Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-03-25
ECLI:NL:RBLIM:2026:2531
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,150 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:2531 text/xml public 2026-04-02T10:52:57 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-25 321075 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2531 text/html public 2026-04-02T10:51:28 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:2531 Rechtbank Limburg , 25-03-2026 / 321075 Eiser na getuigenbewijs en deskundigenbericht niet geslaagd in het bewijs dat hij € 90.000,00 aan gedaagde heeft geleend. Het verweer van de vrouw dat de handtekening onder het contract niet van haar is, slaagt op grond van de conclusies van de deskundige dienaangaande. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/321075 / HA ZA 23-353 Vonnis van 25 maart 2026 in de zaak van [eisende partij] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , advocaat: mr. M.M.J.F. Sijben te Heerlen, tegen [gedaagde partij] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , advocaat: mr. R.P.H.W. Haas te Heerlen . 1 De verdere procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van de rechtbank van 16 juli 2025, de rapportage van de door de rechtbank benoemde deskundige van 1 december 2025 van Eurofins Forensic Services/TMFI ( [deskundige] ), hierna te noemen ‘de deskundige’, de conclusies na deskundigenbericht van beide partijen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Onder verwijzing naar het tussenvonnis van de rechtbank van 21 mei 2025 (zie rechtsoverweging 2.4.) is aan voornoemde deskundige kort gezegd de vraag voorgelegd of de handtekening onder het schriftelijk stuk van 25 maart 2022 (productie 4 bij dagvaarding) van [gedaagde partij] is. 2.2. De deskundige vermeldt in zijn deskundigenbericht dat hij, rekening houdend met de geest en bedoeling van de in het tussenvonnis van 16 juli 2025 geformuleerde vragen, deze vragen geherformuleerd heeft om een logisch samenhangende en uitgebreide analyse te kunnen geven : “a. Beoordeling van Auteurschap Na beoordeling van de betwiste handtekening op document Q (zijnde het schriftelijk stuk van 25 maart 2022 voornoemd, opmerking de rechtbank) met de referentiehandtekeningen van (…) [gedaagde partij] , in hoeverre ondersteunt het bewijs de hypothese dat het origineel van deze handtekening vrijwillig en op natuurlijke wijze door (…) [gedaagde partij] is geschreven (d.w.z. dat het een echte handtekening is)? b. Beoordeling van de plaatsingsmethode Is er bewijs dat de betwiste handtekening op Q digitaal of fysiek in het document is ingevoegd door middel van knippen en plakken, scannen of andere mechanische reproductiemethoden?” 2.3. De deskundige concludeert in zijn bericht dat zijn bevindingen “in zeer sterke mate” de hypothese ondersteunen dat de originele betwiste handtekening op het document van 25 maart 2022 “geen echte handtekening is die vrijwillig en op natuurlijke wijze door (…) [gedaagde partij] is geplaatst.” 2.4. Bovendien, zo concludeert de deskundige verder, ondersteunen zijn bevindingen “in zeer sterke mate” de hypothese dat het origineel van de betwiste handtekening op het document van 25 maart 2022 een “nabootsing is van de echte natuurlijke handtekeningstijl van (…) [gedaagde partij] ,” zulks met name op basis van de referentiehandtekening op de ‘Deed of Settlement’ van 27 januari 2022 (productie 2 bij dagvaarding), waarbij, aldus de deskundige, het nabootsingsmechanisme hoogstwaarschijnlijk een vorm van overtrekken is. 2.5. Op grond van de bevindingen van de deskundige, welke bevindingen de rechtbank tot de hare maakt, is [eisende partij] in het licht van het door [gedaagde partij] gevoerde verweer dat zij het document van 25 maart 2022 niet kent en betwist dit ooit te hebben ondertekend, er niet in geslaagd te bewijzen dat de hierop geplaatste handtekening van [gedaagde partij] is. Dat volgens [eisende partij] sprake zou zijn van onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in het deskundigenbericht, onderschrijft de rechtbank niet. 2.6. In het licht van al het voorgaande, waaronder hetgeen de rechtbank reeds eerder in haar tussenvonnissen heeft geoordeeld, is [eisende partij] niet geslaagd in het bewijs dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde partij] € 90.000,00 aan [eisende partij] zou betalen. De vorderingen van [eisende partij] zullen daarom worden afgewezen. [eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op: - griffierecht € 1.301,00 - kosten getuigen € 0,00 - kosten deskundigen € 0,00 - salaris advocaat € 5.160,00 (4 punten × € 1.290,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 6.880,55 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. wijst de vorderingen van [eisende partij] af, 3.2. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 6.880,55, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.3. veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 3.4. verklaart de veroordelingen onder 3.2 en 3.3 van dit uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Provaas en in het openbaar uitgesproken. Zie onder 7, pagina 20 van 30 van het deskundigenbericht. Bij het uitdrukken van de bewijswaarde van zijn bevindingen gebruikt de deskundige de volgende schaal van meningen: (1) uitermate sterk, (2) zeer sterk, (3) sterk, (4) gemiddeld sterk, (5) gemiddeld, (6) zwak, en (7) geen oordeel. De onderhavige bevindingen vallen in de op één na hoogste categorie van ‘zeer sterk’. De rechtbank houdt het ervoor dat [eisende partij] de taxe van € 300,00 van [getuige] reeds voldaan heeft, zodat deze voor zijn rekening blijven. [eisende partij] heeft het voorschot van de deskundige van € 5.390,55 voor zijn rekening genomen, zodat [gedaagde partij] hier geen kosten aan heeft gehad.