Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-03-04
ECLI:NL:RBLIM:2026:2086
RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 23/220, 23/248 en 23/396 uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaken tussen [eiseres 1] , te [vestigingsplaats 1] , eiseres in zaaknummer 23/220 (gemachtigde: mr. G.H. Blom), Stichting Behoud Leefmilieu Limburg, te Heythuysen, [eiser 1] , te [woonplaats 1] [eiseres 2] , te [vestigingsplaats 2] [eiseres 3] , te [vestigingsplaats 3] [eiser 2] , te [woonplaats 2] [eiser 3] , te [woonplaats 3] [eiseres 4] , te [vestigingsplaats 4] [eiser 4] , te [woonplaats 4] [eiseres 5] , te [vestigingsplaats 5] [eiser 5] , te [woonplaats 5] [eiser 6] , te [woonplaats 6] [eiser 7] , te [woonplaats 7] [eiser 8] , te [woonplaats 8] , eisers in zaaknummer 23/248 (gemachtigde: mr. P.A. de Lange), [eiser 9] , te [woonplaats 9] [eiser 10] , te [woonplaats 10] [eiser 11] , te [woonplaats 11] [eiser 12] , te [woonplaats 12] eisers in zaaknummer 23/396 (gemachtigde: mr. P.R. Botman) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert , verweerder (gemachtigde: mr. E. Euverman). Als derde-partijen hebben aan de gedingen deelgenomen: Burgerwindpark Ospeldijk B.V. (gemachtigde: [gemachtigde] ) en WML Wind B.V. Procesverloop Bij besluit van 22 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek tot intrekking van de aan Burgerwindpark Ospeldijk B.V. (vergunninghouder van de twee windmolens van windpark Ospeldijk Oost) en aan WML Wind B.V. (vergunninghouder van de twee windmolens van windpark Ospeldijk West) verleende omgevingsvergunningen afgewezen. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroepen ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting in de gevoegde zaken heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. In de zaak 23/220 is [belanghebbende] verschenen namens de [eiseres 1] , bijgestaan door haar gemachtigde. In de zaak 23/248 zijn eisers [eiser 5] , [eiser 6] en [eiser 7] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, die ook de niet verschenen eisers heeft vertegenwoordigd. In de zaak 23/396 zijn eisers [eiser 9] , [eiser 10] , [eiser 11] , en [eiser 12] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en getuige-deskundige [naam getuige-deskundige] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor vergunninghouder Burgerwindpark Ospeldijk B.V. is zijn gemachtigde verschenen. Voor vergunninghouder WML Wind B.V. is [naam] verschenen. Overwegingen Achtergrond en besluitvorming 1. Op 16 juli 2018 zijn aan vergunninghouders twee omgevingsvergunningen verleend voor de vier windmolens van windpark Ospeldijk (Oost en West). Dit betreft omgevingsvergunningen voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a (bouwen), c (gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan) en i (omgevingsvergunning beperkte milieutoets) van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze vergunningen zijn verleend mede op grond van een mer-beoordelingsbesluit (inhoudende dat een MER-beoordeling niet nodig is) en een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad van Nederweert. Er zijn zienswijzen ingediend tegen de ontwerpvergunningen door anderen dan de in deze zaken betrokken eisers, maar ook door de bewoners van [adres] ( [eiseres 5] , [eiser 6] en [eiser 7] ; eisers in 23/248). Op 27 februari 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) uitspraak gedaan op een beroep tegen de verleende omgevingsvergunningen. Daarbij is het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het de omgevingsvergunning voor windpark Ospeldijk Oost betreft – omdat de eisers (in die zaak) vanwege de afstand tussen die (oostelijke) windmolens en hun woning niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt – en ongegrond voor zover het betreft de omgevingsvergunning voor windpark Ospeldijk West. De op 16 juli 2018 verleende omgevingsvergunningen zijn hiermee onherroepelijk geworden. 