Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-03-05
ECLI:NL:RBLIM:2026:2031
Civiel recht; Arbeidsrecht
Kort geding
6,051 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:2031 text/xml public 2026-03-12T15:04:37 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-05 12056842 \ CV EXPL 26-246 Uitspraak Kort geding NL Maastricht Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2031 text/html public 2026-03-12T14:06:19 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:2031 Rechtbank Limburg , 05-03-2026 / 12056842 \ CV EXPL 26-246 Kort geding. Belangenafweging. Schorsing concurrentiebeding. Geen schorsing relatiebeding. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 12056842 \ CV EXPL 26-246 Vonnis in kort geding van 5 maart 2026 in de zaak van [eisende partij] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: mr. S.G.J. Habets, tegen [gedaagde partij] B.V. , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , gemachtigde: mr. N.M.R. Severens. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de concept dagvaarding met producties 1 tot en met 12, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5, - de vrijwillige verschijning van [gedaagde partij] , - de mondelinge behandeling van 12 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt, - de spreekaantekeningen van de zijde van [eisende partij] . 2 De feiten 2.1. [eisende partij] , geboren op [geboortedag] 1984, is op 11 juli 2022 bij [gedaagde partij] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, in de functie van senior developer. Zijn loon bedroeg laatstelijk € 3.935,49 bruto per maand, exclusief overige emolumenten. 2.2. In de arbeidsovereenkomst is - voor zover van belang - het volgende opgenomen: “De Medewerker verklaart akkoord te zijn met het concurrentiebeding en relatiebeding zoals beschreven in het aangehechte “Arbeidsvoorwaardenreglement [gedaagde partij] versie 2020-01”. (…) In aanvulling op de bovengenoemde bepalingen is op deze arbeidsovereenkomst het aangehechte “Arbeidsvoorwaardenreglement [gedaagde partij] versie 2020-01” van toepassing.” 2.3. In artikel 2.4 van het “Arbeidsvoorwaardenreglement [gedaagde partij] versie 2020-01” is het volgende concurrentie-, relatie- en boetebeding opgenomen: “Het is werknemer verboden binnen een tijdvak van één jaar na beëindiging van het arbeidscontract binnen een straal van 100 km van de vestigingsplaats [plaats 2] , in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van werkgever te vestigen, te drijven of te doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, alsook financieel in welke vorm ook bij een dergelijke zaak belang te hebben, direct of indirect, of daarin of daarvoor (al dan niet in dienstverband) op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin aandeel van welke aard dan ook te hebben, tenzij hiervoor door werkgever uitdrukkelijk (schriftelijk) toestemming is verleend. Daarnaast is het de werknemer, zonder voorafgaande toestemming van de werkgever, verboden om binnen een tijdvak van één jaar nadat het dienstverband om welke reden dan ook is geëindigd, op enigerlei wijze, hetzij direct, hetzij indirect, de ondernemingen of relaties die ten tijde van de beëindiging tot de directe relaties en afnemers van werkgever of diens rechtsopvolger en/of daaraan gelieerde ondernemingen konden worden gerekend en waarbij werknemer in het kader van dit arbeidscontract gedurende het laatste jaar voor het beëindigen van dit arbeidscontract werkzaam is geweest, te benaderen, jegens hen reclame te maken dan wel onder hen te werven, met de kennelijke bedoeling met hen direct of indirect in de uitoefening van beroep op bedrijf een overeenkomst aan te gaan. Het is de werknemer bovendien verboden zonder voorafgaande toestemming van de werkgever om binnen een tijdvak van één jaar nadat deze overeenkomst om welke reden dan ook is beëindigd, hetzij direct, hetzij indirect, al dan niet voor eigen rekening, dan wel in dienst van een ander, opdrachten te