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:2531 text/xml public 2026-04-02T10:52:57 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-25 321075 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2531 text/html public 2026-04-02T10:51:28 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:2531 Rechtbank Limburg , 25-03-2026 / 321075 Eiser na getuigenbewijs en deskundigenbericht niet geslaagd in het bewijs dat hij € 90.000,00 aan gedaagde heeft geleend. Het verweer van de vrouw dat de handtekening onder het contract niet van haar is, slaagt op grond van de conclusies van de deskundige dienaangaande. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/321075 / HA ZA 23-353 Vonnis van 25 maart 2026 in de zaak van [eisende partij] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , advocaat: mr. M.M.J.F. Sijben te Heerlen, tegen [gedaagde partij] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , advocaat: mr. R.P.H.W. Haas te Heerlen . 1 De verdere procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van de rechtbank van 16 juli 2025, de rapportage van de door de rechtbank benoemde deskundige van 1 december 2025 van Eurofins Forensic Services/TMFI ( [deskundige] ), hierna te noemen ‘de deskundige’, de conclusies na deskundigenbericht van beide partijen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Onder verwijzing naar het tussenvonnis van de rechtbank van 21 mei 2025 (zie rechtsoverweging 2.4.) is aan voornoemde deskundige kort gezegd de vraag voorgelegd of de handtekening onder het schriftelijk stuk van 25 maart 2022 (productie 4 bij dagvaarding) van [gedaagde partij] is. 2.2. De deskundige vermeldt in zijn deskundigenbericht dat hij, rekening houdend met de geest en bedoeling van de in het tussenvonnis van 16 juli 2025 geformuleerde vragen, deze vragen geherformuleerd heeft om een logisch samenhangende en uitgebreide analyse te kunnen geven : “a. Beoordeling van Auteurschap Na beoordeling van de betwiste handtekening op document Q (zijnde het schriftelijk stuk van 25 maart 2022 voornoemd, opmerking de rechtbank) met de referentiehandtekeningen van (…) [gedaagde partij] , in hoeverre ondersteunt het bewijs de hypothese dat het origineel van deze handtekening vrijwillig en op natuurlijke wijze door (…) [gedaagde partij] is geschreven (d.w.z. dat het een echte handtekening is)? b. Beoordeling van de plaatsingsmethode Is er bewijs dat de betwiste handtekening op Q digitaal of fysiek in het document is ingevoegd door middel van knippen en plakken, scannen of andere mechanische reproductiemethoden?” 2.3. De deskundige concludeert in zijn bericht dat zijn bevindingen “in zeer sterke mate” de hypothese ondersteunen dat de originele betwiste handtekening op het document van 25 maart 2022 “geen echte handtekening is die vrijwillig en op natuurlijke wijze door (…) [gedaagde partij] is geplaatst.” 2.4. Bovendien, zo concludeert de deskundige verder, ondersteunen zijn bevindingen “in zeer sterke mate” de hypothese dat het origineel van de betwiste handtekening op het document van 25 maart 2022 een “nabootsing is van de echte natuurlijke handtekeningstijl van (…) [gedaagde partij] ,” zulks met name op basis van de referentiehandtekening op de ‘Deed of Settlement’ van 27 januari 2022 (productie 2 bij dagvaarding), waarbij, aldus de deskundige, het nabootsingsmechanisme hoogstwaarschijnlijk een vorm van overtrekken is. 2.5. Op grond van de bevindingen van de deskundige, welke bevindingen de rechtbank tot de hare maakt, is [eisende partij] in het licht van het door [gedaagde partij] gevoerde verweer dat zij het document van 25 maart 2022 niet kent en betwist dit ooit te hebben ondertekend, er niet in geslaagd te bewijzen dat de hierop geplaatste handtekening van [gedaagde partij] is. Dat volgens [eisende partij] sprake zou zijn van onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in het deskundigenbericht, onderschrijft de rechtbank niet. 2.6. In het licht van al het voorgaande, waaronder hetgeen de rechtbank reeds eerder in haar tussenvonnissen heeft geoordeeld, is [eisende partij] niet geslaagd in het bewijs dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde partij] € 90.000,00 aan [eisende partij] zou betalen. De vorderingen van [eisende partij] zullen daarom worden afgewezen. [eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op: - griffierecht € 1.301,00 - kosten getuigen € 0,00 - kosten deskundigen € 0,00 - salaris advocaat € 5.160,00 (4 punten × € 1.290,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 6.880,55 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. wijst de vorderingen van [eisende partij] af, 3.2. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 6.880,55, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.3. veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 3.4. verklaart de veroordelingen onder 3.2 en 3.3 van dit uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Provaas en in het openbaar uitgesproken. Zie onder 7, pagina 20 van 30 van het deskundigenbericht. Bij het uitdrukken van de bewijswaarde van zijn bevindingen gebruikt de deskundige de volgende schaal van meningen: (1) uitermate sterk, (2) zeer sterk, (3) sterk, (4) gemiddeld sterk, (5) gemiddeld, (6) zwak, en (7) geen oordeel. De onderhavige bevindingen vallen in de op één na hoogste categorie van ‘zeer sterk’. De rechtbank houdt het ervoor dat [eisende partij] de taxe van € 300,00 van [getuige] reeds voldaan heeft, zodat deze voor zijn rekening blijven. [eisende partij] heeft het voorschot van de deskundige van € 5.390,55 voor zijn rekening genomen, zodat [gedaagde partij] hier geen kosten aan heeft gehad.