Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-30
ECLI:NL:RBLIM:2026:4103
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
4,094 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4103 text/xml public 2026-05-19T14:00:21 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-30 12137962 \ CV EXPL 26-1077 Uitspraak Kort geding Verstek NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4103 text/html public 2026-05-19T13:59:52 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4103 Rechtbank Limburg , 30-04-2026 / 12137962 \ CV EXPL 26-1077 Huurzaak. Verstekverlening. Geen spoedeisend belang bij contractuele boetes. Gedaagden verblijven zonder recht of titel. Langere ontruimingstermijn nu er een minderjarige in de woning verblijft. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 12137962 \ CV EXPL 26-1077 Vonnis in kort geding van 30 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , te [plaats] , 2. [eiser 2] , te [plaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] , gemachtigde: mr. J.J.M. Verhagen, tegen 1 [gedaagde 1] , te [plaats] , 2. [gedaagde 2] , te [plaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - de mondelinge behandeling van 16 april 2026, - het tegen [gedaagden] verleende verstek. 2 De feiten 2.1. [eisers] zijn eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] . 2.2. [gedaagden] huren deze woning sinds 1 september 2025 op basis van de Leegstandswet waarvoor een vergunning is verleend. De overeengekomen einddatum van de huurovereenkomst is 28 februari 2026. 2.3. [eisers] hebben met [gedaagde 2] een koopovereenkomst gesloten voor de woning aan [adres] . Doordat [gedaagden] na verkoop van hun eigen woning de gemaakte afspraken met [eisers] niet zijn nagekomen heeft er geen levering van voornoemde woning plaatsgevonden en is de koopovereenkomst tussen partijen ontbonden. 2.4. [eisers] hebben op 4 november 2025 de huurovereenkomst per brief opgezegd zodat deze op 28 februari 2026 is geëindigd. 2.5. De gemachtigde van [eisers] heeft per brief van 3 maart 2026 [gedaagden] gesommeerd om uiterlijk 11 maart 2026 de woning te ontruimen en de sleutels te overhandigen. 2.6. [gedaagden] hebben voornoemde woning tot het moment van de mondelinge behandeling nog niet verlaten. 3 Het geschil 3.1. [eisers] vorderen dat de kantonrechter samengevat- [gedaagden] : veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de woning aan de [adres] te ontruimen en te verlaten onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eisers] , hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een contractuele boete van € 12.000,00 (tot en met 12 maart 2026), vermeerderd met € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagden] na 12 maart 2026 onbevoegd gebruik maken van de woning, hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een gebruiksvergoeding gelijk aan de laatst geldende huurprijs voor iedere maand dat [gedaagden] na 28 februari 2026 in de woning verblijven, hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten. 3.2. [eisers] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. [eisers] stellen dat [gedaagden] zonder recht of titel in de woning verblijven. [gedaagden] hebben bij het aangaan van de huurovereenkomst uitdrukkelijk het tijdelijke karakter daarvan aanvaard. Daarnaast handelen [gedaagden] in strijd met artikel 19 van de op de huurovereenkomst toepasselijke algemene bepalingen door de woning niet tijdig op te leveren. [gedaagden] zijn op grond van artikel 11.1 sub c van de huurovereenkomst een direct opeisbare boete verschuldigd van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat de overtreding langer duurt. Zolang [gedaagden] in de woning verblijven, kunnen [eisers] de woning niet verkopen. Hierdoor lijden [eisers] schade. [eisers] vorderen daarom de ontruiming op een zo kort mogelijke termijn toe te wijzen. 3.3. [gedaagden] zijn niet verschenen en hebben aldus geen verweer gevoerd. 4 De beoordeling Verstekverlening 4.1. [gedaagden] zijn niet op de mondelinge behandeling verschenen. Uit het exploot van de dagvaarding is gebleken dat [gedaagden] correct en tijdig zijn opgeroepen voor de zitting van 16 april 2026. Aangezien ook de overige bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, is verstek verleend tegen [gedaagden] . Spoedeisend belang ontruimingsvordering en contractuele boetes 4.2. [eisers] hebben bij hun dagvaarding voldoende aannemelijk gemaakt dat een ontruiming naar haar aard voldoende is om een spoedeisend belang aan te nemen. De huurovereenkomst is namelijk door [eisers] opgezegd en daarmee geëindigd op 28 februari 2026. Sindsdien verblijven [gedaagden] zonder recht of titel in de woning, terwijl [eisers] belang hebben bij het vrije genot van hun eigendom. Er kan niet in alle redelijkheid van [eisers] worden verlangd om hierin een bodemprocedure af te wachten. Daarmee staat voor de kantonrechter genoegzaam vast dat [eisers] een spoedeisend belang hebben bij de gevorderde ontruiming. 