Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-04-22
ECLI:NL:RBLIM:2026:3940
ECLI:NL:RBLIM:2026:3940 text/xml public 2026-06-04T14:29:06 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-22 C/03/344382 / HA ZA 25-353 Uitspraak Verzet NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3940 text/html public 2026-06-04T14:26:11 2026-06-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3940 Rechtbank Limburg , 22-04-2026 / C/03/344382 / HA ZA 25-353 Aanneming van werk. Beroep gedaan op vervangende schadevergoeding ten aanzien van de geconstateerde gebreken. Aannemer moet de herstelkosten vergoeden. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: C/03/344382 / HA ZA 25-353 Vonnis in verzet van 22 april 2026 in de zaak van 1 [opdrachtgever 1] , te [plaats 1] , 2. [opdrachtgever 2] , te [plaats 1] , gedaagde partijen in het verzet, hierna samen te noemen: [opdrachtgevers] , advocaat: mr. G.M.P. Strang. tegen [de aannemer] B.V. , te [plaats 2] , eisende partij in het verzet, hierna te noemen: [de aannemer] , advocaat: mr. T. van der Meeren, 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van [opdrachtgevers] met producties 1 tot en met 20; - het verstekvonnis van 2 juli 2025 met zaaknummer C/03/341965 / HA ZA 25-219; - de verzetdagvaarding van [de aannemer] tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 5; - de conclusie van antwoord in reconventie van [opdrachtgevers] met producties 21 tot en met 29; - de akte overlegging productie 30 van [opdrachtgevers] ; - de akte overlegging producties 6 tot en met 14 van [de aannemer] ; - de akte overlegging productie 15 van [de aannemer] ; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de mondelinge behandeling van 12 februari 2026, ter gelegenheid waarvan aan de zijde van [de aannemer] spreekaantekeningen zijn overgelegd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op 16 augustus 2021 hebben partijen een overeenkomst van aanneming van werk gesloten, op grond waarvan [de aannemer] een woning bouwt voor [opdrachtgevers] tegen een aanneemsom van € 226.657,95. 2.2. In de aannemingsovereenkomst is opgenomen dat de BouwGarant Nieuwbouwgarantieregeling Eengezinswoning 2020 (hierna: BNE) en de daarbij horende algemene voorwaarden van toepassing is op de tussen partijen gesloten overeenkomst. Het BouwGarant Waarborgcertificaat zoals bedoeld in artikel 8 van de overeenkomst heeft [de aannemer] niet aan [opdrachtgevers] verstrekt. Wel heeft [de aannemer] op 22 maart 2023 schriftelijk verklaard dat hij zich conformeert aan en garant stelt voor dezelfde garantiestelling als ware het huis gebouwd onder de garantiestelling van Bouwgarant en de daarbij horende algemene voorwaarden. 2.3. De woning is op 22 maart 2023 opgeleverd. Vereniging Eigen Huis heeft van de oplevering een rapportage opgemaakt die door partijen is ondertekend. Uit de rapportage volgt dat er enkele gebreken zijn geconstateerd, waaronder: 1. Slordige plekken in het kitwerk rondom het binnenkozijn in het toilet; 2. Het aanslagprofiel van het douchescherm is slordig geplaatst; 3. De onderdetaillering van het stucwerk aan de buitenzijde is niet goed uitgevoerd en moest nog worden gecontroleerd; 4. De hemelwaterafvoer moet nog worden verbeterd; 5. De noodverloop van de hemelwaterafvoer is te kort; 6. Een rubber in de erfafscheiding moet nog worden geplaatst. 2.4. In verband met de geconstateerde gebreken heeft [opdrachtgevers] een factuur van [de aannemer] , te weten factuur [nummer] met een bedrag van € 11.323,00, niet betaald. 2.5. Hoewel partijen nog een aantal keer over het herstel van deze gebreken hebben gecorrespondeerd, zijn deze gebreken niet verholpen. 2.6. Op 9 augustus 2023 heeft [opdrachtgevers] [de aannemer] in gebreke gesteld en hem verzocht de gebreken uiterlijk 10 september 2023 te herstellen. Omdat [de aannemer] hierop niet heeft gereageerd, heeft [opdrachtgevers] hem op 18 september 2023 nogmaals verzocht de gebreken te he Voordat inhoudelijk op de gebreken zal worden ingegaan, stelt de rechtbank ten aanzien van de aansprakelijkheid van [de aannemer] het volgende voorop. 