Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-14
ECLI:NL:RBLIM:2026:3507
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,610 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3507 text/xml public 2026-05-08T15:28:29 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-14 ROE 26/595 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3507 text/html public 2026-04-15T11:39:37 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3507 Rechtbank Limburg , 14-04-2026 / ROE 26/595 Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar. Vergunninghoudster heeft verklaard geen gebruik te maken van de vergunning totdat op het bezwaar is beslist. Daardoor ontbreekt het spoedeisend belang en is het verzoek kennelijk ongegrond. RECHTBANK LIMBURG Bestuursrecht zaaknummer: ROE 26/595 uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2026 in de zaak tussen Progres RE Invest II BV, uit Heeze, verzoekster (gemachtigde: ir. A.R.J. Graat MRICS), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen , het college (gemachtigde: K. Ubags). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Wil Communiceren Limburg uit Heerlen (vergunninghoudster). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen een door het college aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is omdat geen sprake is van spoedeisend belang. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Op 30 september 2025 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het gebruiken van een gebouw aan de [adres] te Heerlen voor het begeleiden van kinderen, jongeren en volwassenen met gedrags- en opvoedproblematiek. Dit gebruik is in strijd met het bestemmingsplan ‘Heerlen-Oost’, dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan ‘Heerlen’ dat op de locatie van toepassing is. Voor het afwijken van het omgevingsplan is een omgevingsvergunning vereist. 2.1. Op 2 februari 2026 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van de regels van het omgevingsplan. Omdat het omgevingsplan zelf niet in de mogelijkheid voorziet om het door vergunninghoudster beoogde gebruik te vergunnen, heeft het college de vergunning verleend via de zogeheten buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De omgevingsvergunning strekt niet tot het vergunnen van eventueel uit te voeren bouwwerkzaamheden. 2.2. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Op het bezwaar is nog niet beslist. De hoorzitting over het bezwaar vindt op 14 april 2026 plaats. Verzoekster vreest dat vergunninghoudster het gebouw in gebruik zal nemen voordat op haar bezwaar is beslist en heeft daarom de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende het schorsen van de verleende omgevingsvergunning tot zes weken nadat op haar bezwaarschrift is beslist. Verzoekster heeft belang bij het uitstellen van het gebruik van het gebouw, omdat zij zelf een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor bouwactiviteiten op een perceel in de omgeving van de vergunde locatie. Verzoekster stelt dat het vergunde gebruik van vergunninghoudster maatgevend zal zijn voor het verlenen van de door haar aangevraagde omgevingsvergunning. Spoedeisend belang 3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Volgens verzoekster is dit spoedeisend belang gelegen in de mogelijkheid dat vergunninghoudster het gebouw in gebruik zal nemen voordat op haar bezwaar is beslist. Op 17 maart 2026 heeft vergunninghoudster echter schriftelijk kenbaar gemaakt bereid te zijn in afwachting van de beslissing op bezwaar geen gebruik te maken van de omgevingsvergunning. Voor zover vergunninghoudster wel al begonnen is met het verrichten van bouwwerkzaamheden, zijn deze geen onderdeel van de verleende omgevingsvergunning. 3.1. Nu vergunninghoudster pas na het nemen van de beslissing op bezwaar gebruik zal maken van de verleende omgevingsvergunning, ontbreekt aan de zijde van verzoekster enig spoedeisend belang zoals bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Conclusie en gevolgen 4. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op: 14 april 2026 griffier De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 14 april 2026 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3507 text/xml public 2026-05-08T15:28:29 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-14 ROE 26/595 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3507 text/html public 2026-04-15T11:39:37 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3507 Rechtbank Limburg , 14-04-2026 / ROE 26/595 Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar. Vergunninghoudster heeft verklaard geen gebruik te maken van de vergunning totdat op het bezwaar is beslist. Daardoor ontbreekt het spoedeisend belang en is het verzoek kennelijk ongegrond. RECHTBANK LIMBURG Bestuursrecht zaaknummer: ROE 26/595 uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2026 in de zaak tussen Progres RE Invest II BV, uit Heeze, verzoekster (gemachtigde: ir. A.R.J. Graat MRICS), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen , het college (gemachtigde: K. Ubags). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Wil Communiceren Limburg uit Heerlen (vergunninghoudster). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen een door het college aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is omdat geen sprake is van spoedeisend belang. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Op 30 september 2025 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het gebruiken van een gebouw aan de [adres] te Heerlen voor het begeleiden van kinderen, jongeren en volwassenen met gedrags- en opvoedproblematiek. Dit gebruik is in strijd met het bestemmingsplan ‘Heerlen-Oost’, dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan ‘Heerlen’ dat op de locatie van toepassing is. Voor het afwijken van het omgevingsplan is een omgevingsvergunning vereist. 2.1. Op 2 februari 2026 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van de regels van het omgevingsplan. Omdat het omgevingsplan zelf niet in de mogelijkheid voorziet om het door vergunninghoudster beoogde gebruik te vergunnen, heeft het college de vergunning verleend via de zogeheten buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De omgevingsvergunning strekt niet tot het vergunnen van eventueel uit te voeren bouwwerkzaamheden. 2.2. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Op het bezwaar is nog niet beslist. De hoorzitting over het bezwaar vindt op 14 april 2026 plaats. Verzoekster vreest dat vergunninghoudster het gebouw in gebruik zal nemen voordat op haar bezwaar is beslist en heeft daarom de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende het schorsen van de verleende omgevingsvergunning tot zes weken nadat op haar bezwaarschrift is beslist. Verzoekster heeft belang bij het uitstellen van het gebruik van het gebouw, omdat zij zelf een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor bouwactiviteiten op een perceel in de omgeving van de vergunde locatie. Verzoekster stelt dat het vergunde gebruik van vergunninghoudster maatgevend zal zijn voor het verlenen van de door haar aangevraagde omgevingsvergunning. Spoedeisend belang 3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Volgens verzoekster is dit spoedeisend belang gelegen in de mogelijkheid dat vergunninghoudster het gebouw in gebruik zal nemen voordat op haar bezwaar is beslist. Op 17 maart 2026 heeft vergunninghoudster echter schriftelijk kenbaar gemaakt bereid te zijn in afwachting van de beslissing op bezwaar geen gebruik te maken van de omgevingsvergunning. Voor zover vergunninghoudster wel al begonnen is met het verrichten van bouwwerkzaamheden, zijn deze geen onderdeel van de verleende omgevingsvergunning. 3.1. Nu vergunninghoudster pas na het nemen van de beslissing op bezwaar gebruik zal maken van de verleende omgevingsvergunning, ontbreekt aan de zijde van verzoekster enig spoedeisend belang zoals bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Conclusie en gevolgen 4. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op: 14 april 2026 griffier De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 14 april 2026 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.