Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-03-02
ECLI:NL:RBLIM:2026:2022
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Beschikking
1,999 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBLIM:2026:2022 text/xml public 2026-03-06T12:30:44 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-02 12064052 \ OV VERZ 26-6 Uitspraak Beschikking NL Maastricht Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2022 text/html public 2026-03-06T08:48:30 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:2022 Rechtbank Limburg , 02-03-2026 / 12064052 \ OV VERZ 26-6 Kantonrechter wijst een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toe. Er zijn sterke aanwijzingen dat een van de te horen getuigen dementerend is. Het is aan de rechter-commissaris, die de getuigen zal horen, om te beoordelen of het zinvol is om het getuigenverhoor van die getuige te voltooien gelet op de geestelijke toestand de getuige. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer / rekestnummer: 12064052 \ OV VERZ 26-6 Beschikking van 2 maart 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats 1] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. A.J.J. Kreutzkamp. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [bewindvoerder] B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [rechthebbende] , te [plaats 2] , verwerende partij, hierna te noemen: [bewindvoerder] , gemachtigde: mr. R.A. Wijnands. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met bijlagen 1 en 2, ter griffie ontvangen op 21 januari 2026, - het verweerschrift met bijlagen 1 t/m 6, ter griffie ontvangen op 11 februari 2026, - het e-mailbericht namens [bewindvoerder] met bijlage 7, ter griffie ontvangen op 19 februari 2026, - het e-mailbericht namens [verzoeker] , ter griffie ontvangen op 20 februari 2026, - de mondelinge behandeling van 24 februari 2026. 1.2. Ter zitting zijn verschenen: [verzoeker] , bijgestaan door mr. Kreutzkamp; [bewindvoerder] , vertegenwoordigd door mr. Wijnands. 1.3. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 4 februari 2025 zijn als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand alle goederen die (zullen) toebehoren aan [rechthebbende] (hierna: [rechthebbende]) met ingang van 16 februari 2025 onder bewind gesteld. [bewindvoerder] B.V. is benoemd tot bewindvoerder. 2.2. Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 1 augustus 2025 is ten behoeve van [rechthebbende] een mentorschap ingesteld vanwege zijn geestelijke of lichamelijke toestand. [mentor] mentorschap is benoemd tot mentor. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] vraagt de kantonrechter een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Daartoe stelt hij dat tussen hem en [rechthebbende] begin 2025 een mondelinge geldleenovereenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan hij aan [rechthebbende] € 1.515,00 heeft uitgeleend. De termijn voor terugbetaling is volgens [verzoeker] verstreken. Daarnaast stelt [verzoeker] dat hij voor € 500,00 een gokkast en een jukebox heeft gekocht van [rechthebbende], die hij nog niet geleverd heeft aan [verzoeker] . Nu [bewindvoerder] beide overeenkomsten betwist, wenst [verzoeker] deze met een voorlopig getuigenverhoor te bewijzen. Gelet op de hoge leeftijd van [rechthebbende] dreigt de mogelijkheid dat bewijs verloren gaat. Dat [rechthebbende] niet meer in staat is zijn wil te bepalen of congruent te verklaren wegens dementie, zoals [bewindvoerder] meent, is niet gebleken. Medische stukken waaruit dit afgeleid kan worden zijn niet overgelegd. Ter zitting heeft [verzoeker] verzocht om naast de drie in het verzoekschrift genoemde getuigen ook een vriendin als getuige op te mogen roepen. Zij was volgens [verzoeker] aanwezig toen hij € 500,00 heeft betaald aan [rechthebbende] voor de jukebox en de gokkast. 3.2. [bewindvoerder] voert verweer. Allereerst betwist zij de gestelde overeenkomsten. Daarnaast stelt zij dat [rechthebbende] dementerend is en vanwege zijn medische toestand niet in staat moet worden geacht om een betrouwbare en geloofwaardige getuigenverklaring af te kunnen leggen. Ter onderbouwing van de medische toestand van [rechthebbende] heeft [bewindvoerder] een tweetal CIZ indicatiebesluiten overgelegd waaruit blijkt dat [rechthebbende] in aanmerking komt voor beschermd wonen met intensieve dementiezorg. Naar het oordeel van [bewindvoerder] dient [rechthebbende] tegen zichzelf in bescherming genomen te worden, nu hij zowel ten tijde van de gestelde overeenkomsten als op dit moment niet in staat is zijn eigen wil te bepalen en zijn verklaring niet betrouwbaar moet worden geacht. De bewindvoerder zelf is geen partij geweest bij de gestelde overeenkomsten, zodat ook zij over de inhoud daarvan niets kan verklaren. [bewindvoerder] verzoekt gelet op de omstandigheden van het geval en de persoon van de getuige het voorlopig getuigenverhoor af te wijzen. 4 De beoordeling 4.1. Voordat een zaak aanhangig is, kan een belanghebbende partij op grond van artikel 196 Rv de rechter verzoeken een of meer voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, waaronder een voorlopig getuigenverhoor. De vereisten waaraan een dergelijk verzoek moet voldoen staan in artikel 197 Rv. Het voorlopig getuigenverhoor biedt een partij die een procedure overweegt de mogelijkheid om zekerheid te verkrijgen over de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden, die met een getuigenverhoor bewezen kunnen worden. Op basis daarvan kan door deze partij dan beter worden beoordeeld of het raadzaam is de procedure te starten. 4.2. Op grond van het tweede lid van artikel 196 Rv wijst de rechter het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor toe, tenzij hij van oordeel is dat: de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is; onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat; het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde; sprake is van misbruik van bevoegdheid; of andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. 4.3. Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet het verzoek aan de vereisten van de wet. [bewindvoerder] erkent dat. Zij doet wel een beroep op de afwijzingsgrond dat er andere zwaarwichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (artikel 196 lid 2 onder e Rv). Een dergelijke afwijzingsgrond is toewijsbaar als uit de stukken blijkt dat de getuige op geen enkele manier meer in staat is een getuigenverklaring af te leggen, bijvoorbeeld omdat de getuige ernstig dement is. Hoewel er sterke aanwijzingen zijn op basis van de door [bewindvoerder] overgelegde stukken dat [rechthebbende] dementerend is, kan de kantonrechter op basis van die stukken niet vaststellen dat de geestelijke vermogens van [rechthebbende] zodanig zijn aangetast dat hij niet meer in staat is om een verklaring af te leggen of dat het evident is, dat zijn verklaring onbetrouwbaar zal zijn. Het is aan de rechter-commissaris ten overstaan van wie het getuigenverhoor zal worden gehouden om te beoordelen of het zinvol is het getuigenverhoor van [rechthebbende] te voltooien gelet op de geestelijke toestand van deze getuige. Het is ook aan de rechter-commissaris om te bepalen waar het verhoor van [rechthebbende] dient plaats te vinden (op de rechtbank of in de instelling waar hij verblijft) en wie daarbij aanwezig mogen zijn. Hoewel namens [bewindvoerder] is aangevoerd dat de bewindvoerder geen partij is geweest bij de gestelde overeenkomsten, ziet de kantonrechter daarin geen aanleiding het verzoek ten aanzien van de bewindvoerder af te wijzen, nu daarmee niet vaststaat dat de getuige geen enkele wetenschap heeft over de feiten waarover zou moeten worden verklaard. 4.4. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat het voorlopig getuigenverhoor kan worden toegewezen. 4.5. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt.