Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-01-14
ECLI:NL:RBLIM:2026:357
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,060 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:357 text/xml public 2026-01-29T12:04:34 2026-01-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-01-14 C/03/340544 / HA ZA 25-140 Uitspraak Bodemzaak NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:357 text/html public 2026-01-27T11:10:57 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:357 Rechtbank Limburg , 14-01-2026 / C/03/340544 / HA ZA 25-140 Geldleningsovereenkomst. Herkomst gelden niet bekend. Geen terugbetalingsverplichting. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: C/03/340544 / HA ZA 25-140 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van [eisende partij] , wonende te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij], advocaat: mr. S.L.T.A. Scheepers, tegen [gedaagde partij] , wonende te [plaats 2] (Turkije), gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij], advocaat: mr. Y. Kayabasi. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de akte aanvullende producties 5 en 6 aan de zijde van [eisende partij] - de mondelinge behandeling van 9 december 2025, bij gelegenheid waarvan door [eisende partij] en [gedaagde partij] spreekaantekeningen in het geding zijn gebracht. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eisende partij] en [gedaagde partij] zijn zoon en moeder. Uit het huwelijk tussen [gedaagde partij] en haar echtgenoot zijn vijf kinderen geboren, waaronder [eisende partij]. De echtgenoot van [gedaagde partij] is op 21 februari 2017 overleden. 2.2. Op 23 april 2019 is tussen de gemeente [plaats 1] en [gedaagde partij] en haar vijf kinderen (waaronder dus [eisende partij]) een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin partijen -kort gezegd - zijn overeengekomen dat [gedaagde partij] en haar vijf kinderen een bedrag van € 45.000,- aan de gemeente [plaats 1] betalen ter beëindiging van hun geschil met de gemeente. 2.3. Voornoemd bedrag is in april 2019 aan de gemeente [plaats 1] voldaan. 2.4. Op 12 december 2024 laat de advocaat van [eisende partij] middels een brief aan [gedaagde partij] weten dat hij overgaat tot het opeisen van een bedrag ter hoogte van € 45.000,-. [eisende partij] stelt zich daarbij op het standpunt dat er sprake is van een geldlening ten aanzien van voornoemd bedrag en dat [gedaagde partij] gehouden is om dit bedrag aan hem terug te betalen. 3 Het geschil 3.1. [eisende partij] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat [gedaagde partij] aan [eisende partij] een bedrag van € 45.000,- verschuldigd is; II. [gedaagde partij] verplicht om de wettelijke rente over het bedrag van € 45.000,- aan [eisende partij] te voldoen, te rekenen vanaf 7 februari 2025, althans vanaf het moment van dagvaarden, althans vanaf een moment door de rechtbank te bepalen, tot de dag van algehele voldoening; III. [gedaagde partij] veroordeelt in de proceskosten. 3.2. [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.1. [eisende partij] is woonachtig in Nederland en [gedaagde partij] is woonachtig in Turkije. Om die reden is er sprake van een zaak met een internationaal karakter. Dat brengt met zich dat allereerst onderzocht moet worden of de rechtbank rechtsmacht heeft, en zo ja, welk recht van toepassing is. 4.2. Partijen zijn in Nederland en Turkije woonachtig, de vordering in de hoofdzaak is na 10 januari 2015 ingesteld en het geschil in de hoofdzaak betreft een handelszaak. De vordering moet daarom worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 (hierna: Brussel I bis). Artikel 7 lid 1 sub a Brussel I bis bepaalt dat een persoon ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, zoals in dit geval de gestelde geldleningsovereenkomst, kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Een geldleningsovereenkomst, is een overeenkomst voor de verstrekking van diensten als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b Brussel I bis. In dit geval is de dienst – het verstrekken van de geldlening – in Nederland verricht, nu de gelden (zoals [eisende partij] stelt; ten behoeve van [gedaagde partij]) in Nederland zijn verstrekt. Uit het voorgaande volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen van [eisende partij] kennis te nemen. 