4.4. In artikel 8 lid 1 van de aannemingsovereenkomst is bepaald dat [de aannemer] zich tegenover [opdrachtgevers] verbindt om de verplichtingen uit de BNE na te komen. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat [de aannemer] binnen 2 weken na ontvangst van de ondertekende aannemingsovereenkomst het schriftelijk verzoek doet tot afgifte van een BouwGarant Waarborgcertificaat aan [opdrachtgevers] . Hoewel een dergelijk certificaat niet aan [opdrachtgevers] is verstrekt, is de BNE en de daarbij horende algemene voorwaarden van toepassing op de tussen partijen gesloten overeenkomst. In de overeenkomst staat namelijk uitdrukkelijk dat [de aannemer] de woning bouwt binnen de in de BNE uitgewerkte eis van goed en deugdelijk werk. Ook wordt in verschillende artikelen verwezen naar de BNE en de daarbij horende voorwaarden. Daar komt nog bij dat [de aannemer] op 22 maart 2023 schriftelijk heeft verklaard dat hij zich conformeert aan en garant stelt voor dezelfde garantiestelling als ware het huis gebouwd onder de garantiestelling van Bouwgarant en de daarbij horende algemene voorwaarden. Gelet op het voorgaande zijn de BNE en de daarbij horende algemene voorwaarden van toepassing op de tussen partijen gesloten overeenkomst. 4.5. Artikel 15 lid 1 van de algemene voorwaarden bepaalt dat [de aannemer] de woning garandeert gedurende zes maanden na de datum van oplevering tegen daarin aan de dag getreden tekortkomingen. Volgens [de aannemer] treden gebreken die tijdens de oplevering hadden kunnen worden ontdekt, tijdens de oplevering al aan de dag en niet pas tijdens de onderhouds- of garantieperiode. [de aannemer] stelt daarom voor die gebreken niet aansprakelijk te zijn. Met [opdrachtgevers] is de rechtbank van oordeel dat [de aannemer] hiermee miskent dat ingevolge lid 2 sub d van artikel 15 van de algemene voorwaarden de aansprakelijkheid die uit de BNE volgt, blijft gelden. In artikel 8 van de BNE is bepaald dat de termijn van herstelwaarborg, behoudens uitzonderingen, zes jaar geldt. Niet gesteld of gebleken is dat van een uitzonderingssituatie sprake is. De rechtbank oordeelt daarom dat [de aannemer] gedurende zes jaar aansprakelijk is voor gebreken, ook als deze na de oplevering pas aan het licht komen, maar wel tijdens de oplevering al hadden kunnen worden ontdekt. Gebreken 4.6. De rechtbank stelt voorop dat [de aannemer] uit hoofde van de aannemingsovereenkomst verplicht is zijn werkzaamheden niet alleen uit te voeren naar de bepalingen van de overeenkomst, maar ook naar de eisen van goed en deugdelijk werk. De vraag die in deze procedure centraal staat is of [de aannemer] – gelet op de door DEKRA geconstateerde gebreken – goed en deugdelijk werk heeft geleverd. De rechtbank zal de door DEKRA geconstateerde gebreken en het verweer hierop van [de aannemer] hieronder bespreken. a. De douchewand 4.7. Dekra schrijft in haar rapport dat de douchewand – door scheefstand van de twee wanden waartussen de douchewand is geplaatst – niet tussen de bijgeleverde montageprofielen kon worden geplaatst. Om dit te maskeren, heeft [de aannemer] een strip op de wanden gemonteerd die zichtbaar afwijkt van de montageprofielen. Verder beschrijft DEKRA dat het horizontale profiel van de douchewand niet recht is aangebracht, waardoor de schuifwand niet goed schuift. Daarnaast is volgens DEKRA geen werkend waterkerend onderprofiel aangebracht. 4.8. [de aannemer] erkent dat een van de montageprofielen afwijkende strip is gemonteerd en het horizontale profiel van de douchewand niet recht is aangebracht. Het ontbreken van een onderprofiel wordt door [de aannemer] niet betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een gebrek op deze punten. 