Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-03-18
ECLI:NL:RBLIM:2026:2125
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,362 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBLIM:2026:2125 text/xml public 2026-03-31T13:23:51 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-18 11997147 CV EXPL 25-5583 Uitspraak Bodemzaak NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0484 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0484 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2125 text/html public 2026-03-26T11:24:28 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:2125 Rechtbank Limburg , 18-03-2026 / 11997147 CV EXPL 25-5583 Volgens cao premies verschuldigd. gedaagde moet betalen. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11997147 \ CV EXPL 25-5583 Vonnis van 18 maart 2026 in de zaak van 1. STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR HET METAALBEWERKINGSBEDRIJF , te 's-Gravenhage, 2. STICHTING SOCIAAL FONDS METAAL EN TECHNISCHE BEDRIJFSTAKKEN , te 's-Gravenhage, 3. STICHTING REGELING VERVROEGD UITTREDEN METAAL EN TECHNIEK , te 's-Gravenhage, 4. N.V. SCHADEVERZEKERING METAAL EN TECHNISCHE BEDRIJFSTAKKEN , te 's-Gravenhage, eisende partijen, hierna samen te noemen: de stichtingen, gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] B.V. , te [plaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] is op basis van een aantal collectieve cao’s bijdragen verschuldigd. Comotec is de uitvoeringsorganisatie die de administratie verzorgt voor de stichtingen. 2.2. Bij factuur van 18 mei 2025 is een bedrag van € 421,07 in rekening gebracht. De factuur is te raadplegen in het online portaal van Comotec. Ondanks aanmaningen betaalt [gedaagde] niet. 2.3. Op 11 september 2025 is er telefonisch contact met [gedaagde] die aangeeft verhuisd te zijn. 3 Het geschil 3.1. De stichtingen vorderen - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 471,83 (€ 421,07 aan hoofdsom, € 42,11 aan buitengerechtelijke kosten en € 8,65 aan rente), vermeerderd met rente en kosten. 3.2. [gedaagde] voert verweer, waarbij hij aangeeft niet te hebben kunnen betalen omdat hij geen factuur heeft ontvangen. Indien hij voor de inschakeling van het incassobureau per e-mail een herinnering had ontvangen, had de betaling zonder incassokosten en rente kunnen plaatsvinden. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling De hoofdsom 4.1. [gedaagde] erkent de gevorderde hoofdsom verschuldigd te zijn, althans betwist deze niet. Ook de hoogte van het gevorderde bedrag staat niet ter discussie. De gevorderde hoofdsom zal daarom worden toegewezen. Rente en incassokosten 4.2. [gedaagde] verzoekt de gevorderde rente en incassokosten af te wijzen. De kantonrechter volgt dit verweer niet. Uit de stellingen van partijen volgt dat [gedaagde] pas in het telefoongesprek met de gemachtigde van de stichtingen heeft aangegeven dat hij niet meer woont op het bij de stichtingen bekende adres. Het is echter de verantwoordelijk van [gedaagde] om een adreswijziging op tijd door te geven. Dat hij de factuur en de aanmaningen niet heeft ontvangen komt voor rekening en risico van [gedaagde]. 4.3. De factuur kent een vervaldatum. Deze moest voor 17 juni 2025 betaald zijn. Omdat dit niet is gebeurd, is verzuim ingetreden en is [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van het gevorderde bedrag. Ook dit deel van de vordering wordt toegewezen. 4.4. Omdat betaling uitbleef, hebben de stichtingen terecht de vordering uit handen gegeven en hebben zij kosten gemaakt. De stichtingen vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De stichtingen hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De stichtingen hebben daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 42,11 worden toegewezen. De proceskosten 4.5. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de stichtingen worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 147,42 - griffierecht € 135,00 - salaris gemachtigde € 174,00 (2 punten × € 87,00) - nakosten € 43,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 499,92 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan de stichtingen te betalen een bedrag van € 429,72, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 421,07, met ingang van 2 december 2025, tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan de stichtingen te betalen een bedrag van € 42,11 aan buitengerechtelijke kosten, 5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 499,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.