Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-03-04
ECLI:NL:RBLIM:2026:1974
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
10,108 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1974 text/xml public 2026-03-20T14:00:18 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-04 10916733 \ CV EXPL 24-666 Uitspraak Bodemzaak NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1974 text/html public 2026-03-20T14:00:10 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1974 Rechtbank Limburg , 04-03-2026 / 10916733 \ CV EXPL 24-666 Overeenkomst van opdracht; Facturen niet betaald door opdrachtgever; Wanprestatie aan zijde opdrachtnemer; verwijzing schadestaatprocedure. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 10916733 \ CV EXPL 24-666 Vonnis van 4 maart 2026 in de zaak van [V.O.F.] , gevestigd te [plaats 1] , eisende partij in conventie, verweerder in reconventie, hierna te noemen: [V.O.F.] , gemachtigde: [gemachtigde] , tegen [holding] B.V. , statutair gevestigd te [plaats 2] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: Holding, gemachtigde: mr. M.P.M. Riep. 1 De procedure 1.1. Het (verder) verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 19 maart 2025, - de akte houdende overlegging aanvullende producties (17 tot en met 20) tevens houdende wijziging c.q. vermeerdering van eis in reconventie van Holding, - de brief van 16 juni 2025 van [V.O.F.] , met producties 38 tot en met 42 , - de akte houdende overlegging aanvullende producties (21 tot en met 25) van Holding, - de akte houdende overlegging aanvullende productie (26) tevens houdende wijziging c.q. vermeerdering van eis in reconventie van Holding. 1.2. De mondelinge behandeling in reconventie heeft plaatsgevonden op 24 juni 2025. Beide partijen hebben bij die gelegenheid spreekaantekeningen in het geding gebracht. Aan de spreekaantekeningen van [V.O.F.] is productie 43 gevoegd. De spreekaantekeningen die bij de mondelinge behandeling op 17 juli 2024 in het geding zijn gebracht, maken ook voor zover deze zien op de vorderingen in reconventie deel uit van het procesdossier. 1.3. Op 2 juli 2025 heeft [V.O.F.] een e-mail naar de griffie gestuurd met bijgevoegd een begeleidende brief van [V.O.F.] van 7 juli 2024 en de producties 28 tot en met 35. Holding heeft bij e-mail van diezelfde dag daarop gereageerd. 1.4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten in reconventie 2.1. Aangezien de feiten in reconventie in het tussenvonnis nog niet konden worden vastgesteld, gebeurt dat, zoals al aangekondigd in het tussenvonnis, bij dit vonnis. 2.2. [V.O.F.] exploiteert een administratiekantoor. Zij verricht administratieve en fiscale werkzaamheden ten behoeve van ondernemers. 2.3. De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van Holding. Holding is opgericht op 30 september 2020. Holding is enig aandeelhouder enbestuurder van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn eveneens opgericht op 30 september 2020 (in het tussenvonnis is onder 2.3. abusievelijk 13 oktober 2020 als oprichtingsdatum genoemd, hetgeen bij dezen is gecorrigeerd). 2.4. [naam 1] exploiteerde tot 30 september 2020 onder de handelsnamen “ [handelsnaam] ” (hierna: [handelsnaam] ) en “ [bedrijf 2] ” een eenmanszaak. 2.5. [naam 1] heeft blijkens de op die datum verleden notariële akte tot inbreng, op 30 september 2020 de onderneming ingebracht in Holding. 2.6. [V.O.F.] heeft bij brief van 22 november 2021 aan de Belastingdienst verzocht om een beschikking af te geven waaruit blijkt dat er sprake is van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . 2.7. Op 7 december 2021 heeft de Belastingdienst over dit verzoek beslist. De Belastingdienst heeft beslist dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] per 1 januari 2022 als fiscale eenheid ten behoeve van de btw worden aangemerkt én dat ook Holding tot die fiscale eenheid behoort. Tegen deze beslissing kan schriftelijk bezwaar worden gemaakt. Dit is niet gebeurd. 2.8. Bij e-mail van 14 december 2021 heeft [V.O.F.] aan [naam 2] van [bedrijf 1] (met [naam 1] in c.c. van de e-mail) bericht: “Bijgaand tref je de toekenning van de fiscale eenheid voor de BTW (FE BTW) aan voor de BTW aangiften van GBDB, BT en [bedrijf 2] . Deze gaat in per 1 januari 2022. Ik had alleen een FE BTW voor BT en [bedrijf 2] aangevraagd, maar de Belastingdienst is van mening dat GBDB hiervan een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt. Dat is uiteraard zo. Eigenlijk maakt dit ook niet zo heel veel uit, want dit staat los van de VPB en de onderlinge aansprakelijkheidsrisico’s die we via de BV’s proberen te beperken. De aansprakelijkheid bij de FE BTW is alleen je eigen BTW deel. Dat is niet anders dan nu al het geval is.(…)” 2.9. Bij brief van 12 december 2022 heeft [naam 2] , (met [naam 1] in c.c. van de e-mail), aan de Belastingdienst gevraagd om de fiscale eenheid met terugwerkende kracht per 1 oktober 2021 te verbreken. De Belastingdienst heeft dit verzoek niet gehonoreerd. 2.10. [bedrijf 1] is op 8 oktober 2024 in staat van faillissement verklaard. 