aanvaarden van c.q. werkzaamheden te verrichten voor ondernemingen en relaties die ten tijde van de beëindiging tot de directe relaties en afnemers van werkgever of diens rechtsopvolger en/of daaraan gelieerde ondernemingen konden worden gerekend en waarbij werknemer in het kader van dit arbeidscontract gedurende het laatste jaar voor het beëindigen van dit arbeidscontract werkzaam is geweest, ongeacht op wiens initiatief het contact tot stand komt. De in de vorige drie paragrafen vermelde verboden gelden niet indien werknemer daartoe voorafgaand schriftelijk toestemming heeft gekregen van werkgever. De werkgever kan voorwaarden verbinden aan deze toestemming. Deze toestemming zal slechts worden verleend, indien voldoende zekerheid kan worden verkregen, dat de belangen van werkgever niet zullen worden geschaad door bovenbedoelde werkzaamheden. Voor iedere overtreding van het hierboven bepaalde en voor iedere dag dat de werknemer in overtreding is, verbeurt werknemer een eenmalige boete van € 10.000,-- een boete van € 1.000,-- per dag, te betalen aan werkgever, onverminderd het recht van werkgever op volledige vergoeding van de geleden schade.” 2.4. [eisende partij] heeft op 19 november 2025 kenbaar gemaakt voornemens te zijn bij [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) in dienst te treden. Diezelfde dag heeft [gedaagde partij] [eisende partij] laten weten hem in dat geval aan zijn concurrentie- en relatiebeding te zullen houden. 2.5. Op 28 november 2025 heeft [eisende partij] de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 januari 2026. In zijn opzegging schrijft [eisende partij] onder andere: “Ik heb een andere baan gevonden die mij nieuwe mogelijkheden biedt om mezelf nog verder te ontwikkelen.” 2.6. Bij brief van 1 december 2025 heeft [gedaagde partij] [eisende partij] medegedeeld dat het relatiebeding, het concurrentiebeding en de geheimhoudingsverklaring onverminderd van kracht blijven. Bij deze brief heeft [gedaagde partij] een lijst gevoegd van relaties die onder het relatiebeding vallen en van concurrenten die onder het concurrentiebeding vallen. Op deze lijst staat [bedrijf] als concurrent opgenomen. 3 Het geschil 3.1. [eisende partij] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: Primair: het met onmiddellijke ingang buiten werking stellen, dan wel schorsen van het concurrentiebeding tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] totdat bij onherroepelijke uitspraak in een bodemprocedure over de rechtsgeldigheid is beslist; [gedaagde partij] te verbieden om voor de duur van de schorsing van het concurrentiebeding aanspraak te maken op de boeteclausule; het met onmiddellijke ingang buiten werking stellen, dan wel schorsen van het relatiebeding tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] totdat bij onherroepelijke uitspraak in een bodemprocedure over de rechtsgeldigheid is beslist; [gedaagde partij] te verbieden om voor de duur van de schorsing van het relatiebeding aanspraak te maken op de boeteclausule; Subsidiair: te bepalen dat [gedaagde partij] voor de duur van de beperking een billijke vergoeding van € 1.000,00 bruto per maand dient te betalen; Primair en subsidiair: [gedaagde partij] te veroordelen in de proceskosten. 3.2. [eisende partij] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eisende partij] stelt dat het concurrentie- en relatiebeding niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, omdat [gedaagde partij] [eisende partij] noch in de periode voorafgaand aan de ondertekening van de arbeidsovereenkomst noch tijdens de ondertekening uitdrukkelijk heeft gewezen op de gebondenheid aan een concurrentie- en relatiebeding. Daardoor heeft [eisende partij] geen kennis kunnen nemen van de bedingen en is er niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste. Wanneer de bedingen wel rechtsgeldig zijn overeengekomen, is [eisende partij] van mening dat hij onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde partij] . 3.3.