2. Op 11 november 201 Voor zover het verzoek tot intrekking is gebaseerd op de stelling dat er sprake was van schaarse vergunningen en strijd met de Dienstenrichtlijn, is verweerder van mening dat algemene planologische besluiten, zoals een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, geen besluiten zijn die schaarse rechten toedelen. Bovendien stelt verweerder dat de Stichting als indiener van het intrekkingsverzoek niet degene is die wilde meedingen naar het gestelde schaarse recht, zodat het de vraag is waarom de Stichting een beroep op schending van de relevante norm zou kunnen doen. Overigens is verweerder van mening dat deze grond al in een beroep tegen de oorspronkelijk verleende vergunningen aangevoerd had kunnen worden. Voor zover bij het verzoek is gevraagd om integrale beoordeling van het vergunde windpark Ospeldijk met omliggende windparken, heeft verweerder in het bestreden besluit gesteld dat er geen windturbines in de onmiddellijke nabijheid liggen. In het bestreden besluit is ook de beslissing opgenomen dat de gemeenteraad de eerder ten behoeve van de vergunningverlening afgegeven vvgb niet intrekt. Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om een besluit te nemen, in dit geval een beslissing op het verzoek tot intrekking van omgevingsvergunningen, is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om de op grond van de Wabo verleende omgevingsvergunningen in te trekken is gedaan op 17 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo (met aanverwante wetgeving), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Ontvankelijkheid 7. De afwijzing van het verzoek om de verleende omgevingsvergunningen voor de betrokken windmolens in te trekken, is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Aan belanghebbenden wordt in omgevingsrechtelijke zaken niet tegengeworpen dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit. Voor niet-belanghebbenden geldt dat ook zij beroep kunnen instellen tegen omgevingsrechtelijke besluiten, mits zij wel een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht of in het geval hen niet kan worden verweten dat zij dat hebben nagelaten. 8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser 4] en [eiser 8] (zaak 23/248) geen belanghebbenden zijn omdat hun woningen te ver van de locaties van de windmolens zijn gelegen. 9. De rechtbank stelt vast dat [eiser 4] en [eiser 8] geen zienswijze naar voren hebben gebracht naar aanleiding van het ontwerpbesluit tot afwijzing van het verzoek tot intrekking. Niet gebleken is dat hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Voor het antwoord op de vraag of het beroep van [eiser 4] en [eiser 8] ontvankelijk is, is dus beslissend of zij belanghebbenden zijn. De rechtbank stelt vast dat zij vanwege de grote afstand tussen hun woningen en de windmolens niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt op basis van hun woonlocatie. Op het, op 30 mei 2023 kenbaar gemaakte, standpunt van verweerder dat zij niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt is niet gereageerd anders dan met de ter zitting gemaakte opmerkingen dat [eiser 4] belanghebbende zou zijn op grond van een jachtterrein dat bij of in de buurt van de windmolens zou zijn gelegen en [eiser 8] omdat zij een manage zou hebben of beheren bij of in de buurt van de windmolens. Van beide stellingen is geen enkel (begin van) bewijs of anderszins een onderbouwing aangedragen, terwijl daarvoor voldoende mogelijkheden hebben bestaan en ter zitting kon een en ander ook niet worden geverifieerd. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat [eiser 4] en Deze gronden zijn uitgebreid gemotiveerd ook aan de Afdeling voorgelegd en in de uitspraak van 30 april 2025 heeft de Afdeling na bespreking van alle onderdelen daarvan geconcludeerd dat er geen grond is voor het oordeel dat het door de Afdeling uiteengezette beoordelingskader uit de Rietvelden-uitspraak en de Blauw-uitspraak niet kan worden gevolgd en dat de Afdeling in die zaak wat het beoordelingskader betreft anders moet oordelen. 15.2. In voornoemde uitspraken Rietvelden en Blauw heeft de Afdeling een beoordelingskader voor de heroverweging en intrekking van een onherroepelijke omgevingsvergunning in het licht van het Unierecht uiteengezet voor de beantwoording van de vragen of 1) aan de omgevingsvergunning een Unierechtelijk gebrek kleeft, omdat voor de windturbinebepalingen geen voorafgaande milieubeoordeling in de zin van de SMB-richtlijn is verricht en bij de omgevingsvergunningverlening van de werking van die windturbinebepalingen is uitgegaan, en 2) of het Unierecht meebrengt dat de inmiddels onherroepelijke omgevingsvergunning daarom moet worden heroverwogen of ingetrokken. 15.3. In die twee zaken ging het om een omgevingsvergunning waarbij op het moment van verlening door het bevoegd gezag voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid of van de gevolgen voor het milieu is uitgegaan van de rechtstreekse werking van de toenmalige windturbinebepalingen. Of anders gezegd, het ging daarbij om een omgevingsvergunning waarvoor de windturbinebepalingen kaderstellend waren als is bedoeld in de Delfzijl-tussenuitspraak . Over deze windturbinebepalingen is in die Delfzijl-tussenuitspraak geoordeeld dat daarvoor ten onrechte geen voorafgaande milieubeoordeling als bedoeld in de SMB-richtlijn is verricht. Het ging dus niet om een omgevingsvergunning die is gebaseerd op door het bevoegd gezag gekozen eigen normen in plaats van op de windturbinebepalingen en aan welke normen een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering ten grondslag is gelegd, zoals aan de orde was in de Afdelingsuitspraak van 12 april 2023 (de Delfzijl-einduitspraak). 15.4. Bij beantwoording van de vraag of de onverenigbaarheid met het Unierecht, in het bijzonder de SMB-richtlijn, moet leiden tot intrekking van de onherroepelijke omgevingsvergunningen heeft de Afdeling toepassing gegeven aan het arrest Kühne & Heitz, terwijl eisers zich op het standpunt stellen dat reeds voorafgaand aan die toets op grond van de uit artikel 4, derde lid, van het Verdrag voortvloeiende beginselen van doeltreffendheid en loyale samenwerking volgt dat er een ambtshalve en zelfstandige verplichting geldt om alle noodzakelijke maatregelen (intrekking of opschorting van de verleende vergunningen) te treffen om het verzuim van een milieubeoordeling te herstellen. Daarvoor is gesteld dat de tot nu toe gewezen jurisprudentie van het Hof en van de Afdeling alleen geldt als er correct is geïmplementeerd en dat is volgens eisers hier nu juist niet het geval. Daarom dienen volgens eisers met verwijzing naar de arresten Byankov en Nevele de verleende vergunningen te worden ingetrokken. In zoverre zijn eisers voorts van mening dat het niet gaat om een intrekking op grond van de Wabo, maar rechtstreeks op grond van het Unierecht. Voor zover de rechtbank hierin niet meegaat hebben eisers verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof over de (rechts)gevolgen van de strijdigheid van een al dan niet onherroepelijke omgevingsvergunning met het Unierecht. 15.5. Ter beoordeling is aan de rechtbank voorgelegd de weigering van verweerder om op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo wegens strijd met Unierecht de verleende vergunningen in te trekken. De rechtbank verwijst naar het oordeel van de Afdeling, zoals neergelegd in de uitspraken over de windparken de Rietvelden en Blauw, dat uit de arresten Nevele en Derrybrien van het Hof niet volgt dat een naar nationaal recht onherroepelijke omgevingsver Voor verweerder bestond gelet op het voorgaande geen verplichting om de onherroepelijke omgevingsvergunningen te heroverwegen, laat staan in te trekken. De hierop gerichte beroepsgronden slagen dan ook niet. Overige gronden voor het intrekkingsverzoek 19. Aan het verzoek tot intrekking van de verleende omgevingsvergunningen is verder ten grondslag gelegd schending van het Verdrag van Aarhus, schending van mededingingsregels voor schaarse vergunningen, het ten onrechte niet betrekken van alle omwonenden, het niet volgen van de juiste aanbestedingsprocedure en het ontbreken van een integrale milieubeoordeling. 19.1. De rechtbank is van oordeel dat voor zover is bedoeld dat beweerdelijke schending van bepalingen uit het Verdrag van Aarhus en van de Dienstenrichtlijn zodanig doorwerken dat die schending bij toepassing van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo moet leiden tot intrekking van de verleende omgevingsvergunningen, daarvoor geldt wat onder 25 is geoordeeld. Van strijd met bepalingen uit het Verdrag van Aarhus en uit de Dienstenrichtlijn is met betrekking tot het bestreden besluit niet gebleken. 19.2. Voor zover eisers die strijdigheid zien in de oorspronkelijk verleende vergunningen, kan dat in deze procedure niet aan de orde komen. Gronden over beweerdelijke procedurefouten en het ontbreken van een integrale milieubeoordeling hadden in de procedure tegen de in 2018 verleende omgevingsvergunningen kunnen en moeten worden aangevoerd. Deze argumenten kunnen daarom in de procedure tegen het bestreden besluit niet aan de orde komen. Van strijd met procedureregels is met betrekking tot het bestreden besluit niet gebleken. De rechtbank is verder van oordeel dat, indien en voor zover is bedoeld te stellen dat beweerdelijke gebreken in de procedure en het ontbreken van een integrale milieubeoordeling moeten leiden tot intrekking van de verleende vergunningen op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, daarvoor geen motivering is gegeven. De rechtbank ziet daarvoor geen grond. 20. Eisers in de zaak met zaaknummer 23/248 hebben nog aangevoerd dat zij sinds de windturbines in werking zijn erg veel overlast van met name hoog- en laagfrequent geluid ondervinden met gevolgen voor hun gezondheid. Daaraan is kort voor zitting nog toegevoegd dat eisers ook nadelige gevolgen ondervinden door de verspreiding van giftige stoffen zoals Bisfenol A en Sf6-gas. Eisers pleiten voor proactieve bescherming van de implicaties van de inwerking zijnde windturbines, ook al is er in wetenschappelijke zin nog geen doorslaggevend wetenschappelijk bewijs voorhanden. Eisers wijzen in zoverre op een grote hoeveelheid (ook wetenschappelijke) informatie waaruit wel volgt dat windturbines kunnen leiden tot gezondheidsschade bij mensen die gedurende een bepaalde periode in de directe nabijheid van windturbines verblijven. Gelet op het voorzorgsbeginsel is er volgens eisers aanleiding om de verleende omgevingsvergunningen in te trekken dan wel de werking op te schorten tot (meer) duidelijkheid over de gezondheidsrisico’s is verkregen. Eiseres in de zaak met zaaknummer 23/220 heeft daaraan toegevoegd dat onvoldoende rekening is gehouden met de implicaties van de in bedrijf zijnde windmolens ten aanzien van haar agrarische bedrijf. 20.1. De rechtbank is van oordeel dat uit het verzoek van de Stichting tot intrekking van de verleende omgevingsvergunningen niet zonder meer volgt dat daaraan ook schending van het voorzorgsbeginsel in samenhang met gezondheidsaspecten ten grondslag is gelegd, ook al scharen eisers dit aspect later alsnog onder hun (intrekkings- en beroeps)grond ‘strijd met het Unierecht’. Eisers hebben echter wel in hun zienswijzen gewezen op door hen ervaren gezondheidsklachten als gevolg van de windmolens op grond waarvan in hun visie de verleende omgevingsvergunningen ingetrokken dienen te worden. In het bestreden besluit is verweerder op dit aspect niet ingegaan. In het eerste verweerschrift heeft ver Voor zover eisers hebben aangevoerd dat hun klachten niet serieus worden genomen en/of dat er geen rekening is gehouden met een specifieke bedrijfssituatie, is de rechtbank van oordeel dat ook dit in deze procedure niet aan de orde kan komen omdat het initiële verzoek tot intrekking daar niet op zag en het in deze procedure niet gaat om de verlening van de omgevingsvergunningen. Weigering intrekking verklaring van geen bedenkingen 24. Voor zover voor de intrekking van een omgevingsvergunning ook een intrekking van de destijds ten behoeve van de omgevingsvergunningverlening verleende vvgb nodig is en voor zover de beslissing op het verzoek om intrekking daarvan een besluit is in de zin van de Awb (appellabel via de weigering van intrekking van de omgevingsvergunning), slaagt naar het oordeel van de rechtbank de daartegen aangevoerde grond niet. Door eisers in 23/396 is hierover aangevoerd dat er bij het nemen van het raadsbesluit ten aanzien van de intrekking van de vvgb sprake is geweest van vooringenomenheid bij één van de raadsleden en dat op die grond sprake is van strijd met artikel 2.4 van de Awb. Zij hebben betoogd dat het Groenlinks-raadslid sinds 2022 in de raad zit en sinds maart 2020 ook bestuurslid is van de coöperatie Zuidenwind, terwijl het raadslid ten onrechte geen gehoor heeft gegeven aan de oproep zich van stemming te onthouden. Zij leggen daarbij een besluitenlijst van 28 maart 2020 van Zuidenwind over waarop de besluiten staan dat de betreffende persoon is benoemd tot bestuurslid van de coöperatie en dat wordt ingestemd met de financiering van windpark Ospeldijk. 25. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat de in beroep genoemde persoon ten tijde van de besluitvorming over het ontwerp nog geen raadslid was (wel ten tijde van het nemen van het besluit), dat de raad met elf stemmen heeft ingestemd (waaronder de stem van het genoemde Groenlinks-raadslid) en dat alleen de CDA-fractie heeft verzocht om aanhouding. Er zijn geen amendementen ingediend. Ten tijde van het nemen van het besluit was de genoemde persoon geen bestuurslid meer van Zuidenwind en het raadslid heeft geen aandelen in het windpark. 