zoals door eiser gevraagd. Het delen van persoonsgegevens met de gemeente 19. Eiser voert aan dat zijn persoonsgegevens die in de FSV zijn opgenomen met de gemeente Sittard-Geleen moeten zijn gedeeld omdat de gemeente zijn persoonsgegevens bij de Belastingdienst heeft opgevraagd al vóórdat hij een uitkering bij de gemeente heeft aangevraagd. 20. De minister heeft aangegeven dat hij op basis van artikel 64 van de Pw persoonsgegevens met gemeenten deelt. Uit het mailbericht waaruit blijkt dat de gemeente Sittard-Geleen persoonsgegevens van eiser bij de Belastingdienst heeft opgevraagd blijkt dat artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de Pw de basis voor de opvraag is geweest en dus dat de persoonsgegevens zijn opgevraagd in verband met het nemen van een besluit over het verlenen van bijstand. De enkele omstandigheid dat de gemeente die persoonsgegevens heeft opgevraagd op de dag waarop eiser zich voor een uitkering bij de gemeente heeft gemeld (en dus vóór de aanvraag) geeft geen enkele reden om aan te nemen dat deze gegevens niet met het oog op een te nemen besluit over bijstand zijn opgevraagd. Dit geeft ook geen enkele reden om aan te nemen dat persoonsgegevens van eiser in de FSV met de gemeente zijn gedeeld. Voor zover eiser dus heeft willen aanvoeren dat de gekregen inzage onvolledig is geweest slaagt dit niet. Dagboek Persoonsgericht Intensief Toezicht (PIT) 21. Eiser betwist verder nog dat stukken uit Dagboek PIT niet meer kunnen worden verstrekt. 22. Voor zover eiser ook daarmee heeft willen aanvoeren dat zijn inzage onvolledig is geweest slaagt ook dit niet reeds omdat het inzageverzoek uitsluitend ziet op de persoonsgegevens van eiser die in de FSV zijn opgenomen. ROE 24/4783 (schadevergoeding registratie FSV) 23. Het bestreden besluit in deze zaak is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb; een besluit op bezwaar. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997 (waarnaar de Afdeling in de door de minister aangehaalde uitspraak verwijst) kan de minister daarom niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is op het beroep te beslissen. De rechtbank beslist als volgt. 24. De rechtbank beoordeelt zaken van openbare orde ambtshalve. De ontvankelijkheid van het bezwaar is een zaak van openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024. De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat de bestuursrechtelijke weg in een geval als dit niet openstaat en dat over de gestelde schade alleen een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingediend. De Afdeling heeft uitgebreid toegelicht hoe zij tot dit oordeel komt.
Volledig
11.1 Een verwerkingsverantwoordelijke is op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG verplicht aan de betrokkene een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens van de betrokkene die onder zijn verantwoordelijkheid worden verwerkt. Deze verplichting houdt niet in dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een kopie te verstrekken van de stukken waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een verwerkingsverantwoordelijke mag deze stukken verstrekken, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, zoals een overzicht van de persoonsgegevens. Als met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15 van de AVG wordt voldaan. 11.2 Soms is het nodig dat informatie in een bepaalde context wordt geplaatst om de informatie te kunnen begrijpen. Dat kan met zich meebrengen dat de verwerkingsverantwoordelijke dan niet met een overzicht kan volstaan en de stukken moet verstrekken waarin de persoonsgegevens staan maar dan wel alleen voor zover dat nodig is om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten op grond van artikel 15 van de AVG uit te kunnen oefenen. Een recht op inzage van persoonsgegevens is iets anders dan een recht op toegang tot bestuurlijke stukken. Artikel 15 van de AVG is niet bedoeld om toegang tot bestuurlijke stukken te verzekeren. 12. Op grond van (artikel 15 van) de AVG en gelet op de vaste rechtspraak over het recht op een kopie van persoonsgegevens heeft eiser dus geen recht op een kopie van integrale stukken. De toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] die eiser heeft aangehaald is gebaseerd op de AVG. Omdat de AVG geen recht geeft op integrale stukken is deze toezegging ook niet te lezen als een toezegging dat de minister inzage geeft door (niet gelakte) screenprints van een registratie in de FSV te verstrekken. 13. In het door eiser aangehaalde arrest van de HR van 4 mei 2018 heeft de HR een aanvulling gegeven op de eerder in het arrest van 10 april 2015 gegeven uitgangspunten voor wat moet worden verstaan onder de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. In algemene zin heeft de HR overwogen dat alle stukken die een bestuursorgaan heeft gebruikt bij zijn besluitvorming in beginsel tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren en moeten worden overgelegd. De HR heeft specifiek overwogen dat ook elektronisch vastgelegde gegevens moeten worden aangemerkt als stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Voor gegevens in databases geldt dat zij slechts op de zaak betrekking hebben voor zover zij van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op de aan de orde zijnde zaak. Deze gegevens vormen het op de zaak betrekking hebbende ‘stuk’, dat in de vorm van een afdruk of op een andere geschikte wijze ter beschikking moet worden gesteld. Een bestuursorgaan is op grond van artikel 8:42, eerste lid van de Awb niet verplicht om buiten de reeds ter beschikking staande of gestaan hebbende stukken nadere gegevens te vergaren. 14. Eiser stelt dat de minister screenprints kan verstrekken. De rechtbank weet ambtshalve dat de minister deze mogelijkheid heeft. De registratie van eiser in de FSV is naar het oordeel van de rechtbank daarom een verzameling van elektronische gegevens die raadpleegbaar kunnen worden gemaakt. De vraag is of de screenprints van belang zijn voor de beoordeling van deze zaken. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten aan de hand van wat eiser daartegen aanvoert. Om deze beoordeling te kunnen maken heeft de rechtbank de screenprints van de registratie van eiser in de FSV niet nodig. 15. Op grond van de uitgangspunten van de HR zijn de screenprints geen stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitgangspunten van de HR niet te volgen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 25 februari 2026 nog in lijn met die uitgangspunten geoordeeld. 16. Omdat de screenprints geen stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb zijn het, gelet op de samenhang tussen artikel 8:42 van de Awb en artikel 7:4 van de Awb, ook geen stukken waarvan eiser in de bezwaarschriftprocedure op grond van artikel 7:4 van de Awb al inzage of een afschrift had moeten krijgen. De minister heeft daarom ook niet in strijd gehandeld met artikel 6 EVRM door eiser de screenprints niet als op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. 17. De hiervoor besproken bepalingen geven eiser dus geen recht op de screenprints. Dit betekent dat de minister niet verplicht is de screenprints aan eiser te verstrekken. Dat eiser de screenprints om hem moverende redenen wil hebben en wat in de algemene stukken/publicaties staat waarnaar eiser verwijst maken dat niet anders. De standpunten van de minister dat screenprints van de registratie van eiser in de FSV geen stukken zijn die op de zaak betrekking hebben en dat hij de screenprints niet aan eiser hoeft te verstrekken zijn dan ook juist. Wat eiser aanvoert slaagt dus niet. 18. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de minister te verzoeken de screenprints over te leggen of te toepassing geven aan haar bevoegdheden om een onderzoek ter plaatse in te (laten) stellen en de FSV in te (laten) zien zoals door eiser gevraagd. Het delen van persoonsgegevens met de gemeente 19. Eiser voert aan dat zijn persoonsgegevens die in de FSV zijn opgenomen met de gemeente Sittard-Geleen moeten zijn gedeeld omdat de gemeente zijn persoonsgegevens bij de Belastingdienst heeft opgevraagd al vóórdat hij een uitkering bij de gemeente heeft aangevraagd. 20. De minister heeft aangegeven dat hij op basis van artikel 64 van de Pw persoonsgegevens met gemeenten deelt. Uit het mailbericht waaruit blijkt dat de gemeente Sittard-Geleen persoonsgegevens van eiser bij de Belastingdienst heeft opgevraagd blijkt dat artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de Pw de basis voor de opvraag is geweest en dus dat de persoonsgegevens zijn opgevraagd in verband met het nemen van een besluit over het verlenen van bijstand. De enkele omstandigheid dat de gemeente die persoonsgegevens heeft opgevraagd op de dag waarop eiser zich voor een uitkering bij de gemeente heeft gemeld (en dus vóór de aanvraag) geeft geen enkele reden om aan te nemen dat deze gegevens niet met het oog op een te nemen besluit over bijstand zijn opgevraagd. Dit geeft ook geen enkele reden om aan te nemen dat persoonsgegevens van eiser in de FSV met de gemeente zijn gedeeld. Voor zover eiser dus heeft willen aanvoeren dat de gekregen inzage onvolledig is geweest slaagt dit niet. Dagboek Persoonsgericht Intensief Toezicht (PIT) 21. Eiser betwist verder nog dat stukken uit Dagboek PIT niet meer kunnen worden verstrekt. 