4.3. Voor de gevorderde contractuele boetes geldt dat daarvoor geen spoedeisend belang aanwezig is. Een dergelijke contractuele boete heeft vooral als doel om afschrikwekkend te werken. Voor de beoordeling van deze contractuele boete is nader feitenonderzoek en mogelijk bewijslevering nodig en daarvoor leent een behandeling in kort geding zich niet. Dit dient te worden voorbehouden aan de bodemrechter. Daar komt nog bij dat [eisers] tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard dat zij, nu de koopovereenkomst voor de woning niet is doorgegaan, de direct opeisbare boete van tien procent van de koopsom van [gedaagden] hebben ontvangen. Daarmee zijn [eisers] vooralsnog voldoende gecompenseerd in hun schade. Dit maakt dat de kantonrechter vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang niet oordeelt over de contractuele boetes. Ontruiming van het gehuurde 4.4. [eisers] hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat [gedaagden] de woning nog niet hebben verlaten en dat zij dus nog steeds zonder recht of titel in de woning verblijven. Er is [eisers] gebleken dat er één meerderjarig en één minderjarig kind van thans zeventien jaar oud in de woning bij [gedaagden] verblijft. 4.5. [eisers] vorderen ontruiming, omdat [gedaagden] zonder recht of titel in de woning verblijven. Artikel 5:2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de eigenaar van een zaak bevoegd is haar van een ieder die haar zonder recht of titel houdt, op te eisen. 4.6. Bij de beoordeling van een vordering tot ontruiming moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. 4.7. Voorts merkt de kantonrechter op dat in een procedure tot ontruiming van een woning tot de relevante omstandigheden van het geval behoort of er kinderen in de te ontruimen woning wonen. Als dat zo is, brengt artikel 3 lid 1 IVRK (Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind) mee dat de belangen van deze kinderen in kaart moeten worden gebracht. Dit betekent niet dat, indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen. De belangen van in het gehuurde wonende kinderen moeten als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen. 4.8. Vaststaat dat [eisers] als eigenaar van de woning een huurovereenkomst in het kader van de Leegstandswet met [gedaagden] hebben gesloten met als einddatum 28 februari 2026. Ook staat als onweersproken vast dat [eisers] de huurovereenkomst per brief van 4 november 2025 en dus tijdig hebben opgezegd. [gedaagden] verblijven dan ook zonder recht of titel in de woning. Nu het een huurovereenkomst betreft in het kader van de Leegstandswet genieten [gedaagden] geen huurbescherming. [gedaagden] wisten dat het verblijf in de huurwoning slechts tijdelijk zou zijn en door het ontbreken van de huurbescherming zij op zoek hadden moeten gaan naar andere woonruimte.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4103 text/xml public 2026-05-19T14:00:21 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-30 12137962 \ CV EXPL 26-1077 Uitspraak Kort geding Verstek NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4103 text/html public 2026-05-19T13:59:52 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4103 Rechtbank Limburg , 30-04-2026 / 12137962 \ CV EXPL 26-1077 Huurzaak. Verstekverlening. Geen spoedeisend belang bij contractuele boetes. Gedaagden verblijven zonder recht of titel. Langere ontruimingstermijn nu er een minderjarige in de woning verblijft. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 12137962 \ CV EXPL 26-1077 Vonnis in kort geding van 30 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , te [plaats] , 2. [eiser 2] , te [plaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] , gemachtigde: mr. J.J.M. Verhagen, tegen 1 [gedaagde 1] , te [plaats] , 2. [gedaagde 2] , te [plaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - de mondelinge behandeling van 16 april 2026, - het tegen [gedaagden] verleende verstek. 2 De feiten 2.1. [eisers] zijn eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] . 2.2. [gedaagden] huren deze woning sinds 1 september 2025 op basis van de Leegstandswet waarvoor een vergunning is verleend. De overeengekomen einddatum van de huurovereenkomst is 28 februari 2026. 2.3. [eisers] hebben met [gedaagde 2] een koopovereenkomst gesloten voor de woning aan [adres] . Doordat [gedaagden] na verkoop van hun eigen woning de gemaakte afspraken met [eisers] niet zijn nagekomen heeft er geen levering van voornoemde woning plaatsgevonden en is de koopovereenkomst tussen partijen ontbonden. 2.4. [eisers] hebben op 4 november 2025 de huurovereenkomst per brief opgezegd zodat deze op 28 februari 2026 is geëindigd. 2.5. De gemachtigde van [eisers] heeft per brief van 3 maart 2026 [gedaagden] gesommeerd om uiterlijk 11 maart 2026 de woning te ontruimen en de sleutels te overhandigen. 2.6. [gedaagden] hebben voornoemde woning tot het moment van de mondelinge behandeling nog niet verlaten. 