Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-04-15
ECLI:NL:RBLIM:2026:3212
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,753 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3212 text/xml public 2026-05-04T09:23:15 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-15 C/03/345002 / HA ZA 25-382 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2026-0192 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3212 text/html public 2026-04-23T14:51:42 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3212 Rechtbank Limburg , 15-04-2026 / C/03/345002 / HA ZA 25-382 Vonnis in incident. Aanrijding in het verkeer tussen twee voertuigen. Gedaagde vordert in het incident een verzekeraar in vrijwaring te mogen oproepen. De rechtbank wijst de vordering af omdat gedaagde niet toereikend toegelicht heeft dat de auto ten tijde van de aanrijding verzekerd was bij die verzekeraar. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/345002 / HA ZA 25-382 Vonnis in incident van 15 april 2026 in de zaak van [partij A] , te [plaats 1] , gemeente Sittard-Geleen, eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident, hierna te noemen: [partij A] , advocaat: mr. M.M.J.P. Penners, tegen [partij B] , te [plaats 2] , gemeente Sittard-Geleen, gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: [partij B] , advocaat: mr. R.W.J.L. Loonen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis in incident van 14 januari 2026, het B7-formulier van 19 januari 2026 waarbij [partij B] verzoekt om alsnog een datum voor het indienen van de conclusie van antwoord te bepalen, met goedkeuring van [partij A] , de e-mail van 19 januari 2026 waarbij [partij A] bevestigt akkoord te gaan met het verzoek van [partij B] , de verwijzing van de zaak naar de rol van 4 maart 2026 voor conclusie van antwoord, de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, tevens conclusie van antwoord in de hoofdzaak, de incidentele conclusie van antwoord. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2 Het geschil in de hoofdzaak 2.1. Voor de weergave van het geschil in de hoofdzaak verwijst de rechtbank naar randnummer 2.1. van het vonnis in incident van 14 januari 2026. in het incident 2.2. [partij B] vordert in het incident dat de rechtbank toestemming aan haar verleent om AXA Belgium (hierna: Axa) in vrijwaring op te roepen. Ter onderbouwing voert [partij B] aan zij niet de eigenaar was van de auto en dat de auto ten tijde van de aanrijding was verzekerd bij Axa. Mocht worden geoordeeld dat [partij B] aansprakelijk is voor de schade voortvloeiend uit de aanrijding, dan dient Axa deze te vergoeden. 2.3. [partij A] voert verweer. Zij stelt dat [partij B] geen stukken heeft getoond waaruit blijkt dat de auto, waarin zij reed ten tijde van het ongeval, daadwerkelijk verzekerd was bij Axa. Het polisblad en de verzekeringsvoorwaarden van Axa ontbreken, zodat de verzekeringsrelatie alsmede de hieraan verbonden voorwaarden niet kunnen worden vastgesteld. Dat Axa de gevolgen van de aanrijding dient te dragen, is dus niet onderbouwd. Bovendien stelt [partij A] dat zij, voordat zij [partij B] in privé heeft gedagvaard, geprobeerd heeft met Axa in contact te treden en [partij B] heeft verzocht de aansprakelijkheidstelling aan Axa door te sturen. Gelet op het ontbreken van enige reactie is [partij A] overgegaan tot dagvaarding van [partij B] . [partij A] is van mening dat [partij B] , voor zover zij al zou kunnen bewijzen dat de auto bij Axa zou zijn verzekerd, het recht om Axa in dit stadium nog op te roepen heeft verspeeld. 3 De beoordeling in het incident 3.1. Minimumvereiste voor oproeping in vrijwaring is dat gesteld en onderbouwd is dat tussen de gedaagde in de hoofdzaak (als gewaarborgde) en een derde (de waarborg) een rechtsverhouding bestaat die voor laatstgenoemde een verplichting tot vrijwaring meebrengt, in dit geval dus tussen [partij B] en Axa. 3.2. [partij B] heeft niet toereikend onderbouwd dat de auto ten tijde van het ongeval was verzekerd bij Axa, noch dat Axa gehouden zou zijn de eventueel door [partij B] veroorzaakte schade te vergoeden. De enkele verwijzing van [partij B] naar het schadeformulier is onvoldoende, omdat de rechtbank de juistheid van de ingevulde informatie wat betreft de verzekeraar bij gebrek aan stukken niet heeft kunnen controleren. De rechtbank zal de vordering in het incident dan ook afwijzen, omdat de daartoe aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. 3.3. [partij B] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het incident, die tot heden begroot worden op: salaris advocaat € 653,00 nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in dictum) totaal € 842,00 4 De beslissing De rechtbank in het incident 4.1. wijst het gevorderde af, 4.2. veroordeelt [partij B] in de kosten van het incident, aan de zijde van [partij A] tot op heden begroot op € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij B] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij B] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, 4.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, in de hoofdzaak 4.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 april 2026 voor opgave verhinderdata aan de zijde van alle partijen voor een mondelinge behandeling in de periode mei 2026 tot en met december 2026, 4.5. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:3212 text/xml public 2026-05-04T09:23:15 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-15 C/03/345002 / HA ZA 25-382 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2026-0192 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3212 text/html public 2026-04-23T14:51:42 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3212 Rechtbank Limburg , 15-04-2026 / C/03/345002 / HA ZA 25-382 Vonnis in incident. Aanrijding in het verkeer tussen twee voertuigen. Gedaagde vordert in het incident een verzekeraar in vrijwaring te mogen oproepen. De rechtbank wijst de vordering af omdat gedaagde niet toereikend toegelicht heeft dat de auto ten tijde van de aanrijding verzekerd was bij die verzekeraar. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/345002 / HA ZA 25-382 Vonnis in incident van 15 april 2026 in de zaak van [partij A] , te [plaats 1] , gemeente Sittard-Geleen, eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident, hierna te noemen: [partij A] , advocaat: mr. M.M.J.P. Penners, tegen [partij B] , te [plaats 2] , gemeente Sittard-Geleen, gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: [partij B] , advocaat: mr. R.W.J.L. Loonen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis in incident van 14 januari 2026, het B7-formulier van 19 januari 2026 waarbij [partij B] verzoekt om alsnog een datum voor het indienen van de conclusie van antwoord te bepalen, met goedkeuring van [partij A] , de e-mail van 19 januari 2026 waarbij [partij A] bevestigt akkoord te gaan met het verzoek van [partij B] , de verwijzing van de zaak naar de rol van 4 maart 2026 voor conclusie van antwoord, de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, tevens conclusie van antwoord in de hoofdzaak, de incidentele conclusie van antwoord. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2 Het geschil in de hoofdzaak 2.1. Voor de weergave van het geschil in de hoofdzaak verwijst de rechtbank naar randnummer 2.1. van het vonnis in incident van 14 januari 2026. in het incident 2.2. [partij B] vordert in het incident dat de rechtbank toestemming aan haar verleent om AXA Belgium (hierna: Axa) in vrijwaring op te roepen. Ter onderbouwing voert [partij B] aan zij niet de eigenaar was van de auto en dat de auto ten tijde van de aanrijding was verzekerd bij Axa. Mocht worden geoordeeld dat [partij B] aansprakelijk is voor de schade voortvloeiend uit de aanrijding, dan dient Axa deze te vergoeden. 2.3. [partij A] voert verweer. Zij stelt dat [partij B] geen stukken heeft getoond waaruit blijkt dat de auto, waarin zij reed ten tijde van het ongeval, daadwerkelijk verzekerd was bij Axa. Het polisblad en de verzekeringsvoorwaarden van Axa ontbreken, zodat de verzekeringsrelatie alsmede de hieraan verbonden voorwaarden niet kunnen worden vastgesteld. Dat Axa de gevolgen van de aanrijding dient te dragen, is dus niet onderbouwd. Bovendien stelt [partij A] dat zij, voordat zij [partij B] in privé heeft gedagvaard, geprobeerd heeft met Axa in contact te treden en [partij B] heeft verzocht de aansprakelijkheidstelling aan Axa door te sturen. Gelet op het ontbreken van enige reactie is [partij A] overgegaan tot dagvaarding van [partij B] . [partij A] is van mening dat [partij B] , voor zover zij al zou kunnen bewijzen dat de auto bij Axa zou zijn verzekerd, het recht om Axa in dit stadium nog op te roepen heeft verspeeld. 3 De beoordeling in het incident 3.1. Minimumvereiste voor oproeping in vrijwaring is dat gesteld en onderbouwd is dat tussen de gedaagde in de hoofdzaak (als gewaarborgde) en een derde (de waarborg) een rechtsverhouding bestaat die voor laatstgenoemde een verplichting tot vrijwaring meebrengt, in dit geval dus tussen [partij B] en Axa. 3.2. [partij B] heeft niet toereikend onderbouwd dat de auto ten tijde van het ongeval was verzekerd bij Axa, noch dat Axa gehouden zou zijn de eventueel door [partij B] veroorzaakte schade te vergoeden. De enkele verwijzing van [partij B] naar het schadeformulier is onvoldoende, omdat de rechtbank de juistheid van de ingevulde informatie wat betreft de verzekeraar bij gebrek aan stukken niet heeft kunnen controleren. De rechtbank zal de vordering in het incident dan ook afwijzen, omdat de daartoe aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. 3.3. [partij B] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het incident, die tot heden begroot worden op: salaris advocaat € 653,00 nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in dictum) totaal € 842,00 4 De beslissing De rechtbank in het incident 4.1. wijst het gevorderde af, 4.2. veroordeelt [partij B] in de kosten van het incident, aan de zijde van [partij A] tot op heden begroot op € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij B] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij B] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, 4.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, in de hoofdzaak 4.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 april 2026 voor opgave verhinderdata aan de zijde van alle partijen voor een mondelinge behandeling in de periode mei 2026 tot en met december 2026, 4.5. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken.