Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-24
ECLI:NL:RBLIM:2026:4024
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
3,425 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4024 text/xml public 2026-05-01T13:21:18 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-24 ROE 26/949 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4024 text/html public 2026-05-01T13:19:49 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4024 Rechtbank Limburg , 24-04-2026 / ROE 26/949 Last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow). Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar. Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. De voorzieningenrechter stelt aan de hand van de door verzoekster overgelegde stukken vast dat aan het opleggen van de last onder dwangsom een (lange) voorgeschiedenis vooraf is gegaan. Deze voorgeschiedenis houdt volgens verzoekster verband met de vraag of er sprake is van concreet zicht op legalisatie in het kader van de last onder dwangsom of van bijzondere omstandigheden die maken dat van handhavend optreden had moeten worden afgezien. Gezien de omvang van deze voorgeschiedenis, de samenhang met de in deze zaak aan de orde zijnde rechtsvraag en het karakter van de voorlopige voorzieningenprocedure, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze procedure zich niet goed leent voor het geven van een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de last onder dwangsom, terwijl verweerder nog aan zet is om een heroverweging te maken in de bezwaarfase. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 26 / 949 uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 in de zaak tussen [naam bedrijf] , uit [plaatsnaam] , verzoekster (gemachtigde: mr. D.G.A.H. de Haas), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten , verweerder. Inleiding Bij besluit van 15 april 2026 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow). Verweerder heeft verzoekster gelast om de verkoop voor directe consumptie (de voorzieningenrechter begrijpt: van ijs, ijstaarten en aanverwante producten) binnen één week te staken en gestaakt te houden op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 1.500,- per overtreding met een maximum van € 15.000,-. Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Spoedeisend belang 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, gelet op de korte begunstigingstermijn van één week. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat verzoekster een bedrijf is dat zich bezig houdt met de productie van consumentenijs. Het verkopen van ijs, ijstaarten en aanverwante producten vormt, zo neemt de voorzieningenrechter aan, een wezenlijk onderdeel van haar bedrijfsvoering. Aangezien verzoekster met de last onder dwangsom is gelast deze bedrijfsactiviteiten te staken en gestaakt te houden, acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat er sprake is van een aanzienlijk nadeel voor verzoekster. Beoordeling van het verzoek 3. De voorzieningenrechter stelt aan de hand van de door verzoekster overgelegde stukken vast dat aan het opleggen van de last onder dwangsom een (lange) voorgeschiedenis vooraf is gegaan. Deze voorgeschiedenis ziet (onder andere) op door verzoekster ingediende principeverzoeken en aan haar verleende omgevingsvergunningen voor de verkoop voor directe consumptie van ijs en aanverwante producten. Deze voorgeschiedenis houdt volgens verzoekster verband met de vraag of er sprake is van concreet zicht op legalisatie in het kader van de last onder dwangsom of van bijzondere omstandigheden die maken dat van handhavend optreden had moeten worden afgezien. Gezien de omvang van deze voorgeschiedenis, de samenhang met de in deze zaak aan de orde zijnde rechtsvraag en het karakter van de voorlopige voorzieningenprocedure, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze procedure zich niet goed leent voor het geven van een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de last onder dwangsom, terwijl verweerder nog aan zet is om een heroverweging te maken in de bezwaarfase. De voorzieningenrechter ziet op voorhand niet in dat de genoemde lange voorgeschiedenis, waarbij de betreffende verkoop meermaals wel tijdelijk is toegestaan, de korte begunstigingstermijn van één week noodzakelijk maakt en ziet in dat licht ook niet in waarom verweerder het laten verbeuren van dwangsommen niet kan uitstellen tot na de heroverweging in bezwaar. Verweerder kan zelf deze periode overigens zo kort mogelijk te houden door snel te beslissen op het gemaakte bezwaar. De voorzieningenrechter zal gelet hierop het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen. Conclusie en gevolgen 4. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoekster is beslist. 4.1. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijst, dient verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht (€ 397,-) te vergoeden. 4.2. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 397,- aan verzoekster te vergoeden; veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Genders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026. . griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 24 april 2026 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4024 text/xml public 2026-05-01T13:21:18 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-24 ROE 26/949 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4024 text/html public 2026-05-01T13:19:49 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4024 Rechtbank Limburg , 24-04-2026 / ROE 26/949 Last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow). Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar. Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. De voorzieningenrechter stelt aan de hand van de door verzoekster overgelegde stukken vast dat aan het opleggen van de last onder dwangsom een (lange) voorgeschiedenis vooraf is gegaan. Deze voorgeschiedenis houdt volgens verzoekster verband met de vraag of er sprake is van concreet zicht op legalisatie in het kader van de last onder dwangsom of van bijzondere omstandigheden die maken dat van handhavend optreden had moeten worden afgezien. Gezien de omvang van deze voorgeschiedenis, de samenhang met de in deze zaak aan de orde zijnde rechtsvraag en het karakter van de voorlopige voorzieningenprocedure, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze procedure zich niet goed leent voor het geven van een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de last onder dwangsom, terwijl verweerder nog aan zet is om een heroverweging te maken in de bezwaarfase. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 26 / 949 uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 in de zaak tussen [naam bedrijf] , uit [plaatsnaam] , verzoekster (gemachtigde: mr. D.G.A.H. de Haas), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten , verweerder. Inleiding Bij besluit van 15 april 2026 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow). Verweerder heeft verzoekster gelast om de verkoop voor directe consumptie (de voorzieningenrechter begrijpt: van ijs, ijstaarten en aanverwante producten) binnen één week te staken en gestaakt te houden op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 1.500,- per overtreding met een maximum van € 15.000,-. Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Spoedeisend belang 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, gelet op de korte begunstigingstermijn van één week. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat verzoekster een bedrijf is dat zich bezig houdt met de productie van consumentenijs. Het verkopen van ijs, ijstaarten en aanverwante producten vormt, zo neemt de voorzieningenrechter aan, een wezenlijk onderdeel van haar bedrijfsvoering. Aangezien verzoekster met de last onder dwangsom is gelast deze bedrijfsactiviteiten te staken en gestaakt te houden, acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat er sprake is van een aanzienlijk nadeel voor verzoekster. Beoordeling van het verzoek 3. De voorzieningenrechter stelt aan de hand van de door verzoekster overgelegde stukken vast dat aan het opleggen van de last onder dwangsom een (lange) voorgeschiedenis vooraf is gegaan. Deze voorgeschiedenis ziet (onder andere) op door verzoekster ingediende principeverzoeken en aan haar verleende omgevingsvergunningen voor de verkoop voor directe consumptie van ijs en aanverwante producten. Deze voorgeschiedenis houdt volgens verzoekster verband met de vraag of er sprake is van concreet zicht op legalisatie in het kader van de last onder dwangsom of van bijzondere omstandigheden die maken dat van handhavend optreden had moeten worden afgezien. Gezien de omvang van deze voorgeschiedenis, de samenhang met de in deze zaak aan de orde zijnde rechtsvraag en het karakter van de voorlopige voorzieningenprocedure, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze procedure zich niet goed leent voor het geven van een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de last onder dwangsom, terwijl verweerder nog aan zet is om een heroverweging te maken in de bezwaarfase. De voorzieningenrechter ziet op voorhand niet in dat de genoemde lange voorgeschiedenis, waarbij de betreffende verkoop meermaals wel tijdelijk is toegestaan, de korte begunstigingstermijn van één week noodzakelijk maakt en ziet in dat licht ook niet in waarom verweerder het laten verbeuren van dwangsommen niet kan uitstellen tot na de heroverweging in bezwaar. Verweerder kan zelf deze periode overigens zo kort mogelijk te houden door snel te beslissen op het gemaakte bezwaar. De voorzieningenrechter zal gelet hierop het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen. Conclusie en gevolgen 4. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoekster is beslist. 4.1. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijst, dient verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht (€ 397,-) te vergoeden. 4.2. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 397,- aan verzoekster te vergoeden; veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Genders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026. . griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 24 april 2026 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.