26. Naar het oordeel van de rechtbank is door eisers in 23/396 onvoldoende onderbouwd dat er een concreet verband is tussen de in het verleden door het betreffende raadslid uitgeoefende activiteiten en de inhoud van de weigering tot intrekking van de vvgb. Het innemen en uitdragen van een politiek standpunt is niet zonder meer aanleiding om belangenverstrengeling aan te nemen op grond waarvan strijd met artikel 2.4 van de Awb moet worden aangenomen. Dat in 2020 is ingestemd met financiering van windpark Ospeldijk door Zuidenwind is een belang dat vergunninghouders en de coöperatie Zuidenwind aangaat. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat dat belang ten tijde van de besluitvorming ook zonder meer (persoonlijk) moet worden toegerekend aan het destijds van de coöperatie deel uitmakende bestuurslid dat later raadslid is geworden. Bovendien is niet is gebleken van (aanhoudende of doorwerkende) belangen van financiële of andere aard tussen het genoemde raadslid en Zuidenwind en\of de vergunninghouders. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Immateriële schadevergoeding (artikel 6 EVRM) 27. Eisers in de zaak 23/396 hebben een beroep gedaan op hun rechten die zijn opgenomen in artikel 6 van het EVRM. Uit dat artikel volgt onder meer dat zij recht hebben op een uitspraak op hun beroep binnen een redelijke termijn. Omdat de redelijke termijn is overschreden, verzoeken eisers in 23/396 om vergoeding van immateriële schade vanwege het (te) lang moeten wachten op duidelijkheid in de vorm van een uitspraak. 28. Als uitgangspunt geldt dat in beroepszaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale procedurelengte van vier jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het beroep bij de rechtbank twee jaar en de behandeling van het hoger beroep bij de Afdeling ook twee jaar duren. De rede De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, gelet op wat onder 17 en verder is geoordeeld. 34. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht per zaak vergoedt. 35. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht per zaak voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1). 36. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Daarom komen eisers in zaak 23/396 tevens in aanmerking voor een vergoeding van hun proceskosten voor het indienen van het daarop gerichte verzoek. Hiervoor kent de rechtbank eisers 1 punt voor verleende rechtsbijstand toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde van € 934,00 en een wegingsfactor 0,5. De vergoeding bedraagt dus € 467,00, te betalen door de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid), met dien verstande dat de betaling van genoemd bedrag aan één van de eisers in 23/396 betekent dat de minister van Justitie en Veiligheid aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep in de zaak 23/248, voor zover dit is ingediend door [eiser 4] en [eiser 8] , niet-ontvankelijk; verklaart de beroepen voor het overige gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan eisers in 23/396 een vergoeding te betalen voor immateriële schade van (totaal) € 1.500,00, met dien verstande dat de betaling van genoemd bedrag aan één van de eisers betekent dat de minister van Justitie en Veiligheid aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365,00 per zaak (voor 23/220 en voor 23/248) en € 184,00 (voor zaak 23/396) aan eisers te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,00 per zaak; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van eisers in 23/396 in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, tot een bedrag van € 467,00, met dien verstande dat de betaling van genoemd bedrag aan één van de eisers betekent dat de minister van Justitie en Veiligheid aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders (voorzitter), en mr. K.M.J.A. Smitsmans en mr. C. Drent, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 4 maart 2026 griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: 4 maart 2026 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. ECLI:NL:RVS:2019:628 Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786. Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021 ECLI:NL:RVS:2021:953. Uitspraak van de Afdeling van 18 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3745, onder 16.2 en 16.3 Uitspraak van de Afdeling van 18 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3744, onder 17.2 en 17.3 ECLI:NL:RVS:2025:1862. Uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1395, onder 3