Volledig
[gedaagde partij] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis. 3.4. [gedaagde partij] betwist dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat er voldoende vacatures in de regio beschikbaar zijn, waardoor het voor [eisende partij] mogelijk is om inkomsten te verwerven. Daarvoor is hij niet afhankelijk van een indiensttreding bij [bedrijf] . Verder voert [gedaagde partij] aan dat wel voldaan is aan het schriftelijkheidsvereiste omdat in de arbeidsovereenkomst staat vermeld dat [eisende partij] akkoord gaat met het concurrentie- en relatiebeding zoals dat is opgenomen in het arbeidsvoorwaardenreglement (hierna: AVR). Dit AVR is voorafgaand aan de ondertekening van de arbeidsovereenkomst naar [eisende partij] gestuurd, zodat hij daar kennis van heeft kunnen nemen. Bovendien is de arbeidsovereenkomst helemaal met [eisende partij] doorgenomen voordat partijen deze hebben ondertekend. 3.5. Daarnaast is [gedaagde partij] van mening dat [bedrijf] als een concurrent dient te worden beschouwd, omdat zij dezelfde werkzaamheden uitvoert als [gedaagde partij] . Gedurende het dienstverband heeft [eisende partij] bovendien kennis opgedaan van essentiële informatie over de dienstverlening en werkprocessen binnen [gedaagde partij] en beschikt [eisende partij] over concurrentiegevoelige commerciële informatie. Deze informatie kan [bedrijf] in haar voordeel gebruiken, waardoor [gedaagde partij] in haar bedrijfsdebiet zal worden geschaad wanneer het concurrentie- en relatiebeding niet gehandhaafd mogen worden. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling Toetsingskader kort geding 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eisende partij] een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering, in die zin dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarnaast geldt dat de kantonrechter bij de beoordeling van de vorderingen van [eisende partij] tot uitgangspunt neemt dat die vorderingen alleen toewijsbaar zijn in het geval hij aannemelijk maakt dat deze in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat, vooruitlopend daarop, toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat, gelet op het voorlopige karakter van een procedure in kort geding, geen plaats is voor nadere bewijslevering. De kantonrechter dient haar beslissing te nemen op grond van de inhoud van de stukken zoals deze in het geding zijn gebracht en wat tijdens de mondelinge behandeling door en namens partijen is verklaard. Spoedeisend belang 4.2. [gedaagde partij] betwist de aanwezigheid van een spoedeisend belang bij de vorderingen van [eisende partij] . Zij heeft daartoe aangevoerd dat er voldoende andere mogelijkheden voor [eisende partij] zijn om inkomen te verwerven. Ter onderbouwing heeft [gedaagde partij] een aantal vacatures overgelegd van functies waar [eisende partij] direct aan de slag zou kunnen. 4.3. De kantonrechter volgt [gedaagde partij] niet in haar verweer. [eisende partij] wil graag bij [bedrijf] in dienst treden, maar het concurrentiebeding maakt dit nu onmogelijk voor hem. Daardoor wordt [eisende partij] beperkt in zijn vrije arbeidskeuze. [eisende partij] heeft dan ook een spoedeisend belang om op korte termijn te weten of hij bij [bedrijf] in dienst zou kunnen treden. Er is sprake van een rechtsgeldig overeengekomen concurrentie- en relatiebeding 4.4. Een concurrentie- en relatiebeding zijn alleen geldig als de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan en de bedingen schriftelijk zijn overeengekomen met een meerderjarige werknemer . [eisende partij] betwist dat voldaan is aan het schriftelijkheidsvereiste. Hij stelt dat hij zich bij de ondertekening van de arbeidsovereenkomst niet bewust was dat er sprake zou zijn van een concurrentie- en relatiebeding. In de daaraan voorafgaande onderhandelingen is dit namelijk niet aan bod gekomen. 