4.9. Om dit gebrek te verhelpen, moet volgens DEKRA een nieuwe maatwerk schuifwand worden geplaatst, omdat de betreffende schuifwand door de scheefstand van de wande Niet is gesteld of gebleken dat een dergelijk schriftelijk stuk bestaat, zodat de rechtbank concludeert dat sprake is van een gebrek ter zake het niet gescheiden rioolsysteem. 4.14. Ook behoort volgens DEKRA de aanlegdiepte van een in de bodem opgenomen afvoerbuis onder de vorstgrens (dus 60 tot 80 centimeter diep) te worden aangebracht, om schade door bevriezing te voorkomen, een en ander conform de NEN-norm NEN-EN 1997 -,1. Dit is niet gebeurd volgens DEKRA. [de aannemer] betwist dat de afvoerbuis niet op de juiste diepte is aangebracht. Bovendien is de betreffende NEN-norm volgens [de aannemer] niet van toepassing op de overeenkomst van partijen en zijn partijen niet overeengekomen dat de afvoerbuis op een minimale diepte van 60 centimeter moet worden aangebracht. De rechtbank overweegt dat de stelling dat de afvoerbuis op minder dan 60 centimeter diep in de grond ligt, voldoende is onderbouwd en door [de aannemer] onvoldoende gemotiveerd is betwist. Op foto 13 van het rapport van DEKRA is immers duidelijk te zien dat de afvoerbuis op minder dan 60 centimeter diep in de grond ligt. Verder overweegt de rechtbank dat genoemde NEN-norm is opgenomen in de destijds van toepassing zijnde wettelijke regeling, Bouwbesluit 2012, zodat [de aannemer] , ook al was dit niet expliciet overeengekomen tussen partijen, bij het bouwen van de woning verplicht was zich aan de norm in deze wettelijke regeling te houden. Genoemde NEN-norm gaat over de eisen voor sterkte, stabiliteit, bruikbaarheid en duurzaamheid van constructies. Schending van die norm betekent dat geen deugdelijk werk is geleverd. 4.15. De rechtbank concludeert dan ook dat sprake is van een gebrek ter zake de hemelwaterafvoer. d. Waterinfiltratie bij de achterdeur 4.16. DEKRA schrijft in haar rapport het volgende: ‘… Wel constateerden wij dat het achterdeur kozijn op stelblokken staat en dat de onderlinge naad niet is gedicht middels een mortel of anderzijds, waardoor waterinfiltratie mogelijk is ook is de geïsoleerde kantplank niet toegepast zodat de gevel op dit punt niet conform de contractstukken geïsoleerd is (afbeelding 6 en 14).’ 4.17. [de aannemer] betwist dat de onderlinge naad niet is gedicht. Bovendien is volgens [de aannemer] ook niet overeengekomen dat de onderlinge naad zou worden gedicht en een geïsoleerde kantplank zou worden toegepast. [opdrachtgevers] wijst er echter op dat dit gebrek verband zou houden met hetgeen in het proces-verbaal van oplevering onder punt 23 is opgenomen. Nu dit proces-verbaal door [de aannemer] is ondertekend, heeft hij dit gebrek volgens [opdrachtgevers] erkend. Dit wordt door [de aannemer] niet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de stelling van [opdrachtgevers] . e. Geluidsoverlast van de poort 4.18. DEKRA omschrijft dat de poort van de buren zijn sluitkant aan de zijde van de woning van [opdrachtgevers] heeft. De aanslag van de poort staat in verbinding met de woning van [opdrachtgevers] . Door die verbinding worden de trillingen van de poort doorgegeven naar de woning van [opdrachtgevers] . Daarbij merkt DEKRA op dat de stalen paal van de poort mogelijk in de bodem is verankerd middels een gestorte betonvoer die tegen de fundatie is gestort. Het contactgeluid had voorkomen kunnen worden door de staander in de bodem los van de woning van [opdrachtgevers] te plaatsen en niet aan het metselwerk te verankeren. DEKRA geeft aan dat dit gebrek kan worden hersteld door de poer te verwijderen en een paal in de bodem aan te brengen die niet aan de woning van [opdrachtgevers] wordt gekoppeld en dient als aanslag sluiting van de poort. 