Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-03-20
ECLI:NL:RBLIM:2026:2674
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
4,047 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:2674 text/xml public 2026-03-25T10:33:51 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-20 ROE 26/486 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2674 text/html public 2026-03-25T10:32:41 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:2674 Rechtbank Limburg , 20-03-2026 / ROE 26/486 Het verzoek om voorlopige voorziening is voor verzoeker 1 niet-ontvankelijk omdat verzoeker 1 geen beroep aanhangig heeft tegen het bestreden besluit. Voor verzoeker 2 wordt het verzoek afgewezen omdat het bestreden besluit naar verwachting in beroep in stand blijft omdat verzoeker 2 terecht niet als belanghebbende is gezien door het college. RECHTBANK LIMBURG Bestuursrecht zaaknummer: ROE 26/486 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam] en [naam], beiden uit Montfort, verzoekers, en het college van gedeputeerde staten van Limburg, het college, (gemachtigde: mr. X.H.E. Rijnders) Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Deponie Zuid B.V. , gevestigd in Montfort, vergunninghouder. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van [naam] tegen een verleende omgevingsvergunning voor een verandering van een eerder verleende omgevingsvergunning voor de locatie [adres] in Montfort. [naam] is niet eens met dit besluit en heeft daarom daartegen beroep ingesteld. Verzoekers hebben ook verzocht om voorlopige voorziening. 2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek van [naam] niet-ontvankelijk is, omdat niet wordt voldaan aan het formele connexiteitsvereiste. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat [naam] geen belanghebbende bij de verleende omgevingsvergunning is en het college om die reden zijn bezwaar daartegen bij de beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. De voorzieningenrechter wijst zijn verzoek dus af. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 3. Met het besluit van 24 juli 2025 heeft het college de omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend. [naam] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 15 januari 2026 heeft het college het bezwaar van [naam] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen belanghebbende bij dat besluit is. [naam] heeft daartegen beroep ingesteld en samen met [naam] de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorziening te treffen. 4. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de voorzieningenrechter Het verzoek van [naam] 5. De voorzieningenrechter overweegt dat alleen als tegen een besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt, kan iemand een verzoek om een voorlopige voorziening doen. Dit wordt het formele connexiteitsvereiste genoemd. [naam] heeft geen beroep tegen het bestreden besluit van 15 januari 2026 ingesteld, waardoor niet aan het formele connexiteitsvereiste wordt voldaan. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Het verzoek van [naam] 6. De voorzieningenrechter acht een voldoende spoedeisend belang aanwezig. Vergunninghouder kan van de omgevingsvergunning gebruik maken en als zich de milieurisico’s zouden voordoen die [naam] stelt, dan levert dat een voldoende spoedeisend belang op. De voorzieningenrechter komt dan ook toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening. 7. [naam] heeft beroep ingesteld tegen het besluit waarin het college zijn bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij geen belanghebbende zou zijn bij de omgevingsvergunning. Het beroep van [naam] richt zich hiertegen, althans kan zich hier alleen tegen richten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college [naam] terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt en dat het beroep van [naam] tegen dat besluit geen redelijke kans van slagen heeft en waarschijnlijk ongegrond zal zijn. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 8. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. Als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is. Daarbij geldt dat die gevolgen wel van enige betekenis moeten zijn. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [naam] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verleende omgevingsvergunning gevolgen van enige betekenis voor zijn woon- of leefsituatie heeft. [naam] woont op ongeveer 978 meter afstand van de bedrijfslocatie aan de [adres] in Montfort. Het college heeft in de verleende omgevingsvergunning toegelicht wat de milieugevolgen van de vergunde milieubelastende activiteiten zijn. Geur, geluid en luchtkwaliteit zijn de enige milieugevolgen waarvan in potentie buiten de locatie van de milieubelastende activiteiten gevolgen kunnen worden ondervonden. [naam] heeft dat ook niet betwist. 9.1. Het college heeft over geur afkomstig van de bedrijfslocatie ter plaatse van de woning van [naam] kunnen stellen dat die niet waarneembaar is, gelet op de afstand van de woning van [naam] ten opzichte van de bedrijfslocatie. Ook dat heeft niet [naam] gemotiveerd betwist. 9.2. Over geluid heeft het college kunnen stellen dat het aannemelijk is dat de akoestische uitstraling van de bedrijfslocatie op de afstand waar [naam] woont niet waarneembaar is. Daarnaast heeft het college over de luchtkwaliteit kunnen stellen dat het aannemelijk is dat ter plaatse van de woning van [naam] de immissieconcentraties als gevolg van de bedrijfslocatie een verwaarloosbaar kleine bijdrage hebben aan de achtergrond concentratie. Het voorgaande heeft [naam] onvoldoende gemotiveerd betwist. 9.3. Ten slotte is het college nog ingegaan op de verspreiding van asbestvezels. Het college heeft in dat verband toegelicht dat aan de omgevingsvergunning voorschriften zijn verbonden op basis waarvan de (stort)werkzaamheden met asbesthoudende grond alleen plaats mogen vinden. Als vergunninghouder zich aan die voorschriften houdt, dan wordt daarmee geborgd dat stof, met mogelijke asbestvezels daarin, nooit buiten de locatie van de milieubelastende activiteiten kan komen en dus ook niet op het perceel van [naam]. Hij stelt in dat kader dat hij gezondheidseffecten door de omgevingsvergunning zal ervaren vanwege de verspreiding van asbest door de wind, maar onderbouwt dit standpunt niet met stukken. De voorzieningenrechter volgt dan ook het standpunt van het college. 10. Omdat [naam] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verleende omgevingsvergunning gevolgen van enige betekenis voor hem heeft, heeft het college het bezwaar van [naam] niet-ontvankelijk mogen verklaren.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:2674 text/xml public 2026-03-25T10:33:51 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-20 ROE 26/486 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2674 text/html public 2026-03-25T10:32:41 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:2674 Rechtbank Limburg , 20-03-2026 / ROE 26/486 Het verzoek om voorlopige voorziening is voor verzoeker 1 niet-ontvankelijk omdat verzoeker 1 geen beroep aanhangig heeft tegen het bestreden besluit. Voor verzoeker 2 wordt het verzoek afgewezen omdat het bestreden besluit naar verwachting in beroep in stand blijft omdat verzoeker 2 terecht niet als belanghebbende is gezien door het college. RECHTBANK LIMBURG Bestuursrecht zaaknummer: ROE 26/486 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam] en [naam], beiden uit Montfort, verzoekers, en het college van gedeputeerde staten van Limburg, het college, (gemachtigde: mr. X.H.E. Rijnders) Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Deponie Zuid B.V. , gevestigd in Montfort, vergunninghouder. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van [naam] tegen een verleende omgevingsvergunning voor een verandering van een eerder verleende omgevingsvergunning voor de locatie [adres] in Montfort. [naam] is niet eens met dit besluit en heeft daarom daartegen beroep ingesteld. Verzoekers hebben ook verzocht om voorlopige voorziening. 2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek van [naam] niet-ontvankelijk is, omdat niet wordt voldaan aan het formele connexiteitsvereiste. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat [naam] geen belanghebbende bij de verleende omgevingsvergunning is en het college om die reden zijn bezwaar daartegen bij de beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. De voorzieningenrechter wijst zijn verzoek dus af. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 3. Met het besluit van 24 juli 2025 heeft het college de omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend. [naam] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 15 januari 2026 heeft het college het bezwaar van [naam] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen belanghebbende bij dat besluit is. [naam] heeft daartegen beroep ingesteld en samen met [naam] de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorziening te treffen. 4. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de voorzieningenrechter Het verzoek van [naam] 5. De voorzieningenrechter overweegt dat alleen als tegen een besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt, kan iemand een verzoek om een voorlopige voorziening doen. Dit wordt het formele connexiteitsvereiste genoemd. [naam] heeft geen beroep tegen het bestreden besluit van 15 januari 2026 ingesteld, waardoor niet aan het formele connexiteitsvereiste wordt voldaan. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Het verzoek van [naam] 6. De voorzieningenrechter acht een voldoende spoedeisend belang aanwezig. Vergunninghouder kan van de omgevingsvergunning gebruik maken en als zich de milieurisico’s zouden voordoen die [naam] stelt, dan levert dat een voldoende spoedeisend belang op. De voorzieningenrechter komt dan ook toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening. 7. [naam] heeft beroep ingesteld tegen het besluit waarin het college zijn bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij geen belanghebbende zou zijn bij de omgevingsvergunning. Het beroep van [naam] richt zich hiertegen, althans kan zich hier alleen tegen richten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college [naam] terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt en dat het beroep van [naam] tegen dat besluit geen redelijke kans van slagen heeft en waarschijnlijk ongegrond zal zijn. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 8. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. Als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is. Daarbij geldt dat die gevolgen wel van enige betekenis moeten zijn. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [naam] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verleende omgevingsvergunning gevolgen van enige betekenis voor zijn woon- of leefsituatie heeft. [naam] woont op ongeveer 978 meter afstand van de bedrijfslocatie aan de [adres] in Montfort. Het college heeft in de verleende omgevingsvergunning toegelicht wat de milieugevolgen van de vergunde milieubelastende activiteiten zijn. Geur, geluid en luchtkwaliteit zijn de enige milieugevolgen waarvan in potentie buiten de locatie van de milieubelastende activiteiten gevolgen kunnen worden ondervonden. [naam] heeft dat ook niet betwist. 9.1. Het college heeft over geur afkomstig van de bedrijfslocatie ter plaatse van de woning van [naam] kunnen stellen dat die niet waarneembaar is, gelet op de afstand van de woning van [naam] ten opzichte van de bedrijfslocatie. Ook dat heeft niet [naam] gemotiveerd betwist. 9.2. Over geluid heeft het college kunnen stellen dat het aannemelijk is dat de akoestische uitstraling van de bedrijfslocatie op de afstand waar [naam] woont niet waarneembaar is. Daarnaast heeft het college over de luchtkwaliteit kunnen stellen dat het aannemelijk is dat ter plaatse van de woning van [naam] de immissieconcentraties als gevolg van de bedrijfslocatie een verwaarloosbaar kleine bijdrage hebben aan de achtergrond concentratie. Het voorgaande heeft [naam] onvoldoende gemotiveerd betwist. 9.3. Ten slotte is het college nog ingegaan op de verspreiding van asbestvezels. Het college heeft in dat verband toegelicht dat aan de omgevingsvergunning voorschriften zijn verbonden op basis waarvan de (stort)werkzaamheden met asbesthoudende grond alleen plaats mogen vinden. Als vergunninghouder zich aan die voorschriften houdt, dan wordt daarmee geborgd dat stof, met mogelijke asbestvezels daarin, nooit buiten de locatie van de milieubelastende activiteiten kan komen en dus ook niet op het perceel van [naam]. Hij stelt in dat kader dat hij gezondheidseffecten door de omgevingsvergunning zal ervaren vanwege de verspreiding van asbest door de wind, maar onderbouwt dit standpunt niet met stukken. De voorzieningenrechter volgt dan ook het standpunt van het college. 10. Omdat [naam] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verleende omgevingsvergunning gevolgen van enige betekenis voor hem heeft, heeft het college het bezwaar van [naam] niet-ontvankelijk mogen verklaren.