3 De gewijzigde vordering in reconventie 3.1. Holding vordert (na haar laatste eiswijziging c.q. eisvermeerdering; bij de rechtbank op 20 juni 2025 binnengekomen) bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: voor recht te verklaren dat [V.O.F.] is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht met Holding dan wel onrechtmatig jegens Holding heeft gehandeld een en ander mede in het kader van de contractuele en/of wettelijke zorgplicht en dat [V.O.F.] aansprakelijk is voor de dientengevolge geleden en nog te lijden schade aan de zijde van Holding; [V.O.F.] te veroordelen tot betaling aan Holding van een (schade)bedrag van € 13.268,85, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente; [V.O.F.] te veroordelen tot betaling aan Holding van een (schade)bedrag van € 6.086,90, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente; [V.O.F.] in verband met het hiervoor onder sub a) gevorderde en wat betreft het meerdere te veroordelen tot schadevergoeding (nader) op te maken bij staat en dientengevolge te verwijzen naar de schadestaat procedure voor verdere schadeafhandeling; [V.O.F.] te veroordelen in de proces- en nakosten. 3.2. Hiernaast heeft Holding de grondslag van haar vorderingen aangevuld. 3.3. [V.O.F.] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en de aanvulling van de grondslagen als zodanig. Wel heeft zij inhoudelijk verweer gevoerd. 4 De beoordeling in reconventie Productie 28 tot en met 35 van [V.O.F.] en de begeleidende brief 4.1. De kantonrechter heeft [V.O.F.] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 juni 2025 voor de tweede keer in de gelegenheid gesteld de producties 28 tot en met 35 in het geding te brengen. [V.O.F.] zou deze producties al op 7 juli 2024 met een begeleidende brief naar de rechtbank en via e-mail naar Holding hebben gestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling op 17 juli 2024 is al aan de orde geweest dat Holding een en ander wel had ontvangen, maar de kantonrechter niet. [V.O.F.] is toen in de gelegenheid gesteld de brief met producties in het geding te brengen, maar heeft dat niet gedaan. Op 2 juli 2025 heeft [V.O.F.] de begeleidende brief met deze producties alsnog in het geding gebracht. Holding heeft daartegen, voor zover het de begeleidende brief van 7 juli 2024 betreft, bezwaar gemaakt. Die brief moet volgens haar worden geweigerd. De kantonrechter volgt Holding hierin niet. De indiening van deze brief acht de kantonrechter niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Weliswaar is tijdens de mondelinge behandeling alleen gesproken over de indiening van de producties, maar nu die producties kennelijk voorzien blijken van de bewuste begeleidende brief die enkel een heel summiere toelichting op de producties bevat (wat is het en wat blijkt daar volgens [V.O.F.] uit) en Holding al sinds 7 juli 2024 daarmee bekend was is ook de begeleidende brief aan het procesdossier toegevoegd.
Volledig
Holding is daardoor niet in haar procesbelang geschaad, aangezien de onderwerpen waarop de producties betrekking hebben en de producties zelf tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid zijn besproken en Holding daarop heeft kunnen reageren. Waar gaat het geschil in reconventie over? 4.2. Holding stelt dat [V.O.F.] is tekort geschoten in de nakoming van de uit hoofde van de tussen hen gesloten overeenkomst van opdracht op haar rustende verbintenis om de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen dan wel dat zij onrechtmatig gehandeld heeft jegens Holding. Ook stelt Holding dat zij als gevolg hiervan schade heeft geleden. Die schade moet [V.O.F.] volgens haar vergoeden. Holding maakt [V.O.F.] drie verwijten. [V.O.F.] betwist dat zij niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen. Ook betwist zij dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens Holding. Verder betwist zij dat Holding schade heeft geleden door toedoen van [V.O.F.] . Zo over dat laatste anders zou worden geoordeeld, doet [V.O.F.] een beroep op eigen schuld aan de kant van Holding. Toetsingskader 4.3. De kantonrechter stelt voorop dat in conventie is geoordeeld dat tussen [V.O.F.] en Holding een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen inhoudend dat [V.O.F.] in opdracht en voor rekening van Holding administratieve en fiscale werkzaamheden uitvoert ten behoeve van Holding, [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [naam 1] in privé. De kantonrechter ziet geen aanleiding om van dat oordeel terug te komen. Als gevolg van deze overeenkomst rustte op [V.O.F.] de verbintenis om bij de uitvoering van haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen jegens Holding. Dat betekent dat beoordeeld moet worden of [V.O.F.] bij de uitvoering van haar werkzaamheden heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend opdrachtnemer mag worden verwacht. 1e verwijt: aanvraag / advies over fiscale eenheid voor de btw 4.4. Holding stelt dat [V.O.F.] , op eigen initiatief en zonder haar toestemming dan wel goedkeuring, een fiscale eenheid heeft aangevraagd ten behoeve van de omzetbelasting (en daarover dus niet vooraf heeft geadviseerd) én dat [V.O.F.] haar ná indiening van die aanvraag onjuist heeft geïnformeerd over de gevolgen van die fiscale eenheid, meer specifiek dat Holding hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor de btw-verplichtingen van de andere vennootschappen. De aanvraag van de fiscale eenheid heeft tot gevolg dat Holding hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de van de fiscale eenheid deel uitmakende vennootschappen ( [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ) verschuldigde btw , terwijl Holding dit niet wil. De vennootschapsstructuur is opgericht om aansprakelijkheid beperken. Door het aanvragen van een fiscale eenheid voor de btw, is dit volgens Holding teniet gedaan. 