4.3. De rechtbank gaat op grond van artikel 4 lid 2 van de toepasselijk Rome I-Verordening (nr. 593/2008) uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht. Dit omdat in de vermeende geldleningsovereenkomst geen rechtskeuze is opgenomen en de partij die de kenmerkende prestatie zou hebben verricht (in dit geval [eisende partij], die gelden zou hebben uitgeleend) woonplaats heeft in Nederland. Partijen zijn in deze procedure overigens zelf ook van het Nederlands recht uitgegaan. Inhoudelijke beoordeling 4.4. [eisende partij] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde partij] aan hem een bedrag van € 45.000,- verschuldigd is. [eisende partij] heeft ter onderbouwing van zijn vordering (kort gezegd) aangevoerd dat [gedaagde partij] in verband met een voorval een bedrag van € 45.000,- aan de gemeente [plaats 1] verschuldigd was. [eisende partij] stelt dat hij dit bedrag ten behoeve van [gedaagde partij] op 12 april 2019 aan de gemeente heeft voldaan, nu [gedaagde partij] zelf niet zou beschikken over voldoende saldo om de vordering van de gemeente te kunnen voldoen. [eisende partij] overlegt daarbij als productie 1 een bankafschrift waarop te zien is dat hij op 12 april 2019 voornoemd bedrag op het rekeningnummer van de gemeente [plaats 1] heeft overgeboekt. [eisende partij] stelt dat hij deze betaling ten behoeve van [gedaagde partij] heeft verricht uit hoofde van een tussen partijen overeengekomen geldleningsovereenkomst. Derhalve rust op [gedaagde partij] de plicht om dit bedrag aan hem terug te betalen, aldus [eisende partij]. 4.5. [gedaagde partij] betwist niet dat [eisende partij] op 12 april 2019 een bedrag van € 45.000,- aan de gemeente [plaats 1] heeft overgemaakt. Zij betwist echter dat dit bedrag volledig afkomstig was uit de eigen middelen van [eisende partij]. [gedaagde partij] overlegt als productie 1 bij conclusie van antwoord een vaststellingsovereenkomst tussen de gemeente [plaats 1], haarzelf en haar vijf kinderen waaruit volgt dat zij én haar vijf kinderen een bedrag van € 45.000,- zouden voldoen aan de gemeente [plaats 1]. Verder voert [gedaagde partij] aan dat zij en haar vijf kinderen (waaronder dus ook [eisende partij]) in dat kader met elkaar hebben afgesproken het aan de gemeente [plaats 1] verschuldigde bedrag van € 45.000,- in gelijke delen te voldoen, zodat ieder van hen een bedrag van € 7.500,- zou bijdragen. Volgens [gedaagde partij] heeft [eisende partij] overeenkomstig deze afspraak (uiteindelijk) slechts een bedrag van € 7.500,- uit eigen middelen aan de gemeente voldaan. De overige bedragen, afkomstig van [gedaagde partij] en de vier andere kinderen, zouden contant aan [eisende partij] zijn overhandigd, waarna [eisende partij] het totale bedrag aan de gemeente heeft betaald. Voorts stelt [gedaagde partij] dat tussen [eisende partij], [gedaagde partij] en de overige kinderen is afgesproken dat de door hen betaalde bedragen aan hen zouden worden terugbetaald na de verkoop van een aan [gedaagde partij] en de kinderen gezamenlijk toebehorend stuk bouwgrond, gelegen in Turkije. Deze bouwgrond is tot op heden niet verkocht. Er bestaat dus voor [eisende partij] ook nog geen reden om een bedrag van € 7.500,- (en al helemaal niet een bedrag van € 45.000,-) bij [gedaagde partij] op te eisen.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:357 text/xml public 2026-01-29T12:04:34 2026-01-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-01-14 C/03/340544 / HA ZA 25-140 Uitspraak Bodemzaak NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:357 text/html public 2026-01-27T11:10:57 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:357 Rechtbank Limburg , 14-01-2026 / C/03/340544 / HA ZA 25-140 Geldleningsovereenkomst. Herkomst gelden niet bekend. Geen terugbetalingsverplichting. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: C/03/340544 / HA ZA 25-140 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van [eisende partij] , wonende te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij], advocaat: mr. S.L.T.A. Scheepers, tegen [gedaagde partij] , wonende te [plaats 2] (Turkije), gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij], advocaat: mr. Y. Kayabasi. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de akte aanvullende producties 5 en 6 aan de zijde van [eisende partij] - de mondelinge behandeling van 9 december 2025, bij gelegenheid waarvan door [eisende partij] en [gedaagde partij] spreekaantekeningen in het geding zijn gebracht. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eisende partij] en [gedaagde partij] zijn zoon en moeder. Uit het huwelijk tussen [gedaagde partij] en haar echtgenoot zijn vijf kinderen geboren, waaronder [eisende partij]. De echtgenoot van [gedaagde partij] is op 21 februari 2017 overleden. 2.2. Op 23 april 2019 is tussen de gemeente [plaats 1] en [gedaagde partij] en haar vijf kinderen (waaronder dus [eisende partij]) een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin partijen -kort gezegd - zijn overeengekomen dat [gedaagde partij] en haar vijf kinderen een bedrag van € 45.000,- aan de gemeente [plaats 1] betalen ter beëindiging van hun geschil met de gemeente. 2.3. Voornoemd bedrag is in april 2019 aan de gemeente [plaats 1] voldaan. 2.4. Op 12 december 2024 laat de advocaat van [eisende partij] middels een brief aan [gedaagde partij] weten dat hij overgaat tot het opeisen van een bedrag ter hoogte van € 45.000,-. [eisende partij] stelt zich daarbij op het standpunt dat er sprake is van een geldlening ten aanzien van voornoemd bedrag en dat [gedaagde partij] gehouden is om dit bedrag aan hem terug te betalen. 3 Het geschil 3.1. [eisende partij] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat [gedaagde partij] aan [eisende partij] een bedrag van € 45.000,- verschuldigd is; II. [gedaagde partij] verplicht om de wettelijke rente over het bedrag van € 45.000,- aan [eisende partij] te voldoen, te rekenen vanaf 7 februari 2025, althans vanaf het moment van dagvaarden, althans vanaf een moment door de rechtbank te bepalen, tot de dag van algehele voldoening; III. [gedaagde partij] veroordeelt in de proceskosten. 3.2. [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.1. [eisende partij] is woonachtig in Nederland en [gedaagde partij] is woonachtig in Turkije. Om die reden is er sprake van een zaak met een internationaal karakter. Dat brengt met zich dat allereerst onderzocht moet worden of de rechtbank rechtsmacht heeft, en zo ja, welk recht van toepassing is. 4.2. Partijen zijn in Nederland en Turkije woonachtig, de vordering in de hoofdzaak is na 10 januari 2015 ingesteld en het geschil in de hoofdzaak betreft een handelszaak. De vordering moet daarom worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 (hierna: Brussel I bis). Artikel 7 lid 1 sub a Brussel I bis bepaalt dat een persoon ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, zoals in dit geval de gestelde geldleningsovereenkomst, kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Een geldleningsovereenkomst, is een overeenkomst voor de verstrekking van diensten als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b Brussel I bis. In dit geval is de dienst – het verstrekken van de geldlening – in Nederland verricht, nu de gelden (zoals [eisende partij] stelt; ten behoeve van [gedaagde partij]) in Nederland zijn verstrekt. Uit het voorgaande volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen van [eisende partij] kennis te nemen. 4.3. De rechtbank gaat op grond van artikel 4 lid 2 van de toepasselijk Rome I-Verordening (nr. 593/2008) uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht. Dit omdat in de vermeende geldleningsovereenkomst geen rechtskeuze is opgenomen en de partij die de kenmerkende prestatie zou hebben verricht (in dit geval [eisende partij], die gelden zou hebben uitgeleend) woonplaats heeft in Nederland. Partijen zijn in deze procedure overigens zelf ook van het Nederlands recht uitgegaan. Inhoudelijke beoordeling 4.4. [eisende partij] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde partij] aan hem een bedrag van € 45.000,- verschuldigd is. [eisende partij] heeft ter onderbouwing van zijn vordering (kort gezegd) aangevoerd dat [gedaagde partij] in verband met een voorval een bedrag van € 45.000,- aan de gemeente [plaats 1] verschuldigd was. [eisende partij] stelt dat hij dit bedrag ten behoeve van [gedaagde partij] op 12 april 2019 aan de gemeente heeft voldaan, nu [gedaagde partij] zelf niet zou beschikken over voldoende saldo om de vordering van de gemeente te kunnen voldoen. [eisende partij] overlegt daarbij als productie 1 een bankafschrift waarop te zien is dat hij op 12 april 2019 voornoemd bedrag op het rekeningnummer van de gemeente [plaats 1] heeft overgeboekt. [eisende partij] stelt dat hij deze betaling ten behoeve van [gedaagde partij] heeft verricht uit hoofde van een tussen partijen overeengekomen geldleningsovereenkomst. Derhalve rust op [gedaagde partij] de plicht om dit bedrag aan hem terug te betalen, aldus [eisende partij]. 4.5. [gedaagde partij] betwist niet dat [eisende partij] op 12 april 2019 een bedrag van € 45.000,- aan de gemeente [plaats 1] heeft overgemaakt. Zij betwist echter dat dit bedrag volledig afkomstig was uit de eigen middelen van [eisende partij]. [gedaagde partij] overlegt als productie 1 bij conclusie van antwoord een vaststellingsovereenkomst tussen de gemeente [plaats 1], haarzelf en haar vijf kinderen waaruit volgt dat zij én haar vijf kinderen een bedrag van € 45.000,- zouden voldoen aan de gemeente [plaats 1]. Verder voert [gedaagde partij] aan dat zij en haar vijf kinderen (waaronder dus ook [eisende partij]) in dat kader met elkaar hebben afgesproken het aan de gemeente [plaats 1] verschuldigde bedrag van € 45.000,- in gelijke delen te voldoen, zodat ieder van hen een bedrag van € 7.500,- zou bijdragen. Volgens [gedaagde partij] heeft [eisende partij] overeenkomstig deze afspraak (uiteindelijk) slechts een bedrag van € 7.500,- uit eigen middelen aan de gemeente voldaan. De overige bedragen, afkomstig van [gedaagde partij] en de vier andere kinderen, zouden contant aan [eisende partij] zijn overhandigd, waarna [eisende partij] het totale bedrag aan de gemeente heeft betaald. Voorts stelt [gedaagde partij] dat tussen [eisende partij], [gedaagde partij] en de overige kinderen is afgesproken dat de door hen betaalde bedragen aan hen zouden worden terugbetaald na de verkoop van een aan [gedaagde partij] en de kinderen gezamenlijk toebehorend stuk bouwgrond, gelegen in Turkije. Deze bouwgrond is tot op heden niet verkocht. Er bestaat dus voor [eisende partij] ook nog geen reden om een bedrag van € 7.500,- (en al helemaal niet een bedrag van € 45.000,-) bij [gedaagde partij] op te eisen.