22. Voor zover eiser ook daarmee heeft willen aanvoeren dat zijn inzage onvolledig is geweest slaagt ook dit niet reeds omdat het inzageverzoek uitsluitend ziet op de persoonsgegevens van eiser die in de FSV zijn opgenomen. ROE 24/4783 (schadevergoeding registratie FSV) 23. Het bestreden besluit in deze zaak is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb; een besluit op bezwaar. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997 (waarnaar de Afdeling in de door de minister aangehaalde uitspraak verwijst) kan de minister daarom niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is op het beroep te beslissen. De rechtbank beslist als volgt. 24. De rechtbank beoordeelt zaken van openbare orde ambtshalve. De ontvankelijkheid van het bezwaar is een zaak van openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024. De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat de bestuursrechtelijke weg in een geval als dit niet openstaat en dat over de gestelde schade alleen een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingediend. De Afdeling heeft uitgebreid toegelicht hoe zij tot dit oordeel komt.
Volledig
De rechtbank ziet daarin reden te volstaan met een verwijzing naar die uitspraak. Dat eiser de weg naar de civiele rechter niet als een ‘effective remedy’ ziet als bedoeld in artikel 13 van het EVRM geeft geen aanleiding die uitspraak niet te volgen. Wat eiser in zoverre aanvoert slaagt dan ook niet. 25. Eiser voert ook aan dat ten onrechte uit het bestreden besluit niet blijkt waarom er sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar. 26. De rechtbank ziet dit anders. In het bestreden besluit staat dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het volgens de wet niet mogelijk is om bezwaar te maken tegen de beslissing op een verzoek om schadevergoeding. Wat eiser aanvoert slaagt daarom niet. 27. Eiser voert verder aan dat de minister niet had mogen volstaat met het intrekken van de beslissing op het verzoek om schadevergoeding zonder een nieuw besluit op het verzoek om schadevergoeding te nemen. Volgens eiser is getrapte besluitvorming niet toegestaan. Eiser verwijst naar vaste rechtspraak daarover. 28. Ook dat ziet de rechtbank anders. De vergelijking die eiser maakt loopt mank. De rechtspraak waarnaar eiser verwijst ziet op de situatie waarin het besluit op bezwaar de herroeping van het besluit in primo inhoudt. Het bezwaar van eiser is niet-ontvankelijk verklaard. Wat eiser daarover aanvoert slaagt daarom niet. 29. Wat eiser verder nog heeft aangevoerd geeft geen reden anders te oordelen. De verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn en vertragingsschade 30. Eiser verzoekt ook om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. Sinds de inwerkingtreding van de verzoekschriftprocedure oordeelt de rechtbank met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure over zo’n verzoek. Als zo’n verzoek wordt gedaan wordt frustratieschade door het lange wachten op de uitkomst van de procedure verondersteld. 31. Vaste rechtspraak is dat zaken binnen een redelijke termijn moeten worden behandeld. In de regel is dat een termijn van twee jaren. De rechtbank gaat in deze zaken ook uit van een redelijke termijn van twee jaren. In vaste rechtspraak wordt verder voor vergoeding van die schade uitgegaan van een schadevergoeding van € 500,- voor een termijnoverschrijding tot zes maanden. ROE 22/893 32. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 31 december 2021 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met meer dan twee jaren overschreden. De minister heeft op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom geheel aan de rechtbank te wijten. ROE 22/1658 33. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 24 maart 2022 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met meer dan twee jaren overschreden. De minister heeft op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom geheel aan de rechtbank te wijten. ROE 22/893 en ROE 22/1658 34. Deze zaken zijn door de rechtbank gezamenlijk behandeld. Omdat de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp komt eiser één schadevergoeding toe per fase van gezamenlijke behandeling ingaande met de indiening van het tweede beroep op 1 augustus 2022. De redelijke termijn is in beide zaken pas daarna overschreden. Dit betekent dat eiser voor beide zaken samen één schadevergoeding toekomt van € 2.500,-. Omdat de termijnoverschrijdingen aan de rechtbank zijn te wijten zal de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moeten betalen. ROE 24/4783 35. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 21 augustus 2024 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is op het moment van de uitspraak nog niet overschreden. ROE 22/893 en ROE 24/4783 36. Eiser heeft in deze zaken ook gevraagd om een schadeloosstelling in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bedragen. Dit verzoek is niet toewijsbaar. Van vertragingsschade is niet gebleken en ook niet dat de schade zal intreden. Conclusie en gevolgen 37. De beroepen zijn ongegrond omdat niet slaagt wat eiser in de beroepszaken aanvoert. Eiser krijgt dus geen gelijk en de bestreden besluiten blijven in stand. Twee verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 2.500,-. De andere verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen. Griffierechten en proceskosten In de beroepszaken ROE 22/1658 en ROE 24/4783 38. Eiser heeft in beide zaken een beroep op betalingsonmacht gedaan. Eiser voldoet niet aan de criteria voor vrijstelling van de betaling van het griffierecht. Op grond van de door hem overgelegde stukken is zijn inkomen hoger dan het drempelbedrag. De griffier heeft de beroepen op betalingsonmacht daarom terecht afgewezen. ROE 22/893 en ROE 22/1658 39. Eiser is het er in deze zaken niet mee eens dat hij voor de behandeling van de beroepen griffierecht heeft moeten betalen. Eiser vindt het heffen van griffierecht in zaken als deze onredelijk en in strijd met het beginsel van fair trail. 40. Als een beroep op betalingsonmacht niet slaagt, dan wel geen beroep op betalingsonmacht is gedaan, en de anti-cumulatieregels in artikel 8:41 van de Awb niet van toepassing zijn, zoals in deze gevallen, is de indiener van een beroep griffierecht verschuldigd. De griffier moest daarom in elke zaak afzonderlijk griffierecht van eiser heffen. Omdat niet is gebleken dat sprake is van betalingsonmacht, dan wel geen beroep op betalingsonmacht is gedaan, is het heffen van griffierechten van eiser niet in strijd met het beginsel van fair trail. ROE 22/893 en ROE 22/1658 41. Eiser krijgt in deze zaken de betaalde griffierechten niet terug omdat de beroepen ongegrond zijn en er overigens geen aanleiding is te bepalen dat de minister de griffierrechten moet vergoeden. ROE 22/893, ROE 22/1658 en ROE 24/4783 42. Er is in geen van de zaken aanleiding voor een veroordeling van de minister in de proceskosten van eiser. Met betrekking tot de verzoeken om schadevergoeding die worden toegewezen 43. Omdat twee verzoeken om schadevergoeding worden toegewezen en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoedingen moeten betalen, moet de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) ook een vergoeding betalen voor de proceskosten die eiser in verband met de schadevergoedingsverzoeken heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht telt de rechtbank één punt voor het indienen van het verzoekschrift dat op beide termijnoverschrijdingen ziet. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 0,5 toe. Dit betekent dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) een bedrag van € 467,- moeten vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de behandeling van de verzoeken op de zitting. De verzoeken zijn namelijk op de zitting nauwelijks aan de orde gekomen. Wat overigens nog aan de orde is geweest Roe 22/1658 44. Eiser heeft in deze zaak een brief overgelegd van de Belastingdienst van 29 juli 2023 waarin hij geïnformeerd wordt over de uitkomst van het onderzoek naar de gevolgen die hem registratie in de FSV voor hem heeft gehad. In de brief staat dat eiser niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming. Eiser ziet deze brief als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb en stelt zich op het standpunt dat het beroep ook betrekking heeft op deze brief. 45. De rechtbank ziet dit anders. Het beroep heeft betrekking op het bestreden besluit waarmee de minister bij de toewijzing van het tweede inzageverzoek is gebleven. De genoemde brief houdt geen besluit in dat het bestreden besluit intrekt, vervangt of wijzigt.