3 Het geschil 3.1. [eisers] vorderen dat de kantonrechter samengevat- [gedaagden] : veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de woning aan de [adres] te ontruimen en te verlaten onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eisers] , hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een contractuele boete van € 12.000,00 (tot en met 12 maart 2026), vermeerderd met € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagden] na 12 maart 2026 onbevoegd gebruik maken van de woning, hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een gebruiksvergoeding gelijk aan de laatst geldende huurprijs voor iedere maand dat [gedaagden] na 28 februari 2026 in de woning verblijven, hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten. 3.2. [eisers] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. [eisers] stellen dat [gedaagden] zonder recht of titel in de woning verblijven. [gedaagden] hebben bij het aangaan van de huurovereenkomst uitdrukkelijk het tijdelijke karakter daarvan aanvaard. Daarnaast handelen [gedaagden] in strijd met artikel 19 van de op de huurovereenkomst toepasselijke algemene bepalingen door de woning niet tijdig op te leveren. [gedaagden] zijn op grond van artikel 11.1 sub c van de huurovereenkomst een direct opeisbare boete verschuldigd van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat de overtreding langer duurt. Zolang [gedaagden] in de woning verblijven, kunnen [eisers] de woning niet verkopen. Hierdoor lijden [eisers] schade. [eisers] vorderen daarom de ontruiming op een zo kort mogelijke termijn toe te wijzen. 3.3. [gedaagden] zijn niet verschenen en hebben aldus geen verweer gevoerd. 4 De beoordeling Verstekverlening 4.1. [gedaagden] zijn niet op de mondelinge behandeling verschenen. Uit het exploot van de dagvaarding is gebleken dat [gedaagden] correct en tijdig zijn opgeroepen voor de zitting van 16 april 2026. Aangezien ook de overige bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, is verstek verleend tegen [gedaagden] . Spoedeisend belang ontruimingsvordering en contractuele boetes 4.2. [eisers] hebben bij hun dagvaarding voldoende aannemelijk gemaakt dat een ontruiming naar haar aard voldoende is om een spoedeisend belang aan te nemen. De huurovereenkomst is namelijk door [eisers] opgezegd en daarmee geëindigd op 28 februari 2026. Sindsdien verblijven [gedaagden] zonder recht of titel in de woning, terwijl [eisers] belang hebben bij het vrije genot van hun eigendom. Er kan niet in alle redelijkheid van [eisers] worden verlangd om hierin een bodemprocedure af te wachten. Daarmee staat voor de kantonrechter genoegzaam vast dat [eisers] een spoedeisend belang hebben bij de gevorderde ontruiming. 4.3. Voor de gevorderde contractuele boetes geldt dat daarvoor geen spoedeisend belang aanwezig is. Een dergelijke contractuele boete heeft vooral als doel om afschrikwekkend te werken. Voor de beoordeling van deze contractuele boete is nader feitenonderzoek en mogelijk bewijslevering nodig en daarvoor leent een behandeling in kort geding zich niet. Dit dient te worden voorbehouden aan de bodemrechter. Daar komt nog bij dat [eisers] tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard dat zij, nu de koopovereenkomst voor de woning niet is doorgegaan, de direct opeisbare boete van tien procent van de koopsom van [gedaagden] hebben ontvangen. Daarmee zijn [eisers] vooralsnog voldoende gecompenseerd in hun schade. Dit maakt dat de kantonrechter vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang niet oordeelt over de contractuele boetes. Ontruiming van het gehuurde 4.4. [eisers] hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat [gedaagden] de woning nog niet hebben verlaten en dat zij dus nog steeds zonder recht of titel in de woning verblijven. Er is [eisers] gebleken dat er één meerderjarig en één minderjarig kind van thans zeventien jaar oud in de woning bij [gedaagden] verblijft. 4.5. [eisers] vorderen ontruiming, omdat [gedaagden] zonder recht of titel in de woning verblijven. Artikel 5:2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de eigenaar van een zaak bevoegd is haar van een ieder die haar zonder recht of titel houdt, op te eisen. 4.6. Bij de beoordeling van een vordering tot ontruiming moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. 4.7. Voorts merkt de kantonrechter op dat in een procedure tot ontruiming van een woning tot de relevante omstandigheden van het geval behoort of er kinderen in de te ontruimen woning wonen. Als dat zo is, brengt artikel 3 lid 1 IVRK (Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind) mee dat de belangen van deze kinderen in kaart moeten worden gebracht. Dit betekent niet dat, indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen. De belangen van in het gehuurde wonende kinderen moeten als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen. 4.8. Vaststaat dat [eisers] als eigenaar van de woning een huurovereenkomst in het kader van de Leegstandswet met [gedaagden] hebben gesloten met als einddatum 28 februari 2026. Ook staat als onweersproken vast dat [eisers] de huurovereenkomst per brief van 4 november 2025 en dus tijdig hebben opgezegd. [gedaagden] verblijven dan ook zonder recht of titel in de woning. Nu het een huurovereenkomst betreft in het kader van de Leegstandswet genieten [gedaagden] geen huurbescherming. [gedaagden] wisten dat het verblijf in de huurwoning slechts tijdelijk zou zijn en door het ontbreken van de huurbescherming zij op zoek hadden moeten gaan naar andere woonruimte.