4.4.1. [V.O.F.] betwist dat zij op eigen initiatief en zonder goedkeuring dan wel instemming van Holding een fiscale eenheid voor de btw heeft aangevraagd. Daar komt volgens [V.O.F.] bij dat Holding naar eigen zeggen in december 2022 er achter kwam dat ze hoofdelijk aansprakelijk was voor de door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] verschuldigde btw. Zij had aldus ervoor kunnen kiezen de fiscale eenheid te laten opheffen per 1 januari 2023, maar zij heeft dit niet gedaan. Kennelijk, zo betoogt [V.O.F.] , zijn de voordelen van de fiscale eenheid voor Holding groter dan de nadelen. [V.O.F.] betwist in het verlengde hiervan dat Holding schade heeft geleden dan wel lijdt. Ook overigens is geen sprake van schadeplichtigheid, want [V.O.F.] verkeert niet in verzuim. Voor het geval Holding wel schade heeft geleden dan wel lijdt, doet [V.O.F.] een beroep op eigen schuld. Het had op de weg van Holding gelegen om bij de Belastingdienst een aanvraag tot opheffing van de fiscale eenheid per 1 januari 2023 in te dienen. Door dit niet te doen is zij zelf aansprakelijk voor eventueel nadien geleden schade, aldus [V.O.F.] . 4.4.2. De kantonrechter neemt bij de beoordeling het volgende tot uitgangspunt. Vast staat, want daarover zijn partijen het eens, dat [V.O.F.] aan de Belastingdienst heeft gevraagd om [bedrijf 1] en [bedrijf 2] als fiscale eenheid aan te merken. Ook staat vast, want ook hierover zijn partijen het eens, dat de Belastingdienst [V.O.F.] heeft laten weten Holding deel moest uitmaken van die fiscale eenheid. Verder staat vast dat [V.O.F.] de aanvraag heeft doorgezet en dat zij daarna bij e-mail van 14 december 2021 (productie 7 van Holding) aan [naam 2] van [bedrijf 1] (met [naam 1] in c.c. van die e-mail) het volgende heeft medegedeeld: “(..) Ik had alleen een FE BTW voor BT en [bedrijf 2] aangevraagd, maar de Belastingdienst is van mening dat GBDB hiervan een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt. Dat is uiteraard zo. Eigenlijk maakt dit ook niet zo heel veel uit, want dit staat los van de VPB en de onderlinge aansprakelijkheidsrisico’s die we via de BV’s proberen te beperken. De aansprakelijkheid bij de FE BTW is alleen je eigen BTW deel. Dat is niet anders dan nu al het geval is.” 4.4.3. Holding heeft hiermee voldoende onderbouwd dat [V.O.F.] in ieder geval op eigen initiatief, zonder dat zij hiervoor opdracht heeft gegeven, heeft gehandeld toen [V.O.F.] van de Belastingdienst vernam dat ook Holding deel zou moeten uitmaken van de fiscale eenheid. Niet gesteld of gebleken is immers dat [V.O.F.] ná dit bericht van de Belastingdienst en vóór het doorzetten van de aanvraag, contact met Holding heeft opgenomen om haar hierover te informeren, te adviseren en om te vragen of zij hiermee akkoord was. Het antwoord op de vraag of [V.O.F.] de oorspronkelijke aanvraag ten behoeve van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] al dan niet in opdracht van Holding en na vooraf daarover te hebben geadviseerd, heeft gedaan, kan in het midden blijven. Niet gesteld of gebleken is dat Holding, zo zij het gelijk aan haar zijde heeft dat dit ook niet is gebeurd, als gevolg hiervan schade heeft geleden. 4.4.4. Het staat vast, want [V.O.F.] bestrijdt dat niet, dat haar mededeling over het gevolg van het feit dat ook Holding onderdeel werd van de fiscale eenheid onjuist is. Dit blijkt overigens ook uit artikel 41, lid 1, Invorderingswet 1990 waar Holding naar verwijst. Daarmee heeft [V.O.F.] niet alleen pas na indiening van de aanvraag geadviseerd hetgeen al anders had gemoeten, maar zij heeft bovendien ook onjuist geadviseerd dan wel geïnformeerd. [V.O.F.] heeft daarmee niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend opdrachtnemer verwacht mag worden. Zelfs als het zo is, zoals [V.O.F.] betoogt, dat zij de aanvraag om [bedrijf 1] en [bedrijf 2] als fiscale eenheid aan te merken, in opdracht van Holding heeft gedaan, dan had zij toen voor haar duidelijk was dat dit alleen zou kunnen gebeuren als ook Holding onderdeel werd van de fiscale eenheid, met Holding moeten bespreken of Holding de aanvraag in dat geval wilde doorzetten. Daarbij had zij Holding alsdan correct dienen te informeren over de gevolgen daarvan en de daarmee gepaard gaande voor- en nadelen. 4.4.5. De gevorderde verklaring voor recht is in zoverre toewijsbaar. Dat Holding de gevorderde verklaring voor recht ruimer heeft geformuleerd, staat daaraan anders dan [V.O.F.] betoogt, niet in de weg. De kantonrechter kan immers “het mindere” toewijzen. De kantonrechter begrijpt de vordering overigens zo dat deze voor zover deze op onrechtmatige daad is gebaseerd, subsidiair is ingesteld. Dit behoeft dus geen bespreking. Anders dan [V.O.F.] betoogt, is de kantonrechter van oordeel dat de mogelijkheid aannemelijk is dat Holding als gevolg van de wanprestatie door [V.O.F.] schade heeft geleden. Het staat immers vast dat Holding doordat zij samen met [bedrijf 1] en [bedrijf 2] als fiscale eenheid is aangemerkt, aansprakelijk is voor de door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] verschuldigde btw. Daarnaast staat vast, want Holding heeft dat onweersproken gesteld, dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen. Het ligt dan ook in de rede dat Holding ter voldoening hiervan is / wordt aangesproken.