Volledig
De rechtbank ziet daarin reden te volstaan met een verwijzing naar die uitspraak. Dat eiser de weg naar de civiele rechter niet als een ‘effective remedy’ ziet als bedoeld in artikel 13 van het EVRM geeft geen aanleiding die uitspraak niet te volgen. Wat eiser in zoverre aanvoert slaagt dan ook niet. 25. Eiser voert ook aan dat ten onrechte uit het bestreden besluit niet blijkt waarom er sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar. 26. De rechtbank ziet dit anders. In het bestreden besluit staat dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het volgens de wet niet mogelijk is om bezwaar te maken tegen de beslissing op een verzoek om schadevergoeding. Wat eiser aanvoert slaagt daarom niet. 27. Eiser voert verder aan dat de minister niet had mogen volstaat met het intrekken van de beslissing op het verzoek om schadevergoeding zonder een nieuw besluit op het verzoek om schadevergoeding te nemen. Volgens eiser is getrapte besluitvorming niet toegestaan. Eiser verwijst naar vaste rechtspraak daarover. 28. Ook dat ziet de rechtbank anders. De vergelijking die eiser maakt loopt mank. De rechtspraak waarnaar eiser verwijst ziet op de situatie waarin het besluit op bezwaar de herroeping van het besluit in primo inhoudt. Het bezwaar van eiser is niet-ontvankelijk verklaard. Wat eiser daarover aanvoert slaagt daarom niet. 29. Wat eiser verder nog heeft aangevoerd geeft geen reden anders te oordelen. De verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn en vertragingsschade 30. Eiser verzoekt ook om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. Sinds de inwerkingtreding van de verzoekschriftprocedure oordeelt de rechtbank met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure over zo’n verzoek. Als zo’n verzoek wordt gedaan wordt frustratieschade door het lange wachten op de uitkomst van de procedure verondersteld. 31. Vaste rechtspraak is dat zaken binnen een redelijke termijn moeten worden behandeld. In de regel is dat een termijn van twee jaren. De rechtbank gaat in deze zaken ook uit van een redelijke termijn van twee jaren. In vaste rechtspraak wordt verder voor vergoeding van die schade uitgegaan van een schadevergoeding van € 500,- voor een termijnoverschrijding tot zes maanden. ROE 22/893 32. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 31 december 2021 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met meer dan twee jaren overschreden. De minister heeft op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom geheel aan de rechtbank te wijten. ROE 22/1658 33. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 24 maart 2022 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met meer dan twee jaren overschreden. De minister heeft op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom geheel aan de rechtbank te wijten. ROE 22/893 en ROE 22/1658 34. Deze zaken zijn door de rechtbank gezamenlijk behandeld. Omdat de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp komt eiser één schadevergoeding toe per fase van gezamenlijke behandeling ingaande met de indiening van het tweede beroep op 1 augustus 2022. De redelijke termijn is in beide zaken pas daarna overschreden. Dit betekent dat eiser voor beide zaken samen één schadevergoeding toekomt van € 2.500,-. Omdat de termijnoverschrijdingen aan de rechtbank zijn te wijten zal de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moeten betalen. ROE 24/4783 35. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 21 augustus 2024 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is op het moment van de uitspraak nog niet overschreden. ROE 22/893 en ROE 24/4783 36. Eiser heeft in deze zaken ook gevraagd om een schadeloosstelling in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bedragen. Dit verzoek is niet toewijsbaar. Van vertragingsschade is niet gebleken en ook niet dat de schade zal intreden. Conclusie en gevolgen 37. De beroepen zijn ongegrond omdat niet slaagt wat eiser in de beroepszaken aanvoert. Eiser krijgt dus geen gelijk en de bestreden besluiten blijven in stand. Twee verzoeken om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 2.500,-. De andere verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen. Griffierechten en proceskosten In de beroepszaken ROE 22/1658 en ROE 24/4783 38. Eiser heeft in beide zaken een beroep op betalingsonmacht gedaan. Eiser voldoet niet aan de criteria voor vrijstelling van de betaling van het griffierecht. Op grond van de door hem overgelegde stukken is zijn inkomen hoger dan het drempelbedrag. De griffier heeft de beroepen op betalingsonmacht daarom terecht afgewezen. ROE 22/893 en ROE 22/1658 39. Eiser is het er in deze zaken niet mee eens dat hij voor de behandeling van de beroepen griffierecht heeft moeten betalen. Eiser vindt het heffen van griffierecht in zaken als deze onredelijk en in strijd met het beginsel van fair trail. 40. Als een beroep op betalingsonmacht niet slaagt, dan wel geen beroep op betalingsonmacht is gedaan, en de anti-cumulatieregels in artikel 8:41 van de Awb niet van toepassing zijn, zoals in deze gevallen, is de indiener van een beroep griffierecht verschuldigd. De griffier moest daarom in elke zaak afzonderlijk griffierecht van eiser heffen. Omdat niet is gebleken dat sprake is van betalingsonmacht, dan wel geen beroep op betalingsonmacht is gedaan, is het heffen van griffierechten van eiser niet in strijd met het beginsel van fair trail. ROE 22/893 en ROE 22/1658 41. Eiser krijgt in deze zaken de betaalde griffierechten niet terug omdat de beroepen ongegrond zijn en er overigens geen aanleiding is te bepalen dat de minister de griffierrechten moet vergoeden. ROE 22/893, ROE 22/1658 en ROE 24/4783 42. Er is in geen van de zaken aanleiding voor een veroordeling van de minister in de proceskosten van eiser. Met betrekking tot de verzoeken om schadevergoeding die worden toegewezen 43. Omdat twee verzoeken om schadevergoeding worden toegewezen en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoedingen moeten betalen, moet de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) ook een vergoeding betalen voor de proceskosten die eiser in verband met de schadevergoedingsverzoeken heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht telt de rechtbank één punt voor het indienen van het verzoekschrift dat op beide termijnoverschrijdingen ziet. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 0,5 toe. Dit betekent dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) een bedrag van € 467,- moeten vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de behandeling van de verzoeken op de zitting. De verzoeken zijn namelijk op de zitting nauwelijks aan de orde gekomen. Wat overigens nog aan de orde is geweest Roe 22/1658 44. Eiser heeft in deze zaak een brief overgelegd van de Belastingdienst van 29 juli 2023 waarin hij geïnformeerd wordt over de uitkomst van het onderzoek naar de gevolgen die hem registratie in de FSV voor hem heeft gehad. In de brief staat dat eiser niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming. Eiser ziet deze brief als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb en stelt zich op het standpunt dat het beroep ook betrekking heeft op deze brief. 45. De rechtbank ziet dit anders. Het beroep heeft betrekking op het bestreden besluit waarmee de minister bij de toewijzing van het tweede inzageverzoek is gebleven. De genoemde brief houdt geen besluit in dat het bestreden besluit intrekt, vervangt of wijzigt.