4.5. Een concurrentie- en/of relatiebeding is niet alleen maar geldig als een dergelijk beding uitgeschreven staat in de arbeidsovereenkomst. Aan het schriftelijkheidsvereiste is namelijk ook voldaan als in een arbeidsovereenkomst of in een brief wordt verwezen naar een bijgevoegde arbeidsvoorwaardenregeling waarin een concurrentiebeding voorkomt en de werknemer verklaart zich door ondertekening van die arbeidsovereenkomst of door ondertekening van de brief akkoord met die arbeidsvoorwaarde . Ook is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste indien het concurrentiebeding is opgenomen in arbeidsvoorwaarden die in een ander document staan dan het document dat de werknemer heeft ondertekend. In dat geval moet wel voldaan zijn aan één van de volgende voorwaarden : de arbeidsvoorwaarden waren als bijlage bij het ondertekende document gevoegd en in dat document is naar die arbeidsvoorwaarden verwezen; of de werknemer heeft in het ondertekende document uitdrukkelijk verklaard dat hij instemt met het concurrentiebeding. 4.6. De kantonrechter is van oordeel dat voldaan is aan het schriftelijkheidsvereiste en overweegt daartoe als volgt. Onbetwist is dat [eisende partij] tijdens de sollicitatieprocedure het AVR heeft ontvangen. Het concurrentie- en relatiebeding staan in dit AVR . Ook is er in de inhoudsopgave van het AVR een paragraaf opgenomen genaamd ‘Concurrentiebeding en relatiebeding’. Verder staat in de arbeidsovereenkomst opgenomen dat [eisende partij] akkoord gaat met het concurrentie- en relatiebeding zoals opgenomen in de AVR en dat het AVR aan de arbeidsovereenkomst is aangehecht . Daarmee heeft [eisende partij] kennis kunnen nemen van de inhoud van het AVR en het daarin opgenomen concurrentie- en relatiebeding. Dat [eisende partij] het AVR heeft bekeken, blijkt uit de vragen die hij tijdens de sollicitatieprocedure heeft gesteld over de mobiliteitsvergoeding en het pensioen . Met de ondertekening van de arbeidsovereenkomst is [eisende partij] expliciet akkoord gegaan met het concurrentie- en relatiebeding en is het AVR, waarin het concurrentie- en relatiebeding zijn opgenomen, als bijlage aan [eisende partij] verstrekt. Daarmee is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste. Dat [eisende partij] het concurrentie- en relatiebeding in het AVR wellicht niet zorgvuldig heeft gelezen, maakt daarbij geen verschil. Hem is namelijk wel de mogelijkheid geboden om hiervan kennis te nemen. 4.7. Gelet op het voorgaande is de conclusie dat er sprake is van een rechtsgeldig overeengekomen concurrentie- en relatiebeding. Concurrentie- en relatiebeding: juridisch kader 4.8. Door een concurrentie- en/of relatiebeding wordt een werknemer die bij een bedrijf uit dienst treedt, beperkt in zijn recht op vrije arbeidskeuze. Een dergelijk beding kan een werknemer ervan weerhouden om bij een werkgever van zijn keuze in dienst te treden. Wanneer een werknemer onbillijk wordt benadeeld, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, kan de rechter een concurrentie- en/of relatiebeding geheel of gedeeltelijk vernietiging . Vooruitlopend op een bodemprocedure kan de werknemer in kort geding schorsing van een dergelijk beding vorderen. De belangen van de werknemer moeten dan worden afgewogen tegen de belangen van de werkgever. [bedrijf] als concurrent 4.9. Partijen verschillen van mening of [bedrijf] als een concurrent van [gedaagde partij] moet worden beschouwd. Niet in geschil is dat zowel [gedaagde partij] als [bedrijf] ondernemingen zijn die klanten ondersteuning aanbieden op het gebied van IT. Als zodanig behoren beide bedrijven tot dezelfde branche. Volgens [eisende partij] is [bedrijf] geen directe concurrent van [gedaagde partij] omdat het takenpakket van [gedaagde partij] groter en uitgebreider is dan dat van [bedrijf] .