Volledig
Holding heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat de “OB-schuld” voor [bedrijf 1] definitief is vastgesteld, zodat de schade volgens haar in deze procedure kan worden begroot, maar dat acht de kantonrechter geen haalbare kaart. Of Holding al is aangesproken en zo ja voor welk bedrag is namelijk niet duidelijk. Bij gebrek aan concrete informatie hierover, kan alleen al hierom de schade in deze procedure niet worden begroot of geschat. De kantonrechter zal [V.O.F.] daarom veroordelen tot betaling van de door Holding geleden dan wel te lijden schade, op te maken bij staat. Het, in het geheel niet uitgewerkte, betoog van [V.O.F.] dat zij niet in verzuim verkeert en aldus niet schadeplichtig is, staat niet aan verwijzing naar de schadestaatprocedure in de weg. Vast staat immers dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis waarbij nakoming blijvend onmogelijk is. Voor zover [V.O.F.] dit niet heeft bedoeld, maar zij doelt op het feit dat de schadevergoedingsverbintenis nog niet opeisbaar is, staat ook dit niet aan verwijzing naar de schadestaatprocedure in de weg. 4.4.6. [V.O.F.] betoogt dan weliswaar ook nog dat Holding ook voordeel heeft genoten dan wel geniet van de fiscale eenheid - hoewel zij ter gelegenheid van de mondelinge behandeling uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verklaard dat zij geen beroep op voordeelstoerekening in de zin van artikel 6:100 BW maar alleen op eigen schuld in de zin van 6:101 BW wil doen - en dat Holding in ieder geval een aanvraag tot opheffing per 1 januari 2023 had kunnen doen, maar dit staat niet aan een verwijzing naar de schadestaatprocedure in de weg. Nog los van het feit dat het debat hierover in deze procedure sowieso onvoldoende is uitgekristalliseerd, kan op dit moment in ieder geval niet worden geconcludeerd dat Holding helemaal geen schade heeft geleden. Het debat over de vraag of schade is geleden, hoe groot die schade is en over het beroep van [V.O.F.] op eigen schuld aan de kant van Holding (en voordeelstoerekening?) kan en dient in dit geval in volle omvang in de schadestaatprocedure te worden gevoerd. Ook die vordering ligt in zoverre voor toewijzing gereed. 2e verwijt: verkeerd advies inbreng in b.v. 4.5. Het tweede verwijt houdt kort gezegd in dat [V.O.F.] een verkeerd advies heeft gegeven over de inbreng van [handelsnaam] in Holding. Volgens Holding heeft [V.O.F.] in eerste instantie een geruisloze inbreng geadviseerd, maar heeft zij nadat dit was gerealiseerd, geconcludeerd dat een ruisende inbreng beter was geweest. [V.O.F.] heeft vervolgens Trivent ingeschakeld om haar fout te herstellen en de kosten daarvan bij Holding in rekening gebracht. Die kosten had Holding niet hoeven te maken als [V.O.F.] deugdelijk had geadviseerd, reden waarom deze volgens Holding kwalificeren als schade waarvan zij door het instellen van vordering b) vergoeding verlangt. 4.5.1. [V.O.F.] betwist dat zij heeft geadviseerd over (de wijze van) inbreng van [handelsnaam] in de vennootschap. Zij betoogt dat zij slechts zijdelings hierbij is betrokken. Volgens haar was het de heer [naam 3] , die Holding hierbij ondeugdelijk heeft begeleid en van ondeugdelijk advies heeft voorzien. In het kader van de inbreng-kwestie heeft Holding nog drie “sub verwijten” aan het adres van [V.O.F.] gemaakt. Voor die verwijten geldt dat [V.O.F.] betwist dat de door haar verrichte werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd dan wel dat Holding daardoor schade heeft geleden. Een en ander wordt hierna besproken en beoordeeld. 4.5.2. De kantonrechter is van oordeel dat Holding in het licht van de betwisting daarvan door [V.O.F.] onvoldoende heeft onderbouwd dat [V.O.F.] haar heeft geadviseerd over de inbreng van de door de eenmanszaak geëxploiteerde onderneming in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. In het verlengde daarvan heeft zij ook onvoldoende onderbouwd dat [V.O.F.] in eerste instantie ten onrechte een geruisloze inbreng heeft geadviseerd en dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden. Bij gebrek aan een afdoende onderbouwing wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Voor dit oordeel is het volgende redengevend. 