4.19. [de aannemer] stelt dat het plaatsen van een rubber of een dranger ervoor zullen zorgen dat de trillingen niet meer worden doorgegeven en de door DEKRA voorgestelde werkzaamheden niet nodig zijn om de trillingen te verhelpen. [de aannemer] erkent ook dat hij een rubber of dranger had moeten plaatsen. [de aannemer] betwist echter dat de stalen paal van de poort in een betonvoet tegen De enkele blote betwisting van [de aannemer] inhoudende dat geen sprake is van een gebrek, acht de rechtbank dan ook onvoldoende. Verder overweegt de rechtbank dat de Beoordelingsrichtlijn waar DEKRA naar verwijst, inderdaad niet is overeengekomen door partijen. De rechtbank stelt echter vast dat ook zonder deze normering op de foto’s in het DEKRA-rapport (foto’s 24 – 27) duidelijk is te zien dat het metselwerk niet op juiste wijze verspringt en de gevelaansluiting niet aansluit, omdat het metselwerk te laag is ten opzichte van aansluitende gestucte gevel. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee niet voldaan aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Aldus is sprake van een gebrek. h. Doorvoer bekabeling zonnepanelen 4.27. Volgens DEKRA wordt de plus- en minbekabeling van de PV-panelen door één doorvoer naar binnen geleid. Conform de NEN1010-norm dient de bekabeling echter apart doorgevoerd te worden waarbij een onderlinge afstand van tenminste 10 centimeter gehandhaafd moet worden. Volgens DEKRA moet een aparte dak doorvoer geplaatst worden. 4.28. [de aannemer] voert aan dat in de NEN1010 niet dwingend staat voorgeschreven dat de plus- en minbekabeling apart doorgevoerd moet worden. Ter onderbouwing verwijst [de aannemer] naar 2 e-mails van 2 februari 2026 van de heer [naam] (productie 11 en 12 van [de aannemer] ) waarin [naam] aangeeft dat de kabels wel in 2 verschillende buizen gescheiden moeten zijn, maar het niet nodig is om een aparte dak doorvoer te plaatsen. Nu [naam] heeft aangegeven dat de kabels wel in 2 verschillende buizen gescheiden moeten zijn en [de aannemer] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dit niet te hebben gedaan, is naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van een gebrek op dit punt. 4.29. De rechtbank overweegt dat onvoldoende is komen vast te staan dat er – gelet op de onderbouwde betwisting van [de aannemer] – een aparte dak doorvoer moet worden geplaatst om het gebrek te verhelpen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de aannemer] aangegeven dat het gebrek ook kan worden verholpen door flexibele buizen te plaatsen. Dit is ook wat [naam] heeft verklaard. De rechtbank oordeelt daarom dat hiermee kan worden volstaan. i. Voordeurkozijn 4.30. DEKRA schrijft in haar rapport dat ter zake het voordeurkozijn sprake is van een gebrek. DEKRA motiveert haar stelling als volgt: ‘ de afwerking onder het voordeurkozijn was blijkbaar te kort waardoor er een strookje van het zelfde materiaal opgeplakt werd (afbeelding 30). Een dusdanige afwerking beschouwen wij niet als goed en deugdelijk maar als gebrekkig.’ Hiermee is de stelling dat sprake is van een gebrek naar het oordeel van de rechtbank, voldoende gemotiveerd. [de aannemer] betwist dat sprake is van een gebrek, maar motiveert of onderbouwt dit verder niet. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een gebrek met betrekking tot het voordeurkozijn. j. Ventilatiesysteem 4.31. DEKRA beschrijft dat de woning is voorzien van een ventilatiesysteem waarbij circulatie in de woning niet belemmerd mag worden. Om die reden moet er een ventilatieopening onder de deuren aanwezig zijn van circa 2 centimeter. DEKRA constateert dat de opening bij een aantal deuren slechts een paar millimeters is, zodat het ventilatiesysteem niet optimaal functioneert. 4.32. [de aannemer] betwist dat het ventilatiesysteem niet optimaal functioneert doordat er onder de deuren geen opening van 2 centimeter is. Als dat al zo zou zijn, kan dat [de aannemer] naar zijn stelling niet worden aangerekend, omdat erna door iemand anders een afwerkvloer is aangebracht die te hoog is. Volgens [opdrachtgevers] zit het probleem echter juist bij de deuren van die ruimtes waar [de aannemer] de afwerkvloer heeft aangebracht. Dit wordt door [de aannemer] niet betwist. [opdrachtgevers] heeft haar stelling dat ter zake sprake is van een gebrek, onderbouwd met het deskundigenrapport van DEKRA waarin DEKRA als deskundige constateert dat het systeem niet goed werkt door de minima Nu geen afzonderlijk gespecificeerde bedragen staan genoteerd voor deze 3 posten, kan de rechtbank niet beoordelen welk bedrag aan het demonteren van de poort gekoppeld is. Het had op de weg van [opdrachtgevers] gelegen om deze bedragen door DEKRA verder te laten specificeren. Om die reden zal dan ook het gehele bedrag van € 2.648,25 in mindering worden gebracht. 