Volledig
Ook is het aantal werknemers van [gedaagde partij] met 120 tot 150 personen vele maken groter dan de drie werknemers van [bedrijf] . 4.10. Binnen dit kort geding is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde partij] en [bedrijf] zijn aan te merken als concurrenten van elkaar. Zij opereren beiden in de IT-branche en specifiek in de dienstverlening van Microsoft 365 (hierna: M365). Dat [gedaagde partij] haar klanten van nog meer diensten kan voorzien en hen een totaalpakket op het gebied van IT kan aanbieden, maakt daarbij geen verschil. Ter zitting is verklaard dat zowel [gedaagde partij] als [bedrijf] werkzaamheden op het gebied van M365 verrichten voor (deels) dezelfde klanten. Er is dan ook sprake van een zekere overlap op het gebied van M365. Dit maakt dat [bedrijf] als een concurrent van [gedaagde partij] moet worden beschouwd en het concurrentiebeding eraan in de weg staat om bij [bedrijf] in dienst te treden. Belangenafweging 4.11. Uit vaste rechtspraak volgt dat een concurrentiebeding is bedoeld om het bedrijfsdebiet van de werkgever - de opgebouwde knowhow en goodwill - te beschermen. Het gaat daarbij om het beschermen van bedrijfsgeheimen en andere concurrentiegevoelige informatie en/of het voorkomen dat een ex-werknemer bepaalde, al dan niet door hem onderhouden, relaties, met gebruikmaking van de door hem via zijn ex-werkgever bij die relaties verworven bekendheid, meeneemt naar zijn nieuwe werkgever, met wie de ex-werkgever in een concurrentieverhouding staat. Het beding is niet bedoeld om werknemers aan de werkgever te binden. Het enkele feit dat een werknemer in de uitoefening van zijn functie kennis en ervaring heeft opgedaan, betekent nog niet dat de werkgever bij het vertrek van die werknemer, ook niet bij vertrek naar een concurrent, in zijn bedrijfsdebiet wordt aangetast. Dat een werknemer bij zijn vertrek kennis en ervaring die hij bij zijn werkgever heeft opgedaan ‘meeneemt’ is immers inherent aan zijn vertrek. Het concurrentiebeding biedt geen bescherming tegen het vertrek van een ervaren werknemer naar een andere werkgever, maar alleen tegen de aantasting van het bedrijfsdebiet door zo’n overstap. Van zo’n aantasting zal bijvoorbeeld sprake zijn wanneer de werknemer door zijn functie op de hoogte is van essentiële relevante commerciële en technische informatie of van unieke werkprocessen en strategieën en hij deze kennis ten behoeve van zijn nieuwe werkgever kan gebruiken, waardoor die een concurrentievoordeel heeft ten opzichte van de oude werkgever. Bij de voormalige werkgever opgedane algemene kennis kan niet als een dergelijke specifieke kennis worden aangemerkt. Ook kan bijvoorbeeld sprake zijn van een aantasting van het bedrijfsdebiet doordat de werknemer zo intensief samenwerkt met bepaalde klanten van de voormalige werkgever dat deze klanten overstappen naar de nieuwe werkgever. Verder kan van belang zijn of een werknemer ook aan andere bedingen, zoals een relatiebeding of een geheimhoudingsbeding, gebonden is. Het concurrentiebeding wordt geschorst 4.12. De kantonrechter oordeelt dat een belangenafweging ertoe leidt dat het concurrentiebeding wordt geschorst. Hierdoor wordt het [eisende partij] toegestaan om bij [bedrijf] in dienst te treden. Daartoe wordt het volgende overwogen. 4.13. [eisende partij] heeft ter zitting zijn belang nader toegelicht. Hij heeft aangegeven dat hij er bij [bedrijf] financieel 37% op vooruit gaat. Verder is voor [eisende partij] van belang dat hij een goede klik heeft met de eigenaren van [bedrijf] en dat hij door de kleine omvang van het bedrijf grote doorgroeimogelijkheden heeft. Tot slot heeft [eisende partij] aangevoerd dat hij bij [gedaagde partij] weg is gegaan omdat van zijn werkzaamheden de beheertaken de overhand kregen en hij deze taken bij [bedrijf] vrijwel niet meer heeft, zodat hij zich volledig kan richten op het uitvoeren van projecten, waaruit hij meer professionele voldoening haalt. 