4.5.3. Holding stelt niet wanneer aan [V.O.F.] advies is gevraagd over de (wijze van) inbreng van de onderneming in de vennootschap. Uit de overgelegde correspondentie over de inbreng (waarover hierna meer) blijkt weliswaar dat [V.O.F.] in enige mate betrokken is bij het “eindstadium” van het inbrengtraject, maar daaruit blijk niet dat zij degene is geweest die heeft geadviseerd de onderneming geruisloos in te brengen. Holding heeft, ook nadat daar ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar is gevraagd, niet toegelicht hoe het inbrengtraject tot stand is gekomen. Het is niet duidelijk geworden wanneer de inbreng van de eenmanszaak in een vennootschap aan de orde is gekomen en wie daarbij betrokken zijn geweest. Hebben [naam 1] en [V.O.F.] daarover op enig moment gesproken? Zo ja, wanneer is dat gebeurd? Heeft [V.O.F.] [naam 1] in dat kader geadviseerd om zijn eenmanszaak in een vennootschap in te brengen? Zo ja, heeft [V.O.F.] in dat kader tegen [naam 1] gezegd dat een geruisloze inbreng het beste zou zijn? De kantonrechter weet het niet, want daarover zijn geen stellingen ingenomen. Ook zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [V.O.F.] een geruisloze inbreng heeft geadviseerd. 4.5.4. De correspondentie, zie hieronder onder a) tot en met h) die wel in het geding is gebracht laat onvoldoende licht schijnen op de gang van zaken om te kunnen oordelen dat [V.O.F.] dit aan Holding heeft geadviseerd: Bij e-mail van 14 september 2020 om 21:19 uur laat [naam 3] aan [V.O.F.] weten dat hij de intentieverklaring en een geleide formulier voor “de beoogde (geruisloze) inbreng van [handelsnaam] in de nieuwe bedrijfsstructuur” heeft bijgevoegd en dat hij het graag verneemt als [V.O.F.] op de inhoud op- of aanmerkingen heeft. Daarnaast laat [naam 3] weten dat de notaris die ochtend heeft gevraagd naar het in te brengen vermogen en de openingsbalans en verzoekt hij [V.O.F.] om deze naar [naam 1] te sturen met de heer [naam 3] in c.c. Bij e-mail van 15 september 2020 om 18:11 uur laat [V.O.F.] in reactie op de hiervoor genoemde e-mail van de heer [naam 3] aan [naam 3] (met [naam 1] in c.c.) weten dat het eigen vermogen van [handelsnaam] per 31 december 2019 negatief is en dat dit moet worden aangevuld naar een positief saldo. [V.O.F.] meldt dat bijstorten geen optie is en dat andere oplossingen moeten worden bedacht. [V.O.F.] schrijft dat zij daarvoor meerdere ideeën heeft, maar dat [naam 3] als fiscalist daarin beter thuis is. Bij e-mail van 29 september 2020 vraagt [naam 3] aan [V.O.F.] om vóór 12:00 uur (in verband met een notarisbezoek van [naam 1] en hemzelf) op verzoek van de notaris een en ander te corrigeren dan wel toe te voegen met betrekking tot één of meerdere balansen . Op 30 september 2020 om 10:37 uur stuurt [V.O.F.] aan [naam 3] een e-mail. Hierin vraagt [V.O.F.] hoe de werkmaatschappij gaat heten, meldt [V.O.F.] wat het eigen vermogen is van de holding en werkmaatschappij en laat [V.O.F.] weten dat zij een balans heeft opgesteld met het verzoek om deze te controleren. Bij e-mail van 30 september 2020 om 10:59 uur laat [naam 3] aan [V.O.F.] de naam van de werkmaatschappij weten. Bij e-mail van 30 september 2020 om 11:23 uur laat [V.O.F.] aan [naam 3] weten dat [V.O.F.] een geanonimiseerde inbrengverklaring heeft bijgevoegd en dat [V.O.F.] deze zover mogelijk zal invullen en zal aangeven wat er nog allemaal besproken moet gaan worden. Bij e-mail van 30 september 2020 om 12:35 uur laat de notaris aan [V.O.F.] weten dat [V.O.F.] conform afspraak een concept van de akte van inbreng ontvangt. Bij e-mail van 30 september 2020 om 16:04 uur laat [V.O.F.] aan de notaris weten: “(...) Hartelijk dank voor de concept akte. Het gehele proces gaat ondertussen veel te snel. Ik begrijp echt niet waarom er zoveel haast gemaakt wordt. Fiscaal gezien klopt de huidige opzet niet en moet de inbreng in de holding en de werkmaatschappij beoordeelt worden. Bovendien moet de waardering van de balansposten beoordeelt en de goodwill berekend worden.
Volledig
Het kan zomaar zijn, dat blijkt dat het verstandiger is ruisend in te brengen dan geruisloos. Als dat zo blijkt te zijn, kan het zijn , dat het fiscaal veel handiger is om per 1 januari 2021 de BV’s op te richten. Ook juridisch gezien zijn er kanttekeningen, omdat er contracten zijn met financierders, die ingelicht moeten worden over de aanstaande veranderingen, die eerst ieder hun goedkeuring moeten verlenen. Kortom, er valt nog wel wat te doen, voordat de conceptstukken definitief gemaakt kunnen worden. Ik vraag u daarom geduld en kom bij u terug zodra er meer duidelijkheid is.” 4.5.5. Uit deze correspondentie kan niet worden afgeleid dat [V.O.F.] een geruisloze inbreng van de onderneming heeft geadviseerd. Het is de heer [naam 3] die met [V.O.F.] contact opneemt over de inbreng en die in dat kader verzoeken doet en / of instructies geeft aan [V.O.F.] , waarbij [V.O.F.] nota bene op onderdelen laat weten dat de heer [naam 3] “als ficalist” beter thuis is in bepaalde kwesties. Het is dan weliswaar zo dat [V.O.F.] op enig moment een geanonimiseerde inbrengverklaring naar de heer [naam 3] stuurt en meldt dat hij deze voor zover mogelijk zal invullen, maar tegen de achtergrond van het voorgaande, waaronder in het bijzonder de e-mail van de heer [naam 3] aan [V.O.F.] van 14 september 2020 en de e-mail van [V.O.F.] aan de notaris van 30 september 2020, en gelet op het feit dat niet duidelijk is wat de inhoud is van de e-mail die de heer [naam 3] die dag om 10:05 uur naar [V.O.F.] heeft gestuurd, is dit onvoldoende om het oordeel te dragen dat [V.O.F.] de inbreng en de manier waarop deze gestalte moest krijgen, heeft geadviseerd. De kantonrechter laat dan verder nog daar dat het standpunt dat Holding in conventie heeft ingenomen, te weten dat zij geen overeenkomst van opdracht met [V.O.F.] heeft gesloten niet is te rijmen met het standpunt dat zij in dezen inneemt. Geldvordering onder b) betaling € 13.268,85 4.5.6. Het voorgaande brengt mee dat nu niet is komen vast te staan dat [V.O.F.] Holding ten onrechte heeft geadviseerd de onderneming geruisloos in te brengen, de onder b in verband hiermee geformuleerde schadevergoedingsvordering niet toewijsbaar is voor zover deze op wanprestatie is gebaseerd. Subsidiair heeft Holding aan deze vordering ten grondslag gelegd dat het bedrag van € 13.268,85 onverschuldigd is betaald. Uit het oordeel in conventie volgt evenwel dat aan de betaling van het bedrag van € 13.268,85 een titel ten grondslag ligt, te weten een door Holding en [V.O.F.] gesloten overeenkomst van opdracht. Daarom kan niet worden volgehouden dat dit bedrag onverschuldigd is betaald. Ook op deze grond is deze vordering dus niet toewijsbaar. De hierover gevorderde wettelijke handelsrente treft daarom hetzelfde lot. Drie “sub” verwijten in het kader van de inbreng 4.6. Holding stelt zich op het standpunt dat [V.O.F.] drie fouten heeft gemaakt ter zake de inbreng. De kantonrechter zal deze hierna bespreken. 1e sub verwijt in het kader van de inbreng: jaarrekening eenmanszaak onjuist 4.6.1. Volgens Holding wijken de door [V.O.F.] ten behoeve van de eenmanszaak op 30 maart 2021 en op 30 maart 2022 opgestelde jaarrekeningen over januari tot en met september 2020 van elkaar af. Bij een vergelijking van deze jaarrekeningen valt volgens Holding op dat er veel posten zijn gewijzigd, te weten: de langlopende schulden zijn toegenomen van € 86.852,00 naar € 116.674,00 (pagina 5 van de jaarrekeningen); er is eerst een verlies van € 630,00 en daarna een winst van € 183.499,00 (pagina 4 van de jaarrekeningen); de bedrijfskosten zijn niet gelijk (pagina 10 van de jaarrekeningen). Volgens Holding blijkt hieruit dat op 30 maart 2021 opgestelde jaarrekening niet juist is opgesteld door [V.O.F.] . Volgens Holding is de mogelijkheid van schade aannemelijk, omdat de curator dit zal betrekken bij de beantwoording van de vraag of het bestuur van [bedrijf 1] een verwijt kan worden gemaakt aangaande het faillissement. 4.6.2. [V.O.F.] betwist de door Holding genoemde wijzigingen niet, maar zij betwist wel dat zij ondeugdelijk werk heeft verricht bij het opstellen van de jaarrekeningen. Volgens haar betrof de op 30 maart 2021 opgestelde jaarrekening een concept. Ter onderbouwing hiervan voert [V.O.F.] aan dat de op 30 maart 2021 opgestelde jaarrekening niet is afgedrukt op het briefpapier van [V.O.F.] en evenmin door haar is ondertekend. 4.6.3. De kantonrechter stelt vast dat Holding niet heeft betwist dat de op 30 maart 2021 opgestelde jaarrekening een concept betrof. Om die reden valt, zonder nadere toelichting, die Holding niet heeft gegeven, niet in te zien dat sprake is van wanprestatie aan de kant van [V.O.F.] en dat Holding - zo deze jaarrekening onjuistheden zou bevatten - als gevolg daarvan enige schade heeft geleden. De gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure zijn ten aanzien van dit onderwerp dus niet toewijsbaar. 