Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-03-04
ECLI:NL:RBLIM:2026:2020
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,381 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBLIM:2026:2020 text/xml public 2026-03-20T13:00:48 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-04 11983435 CV EXPL 25-5386 Uitspraak Bodemzaak NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2020 text/html public 2026-03-20T10:41:28 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:2020 Rechtbank Limburg , 04-03-2026 / 11983435 CV EXPL 25-5386 Vordering tot betaling van premie ziektekosten toegewezen. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11983435 \ CV EXPL 25-5386 Vonnis van 4 maart 2026 in de zaak van CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V. , te Tilburg, eisende partij, hierna te noemen: CZ, gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V., tegen [gedaagde partij] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek en akte houdende vermeerdering/vermindering van eis - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde partij] is bij CZ verzekerd tegen ziektekosten. 2.2. Er is een achterstand in de betaling van de premies van zowel de basis als de aanvullende verzekering. 3 Het geschil 3.1. CZ vordert – samengevat en na vermeerdering en vermindering van eis - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 1.423,32, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. [gedaagde partij] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. In deze procedure gaat het om de vraag of [gedaagde partij] de vorderingen van CZ moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Hierna wordt uitgelegd hoe tot dit oordeel is gekomen. 4.2. CZ vorderde eerst in de dagvaarding een bedrag van € 210,85. Dit bedrag bestond uit een achterstand van € 560,85, waarop € 50,00 in mindering is betaald en daarna nog een bedrag van € 300,00. Er zijn een aantal aanmaningen gestuurd en uiteindelijk is de vordering overgedragen aan de gemachtigde. Pas na dagvaarding is een regeling getroffen en aan [gedaagde partij] is aangegeven dat de dagvaarding niet kon worden ingetrokken omdat dit al eens eerder is gebeurd. 4.3. [gedaagde partij] betaalt op 1 december 2025 nog een bedrag van € 75,00, waarmee CZ haar vordering vermindert. Vervolgens vermeerdert CZ haar vordering met € 1.212,47. Dit bedrag is opgebouwd uit de achterstanden van 5 andere zaken die inmiddels door CZ uit handen zijn gegeven. Ook hier gaat het om achterstallige premies voor de basis en de aanvullende verzekering en betaling van het eigen risico. 4.4. [gedaagde partij] voert in de eerste plaats aan dat hij geconfronteerd werd met dreigende en opdringerige maatregelen. Bij de telefonisch verzoeken om informatie werd er onvriendelijk gereageerd of werd opgehangen. Verder geeft [gedaagde partij] aan met een burn-out te hebben gekampt waardoor hij niet goed in staat was om zijn administratie bij te houden. Er is een betalingsregeling getroffen nadat een eerder getroffen regeling niet goed werd nagekomen. De laatste regeling wordt wel goed nageleefd, aldus [gedaagde partij] , en hij wijst erop dat de gemachtigde van CZ heeft aangegeven dat de dagvaarding voorkomen kon worden door betaling. [gedaagde partij] verzoekt daarom de incasso- en dagvaardingskosten te matigen en rekening te houden met de betalingsregeling. 4.5. Uit het verweer van [gedaagde partij] volgt dat hij de vordering niet althans niet gemotiveerd betwist. CZ geeft duidelijk aan welke bedragen en periodes niet betaald zijn. Dit moet voor [gedaagde partij] eenvoudig weg na te gaan zijn. Bij gebrek aan een duidelijk verweer kan de gewijzigde vordering daarom worden toegewezen. De manier waarop [gedaagde partij] is benaderd, althans hoe hij dit heeft ervaren, leidt niet tot een ander oordeel. Hoe vervelend ook, geldt dit ook voor het feit dat [gedaagde partij] een burn-out heeft gehad. 4.6. Verder stelt de kantonrechter vast dat de tweede betalingsregeling kennelijk pas is getroffen nadat de dagvaarding al betekend was. Ook dit kan niet tot afwijzing van de vordering leiden. De kantonrechter gaat ervan uit dat partijen de regeling naleven. Het verzoek tot matiging van de incassokosten begrijpt de kantonrechter niet. CZ vordert immers geen incassokosten. 4.7. De conclusie is dat de gewijzigde vordering ad € 1.348,32 (€ 210,85 -/- € 75,00 + € 1.212,47) wordt toegewezen. 4.8. [gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 135,00 - salaris gemachtigde € 434,00 (2 punten × € 217,00) - nakosten € 108,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 822,95 Voor matiging van de proceskosten ziet de kantonrechter geen aanleiding. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde partij] om aan CZ te betalen een bedrag van € 1.348,32, 5.2. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 822,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.