4.14. Tegenover het belang van [eisende partij] staat het belang van [gedaagde partij] om haar bedrijfsdebiet te beschermen. Volgens [gedaagde partij] is [eisende partij] bekend met commerciële informatie, informatie over de werkprocessen, klantgegevens en contractafspraken met klanten. Verder was [eisende partij] kennishouder en kartrekker van M365 en zodoende contactpersoon voor klanten over M365. Tot slot was hij op de hoogte van de strategieën van [gedaagde partij] . Deze informatie en kennis is voor [bedrijf] van grote waarde, waardoor [gedaagde partij] in haar belangen wordt geschaad als [eisende partij] bij [bedrijf] in dienst kan treden. 4.15. Na de betwisting van [eisende partij] dat hij over specifieke commerciële informatie en contractafspraken met klanten beschikt, specifieke kennis van M365 heeft en aanspreekpunt voor klanten hiervoor was, heeft [gedaagde partij] onvoldoende onderbouwd dat hier wel sprake van was. Daarmee is niet vast komen te staan dat [eisende partij] over concurrentiegevoelige en bedrijfsspecifieke informatie beschikt waarmee [bedrijf] haar voordeel zou kunnen doen in de concurrentiestrijd met [gedaagde partij] . Zoals reeds overwogen in r.o. 4.11. valt het meenemen van opgedane kennis en ervaring niet onder de aantasting van het bedrijfsdebiet. Bovendien was [eisende partij] met 3,5 jaar relatief kort bij [gedaagde partij] in dienst geweest. 4.16. Het voorgaande betekent dat het belang van [eisende partij] bij schorsing van het concurrentiebeding groter is dan het belang van [gedaagde partij] bij ongewijzigde handhaving van het concurrentiebeding. Voldoende waarschijnlijk is dan ook dat de bodemrechter zal oordelen dat [eisende partij] onbillijk wordt benadeeld door ongewijzigde handhaving van het concurrentiebeding en dit beding zal vernietigen. De kantonrechter schorst daarom de werking van het concurrentiebeding. Het relatiebeding wordt niet geschorst 4.17. De kantonrechter oordeelt dat een belangenafweging ertoe leidt dat het relatiebeding niet wordt geschorst. Daartoe wordt het volgende overwogen. 4.18. Voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde partij] een zwaarwegend belang heeft bij handhaving van het relatiebieding, nu [gedaagde partij] en [bedrijf] dezelfde klanten bedienen. Het is dan van belang dat [eisende partij] de klanten van [gedaagde partij] niet zal benaderen om hen te bewegen de dienstverlening door [bedrijf] te laten verzorgen. Wie onder de relaties vallen is door [gedaagde partij] gespecificeerd met de lijst behorende bij de brief van 1 december 2025 . Bovendien heeft [eisende partij] zich tijdens de zitting niet meer verzet tegen handhaving van het relatiebeding indien dit betekent dat hij bij [bedrijf] in dienst kan treden. Gelet hierop weegt het belang van [gedaagde partij] tot handhaving van het relatiebeding zwaarder dan het belang van [eisende partij] om dit beding te schorsen. De vordering tot schorsing van het relatiebeding zal worden afgewezen. 4.19. De daarmee verband houdende nevenvordering tot een verbod voor [gedaagde partij] om aanspraak te maken op de boeteclausule bij een eventuele schending van het relatiebeding wordt afgewezen. De lijst van relaties is duidelijk en [eisende partij] heeft diverse malen verklaard het relatiebeding gestand te zullen doen, zodat hij niet geraakt zal worden door de boeteclausule. Subsidiaire vordering van een vergoeding van € 1.000,00 per maand wordt afgewezen 4.20. De kantonrechter oordeelt dat de vordering tot het toekennen van een billijke vergoeding van € 1.000,00 bruto per maand zolang de beperking duurt, zal worden afgewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen. 4.21. [eisende partij] wordt enkel nog beperkt door het relatiebeding. De subsidiaire vordering ziet dan alleen nog op de beperking van [eisende partij] om de relaties op de lijst niet te benaderen. Niet alleen heeft [eisende partij] verklaard dat het relatiebeding geen probleem vormt om bij [bedrijf] in dienst te treden, hij zal met indiensttreding bij [bedrijf] er ook financieel op vooruit gaan. [eisende partij] heeft onvoldoende onderbouwd wat zijn belang dan is bij toekenning van deze vordering. Daarom zal de vordering worden afgewezen. Proceskosten 4.22.