2e sub verwijt in het kader van de inbreng: boeking rekening courant 4.6.4. Holding stelt dat [V.O.F.] de aandelen ten behoeve van de oprichting van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet dan wel niet op de correcte manier heeft volgestort. Zij heeft namelijk volstaan met het boeken van een rekening-courant schuld aan Holding, terwijl geen sprake was van een voor een in dit kader voor verrekening in aanmerking komende vordering. De facto is dus niet aan de stortingsverplichting voldaan, aldus Holding. Ook hier geldt volgens Holding dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, omdat dit, zo begrijpt de kantonrechter de stellingen van Holding, kan leiden tot hoofdelijke aansprakelijkheid van Holding als bestuurder van de vennootschappen 4.6.5. [V.O.F.] betwist dit dat zij op dit punt tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis. Zij betoogt enerzijds dat haar geen verwijt valt te maken, omdat zij niet heeft geadviseerd over de inbreng en deze niet heeft begeleid. Anderzijds bestrijdt zij dat de aandelen niet dan wel niet op de juiste manier zijn volgestort. 4.6.6. De kantonrechter is van oordeel dat Holding onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die het oordeel kunnen dragen dat op [V.O.F.] uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht de verbintenis rustte om zorg te dragen voor het volstorten van de aandelen in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . De stortingsplicht rust op de aandeelhouder (vgl. artikel 2:191 BW). Zonder nadere toelichting die niet is gegeven, valt niet in te zien dat en op grond waarvan, zo aan die stortingsplicht niet zou zijn voldaan, [V.O.F.] op dit punt iets te verwijten valt. Dit klemt te meer nu niet is komen vast te staan dat [V.O.F.] heeft geadviseerd over (de wijze van) inbreng en bovendien niet is gesteld, laat staan is onderbouwd, dat [V.O.F.] Holding heeft geadviseerd over de manier waarop zij aan haar stortingsplicht kon dan wel moest voldoen. De gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure zijn ten aanzien van dit onderwerp dus ook niet toewijsbaar. 3 e sub verwijt in het kader van de inbreng: onderneming met negatief vermogen ingebracht 4.6.7. Ten slotte stelt Holding dat [V.O.F.] ten onrechte een onderneming met een negatief vermogen heeft ingebracht in, zoals de kantonrechter begrijpt, [bedrijf 1] , met als gevolg dat Holding als bestuurder van [bedrijf 1] hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de schulden van [bedrijf 1] . 4.6.8. [V.O.F.] betwist dit. Ook in dit verband heeft [V.O.F.] (onder meer) aangevoerd dat haar geen verwijt valt te maken, omdat zij de inbreng niet heeft begeleid. 4.6.9. De kantonrechter is van oordeel dat Holding in het licht van de betwisting daarvan door [V.O.F.] onvoldoende heeft onderbouwd dat [V.O.F.] op dit punt een verwijt kan worden gemaakt. De kantonrechter verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld over de inbreng van [handelsnaam] in [bedrijf 1] . Holding heeft onvoldoende onderbouwd dat [V.O.F.] haar heeft geadviseerd over die inbreng en de wijze waarop deze moest plaatsvinden. De gevorderde verklaring voor recht en de verwijzing naar de schadestaatprocedure zijn op dit punt dus niet toewijsbaar.
Volledig
Verwijt 3: niet tijdig uitvoeren werkzaamheden en niet deponeren jaarrekening 4.6.10. Ten slotte stelt Holding dat [V.O.F.] haar werkzaamheden, te weten het opmaken en laten ondertekenen van de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders ter vaststelling van de jaarrekeningen over 2020, niet tijdig heeft uitgevoerd en dat zij niet heeft zorggedragen voor een tijdig deponering van de jaarrekeningen over (september tot en met december) 2020. Ter onderbouwing hiervan verwijst Holding naar de door haar als producties 12 en 15 bij conclusie van antwoorde tevens eis in reconventie in het geding gebrachte tussen partijen gewisselde correspondentie waaruit een en ander volgens haar blijkt. Volgens Holding is de mogelijkheid van schade aannemelijk, omdat de curator hier mogelijk een punt van maakt. 4.6.11. [V.O.F.] erkent dat de jaarrekeningen over 2020 niet tijdig zijn gedeponeerd, maar betwist voor het overige dat zij de opgedragen werkzaamheden niet tijdig heeft uitgevoerd. Zij heeft nooit een fatale termijn overschreden en zij is ter zake ook nooit in gebreke gesteld. Volgens [V.O.F.] kan daarom geen sprake zijn van aansprakelijkheid voor schade. Bovendien geldt volgens [V.O.F.] dat, als het al zo is dat werkzaamheden niet tijdig zijn uitgevoerd, dit aan Holding zelf is te wijten. Holding heeft herhaaldelijk door [V.O.F.] benodigde informatie en stukken te laat dan wel onvolledig verstrekt, aldus nog steeds [V.O.F.] . Ten slotte betwist [V.O.F.] dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. 4.6.12. De kantonrechter stelt vast dat [V.O.F.] niet heeft bestreden dat zij verantwoordelijk was voor het (doen) vastleggen van de goedkeuring van de jaarrekeningen van de respectieve vennootschappen door de respectieve algemene vergadering van aandeelhouders. De kantonrechter is van oordeel dat Holding met de verwijzing naar het door haar als productie 15 in het geding gebrachte e-mailbericht van [V.O.F.] van 22 februari 2023, waarin [V.O.F.] meldt dat zij constateert dat de jaarrekeningen over 2020 nog niet zijn goedgekeurd door de algemene vergadering van aandeelhouders, voldoende heeft onderbouwd dat [V.O.F.] deze taak, gelet op het bepaalde in artikel 2:210 BW, niet tijdig heeft vervuld. [V.O.F.] betwist dat weliswaar, maar die betwisting heeft zij in het geheel geen handen en voeten gegeven en wordt dus als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat het aan Holding zelf is te wijten dat dit niet tijdig is gebeurd. Deze stelling, waarvan de juistheid door Holding is betwist, is waar het gaat om het verkrijgen van de goedkeuring van de jaarrekeningen door de algemene vergadering van aandeelhouder