4.40. Ook moet nog rekening worden gehouden met een vermindering van de geoffreerde herstelkosten voor het maken van een aparte dak doorvoer ten aanzien van gebrek ‘h’. Deze kosten staan, samen met kosten voor gebrek ‘a’, in de offerte opgenomen onder 90 ‘technische installaties’, voor een totaalbedrag van € 6.437,88. Nu de onder 90 genoemde kosten voor gebrek ‘a’ volgen uit de offerte van Gasservice Venlo ad € 5.804,88 exclusief btw, ziet het restant bedrag van € 633,00 op de herstelkosten voor het maken van een aparte dak doorvoer. Een bedrag van € 633,00 zal daarom in mindering worden gebracht. 4.41. Het voorgaande komt neer op een totaalbedrag aan herstelkosten van € 67.763,97 (€ 71.802,22 - € 757,00 - € 2.648,25 - € 633,00) exclusief btw en kosten. Over dit bedrag moeten nog de btw en aanvullende kosten bestaande uit algemene kosten, winst en verzekering gerekend worden (zie pagina 7 van de offerte). De rechtbank kan uit de offerte van [bedrijf] echter niet afleiden welk btw percentage van toepassing is op welk deel van het bedrag (in de offerte wordt namelijk over een deel van het bedrag een percentage van 21% en over het andere deel een percentage van 9% berekend). De rechtbank zal het totaalbedrag inclusief btw en aanvullende kosten daarom als volgt berekenen. De herstelkosten volgens [bedrijf] exclusief kosten en btw komt uit op een bedrag van € 71.802,22. De herstelkosten volgens [bedrijf] inclusief kosten en btw komt uit op een bedrag van € 93.352,32. Dit komt neer op een verhoging van afgerond 30%. Deze verhoging moet ook worden toegepast op het bedrag van € 67.763,97, hetgeen uitkomt op een bedrag van € 88.093,16 inclusief btw en kosten. 4.42. Daarbij moeten nog de volgende bedragen worden opgeteld: de door [de aannemer] begrote kosten voor het aanbrengen van een rubber of dranger voor de poort ad € 350,00; de door [de aannemer] begrote kosten voor het plaatsen van flexibele buizen voor de bekabeling van de PV-panelen ad € 280,00. Deze bedragen worden door [opdrachtgevers] immers niet betwist. De totale herstelkosten komen daarmee uit op een bedrag van € 88.723,16. Kosten DEKRA 4.43. [opdrachtgevers] vordert verder vergoeding van de kosten van € 2.510,75 inclusief btw die DEKRA voor haar onderzoek en rapportage in rekening heeft gebracht bij [opdrachtgevers] . [opdrachtgevers] baseert deze vordering op artikel 6:96 lid 1 aanhef en sub b BW, waarin wordt bepaald dat redelijke kosten ter vaststelling van schade of aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen. 4.44. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [opdrachtgevers] voldoende onderbouwd dat het inschakelen van DEKRA noodzakelijk was om de vordering tot vervangende schadevergoeding wegens tekortkomingen van [de aannemer] te onderbouwen. Omdat het rapport een relevante bijdrage heeft geleverd aan de vordering van [opdrachtgevers] en de kosten zijn onderbouwd, zullen de kosten van € 2.510,75 worden toegewezen. Verrekening 4.45. Partijen zijn het erover eens dat [de aannemer] nog een vordering heeft op [opdrachtgevers] uit hoofde van een onbetaalde factuur ad € 11.323,00. Deze vordering zal dan ook met de vordering van [opdrachtgevers] van in totaal € 91.233,91 (€ 88.723,16 + € 2.510,75), op verzoek van beide partijen, worden verrekend. Dit resulteert in een door [de aannemer] aan [opdrachtgevers] te betalen bedrag van € 79.910,91. Buitengerechtelijke incassokosten 4.46. [opdrachtgevers] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit voor vergoeding buitengerechtelijke incasso