in het geheel niet onderbouwd, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat. [V.O.F.] is op dit punt dus tekort geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis om de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam opdrachtnemer in acht te nemen. Aangezien [V.O.F.] ook niet heeft bestreden dat zij verantwoordelijk was voor een tijdige deponering van de jaarrekeningen over 2020 en zij bovendien heeft erkend dat zij de jaarrekeningen over 2020 niet tijdig heeft gedeponeerd, staat dit eveneens vast. Ook op dit punt heeft [V.O.F.] de door Holding bestreden stelling dat een en ander aan Holding zelf is te wijten, in het geheel niet onderbouwd. Daarom gaat de kantonrechter ook op dit punt hieraan voorbij. Ook hier geldt daarom dat [V.O.F.] tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis. De gevorderde verklaring voor recht is daarom op zichzelf toewijsbaar. Gelet op hetgeen hierna wordt geoordeeld over de verwijzing naar de schadestaatprocedure kan nog worden gediscussieerd over de vraag of Holding een zelfstandig belang hierbij heeft, maar aangezien partijen zich hierover niet hebben kunnen uitlaten en de kantonrechter het nemen van een verrassingsbeslissing wil voorkomen, zal ten aanzien van beide tekortkomingen een verklaring voor recht worden gegeven. 4.6.13. Dit ligt anders voor de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure. Holding heeft in het licht van de betwisting daarvan door [V.O.F.] niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de hiervoor genoemde tekortkomingen door [V.O.F.] mogelijk schade heeft geleden dan wel nog zal lijden. De enkele niet verder uitgewerkte stelling dat de curator (naar de kantonrechter begrijpt in het faillissement van [bedrijf 1] ) mogelijk een punt hiervan maakt, is daarvoor onvoldoende. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat de curator, die blijkens de door Holding als productie 25 in het geding gebrachte brief van de curator van 12 maart 2025 op dat moment al kritisch heeft gekeken naar de administratie van de vennootschappen, op basis van deze tekortkomingen zal overgaan tot aansprakelijkstelling van Holding en in verband hiermee een claim bij Holding zal neerleggen. De vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure in verband hiermee wordt daarom afgewezen. Geldvordering onder c) betaling € 6.086,90 4.7. Holding legt aan deze vordering enerzijds ten grondslag dat zij kosten heeft moeten maken ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en anderzijds dat zij kosten heeft moeten maken ter correctie van werkzaamheden die door [V.O.F.] niet goed zijn uitgevoerd. Het bedrag van € 6.086,90 bestaat uit: € 656,00 en € 207,50 in verband met kosten voor de werkzaamheden van een belastingadviseur € 2.931,15 aan kosten voor correctie van door [V.O.F.] verrichte werkzaamheden voor het boekjaar 2021 € 840,25 aan kosten voor correctie van door [V.O.F.] verrichte werkzaamheden voor het boekjaar 2022 € 1.452,00 aan kosten voor het maken van een vermogensopstelling. 4.7.1. [V.O.F.] betwist dat Holding deze kosten door haar toedoen heeft moeten maken. 4.7.2. De vordering is niet toewijsbaar voor zover deze strekt tot vergoeding van de kosten van de belastingadviseur van € 656,00 en € 207,50. Holding heeft in het licht van het feit dat zij ter onderbouwing van dit onderdeel van de vordering verwijst naar facturen die zijn gericht aan [bedrijf 1] , waarbij op de factuur die strekt tot betaling van het bedrag van € 207,50 (exclusief btw) is vermeld dat deze niet wordt geïncasseerd, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie kunnen dragen dat zij (Holding) ter zake schade heeft geleden. 4.7.3. Voor zover de vordering strekt tot vergoeding van € 2.931,15 en € 840,25, zijnde de kosten die volgens Holding ter correctie van door [V.O.F.] over het boekjaar 2021 en 2022 verrichte werkzaamheden zijn gemaakt, is deze ook niet toewijsbaar. Holding heeft tegen de achtergrond van de aan het adres van [V.O.F.] gemaakte verwijten, die in dit vonnis zijn beoordeeld, geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan kan of moet worden geoordeeld dat de hiervoor genoemde kosten kwalificeren als schade geleden als gevolg van de in deze procedure aan het adres van [V.O.F.] gemaakte verwijten. Holding heeft op dit punt dus niet aan haar stelplicht voldaan. Afgezien daarvan heeft zij in het licht van de betwisting daarvan door [V.O.F.] bovendien onvoldoende onderbouwd dat de kosten zien op correctie van door [V.O.F.] uitgevoerde werkzaamheden. [V.O.F.] betwist namelijk dat zij de als productie 17 genoemde werkzaamheden heeft uitgevoerd en Holding heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan kan worden vastgesteld dat dit wel het geval is. 4.7.4. De als productie 19 in het geding gebrachte vermogensopstelling is blijkens de daarop vermelde toelichting kennelijk gemaakt in het kader van de beantwoording van de vraag wat het effect is van de inbreng van de door de eenmanszaak geëxploiteerde onderneming in de vennootschappen, waarbij ook nog onderscheid is gemaakt tussen een ruisende en geruisloze inbreng. Aangezien hiervoor is overwogen dat Holding onvoldoende heeft onderbouwd dat [V.O.F.] de inbreng en de wijze daarvan aan Holding heeft geadviseerd, is dit onderdeel van de vordering, alleen al hierom niet toewijsbaar. 4.7.5. De conclusie is dat deze geldvordering niet toewijsbaar is. Slotsom 4.8.