Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-03-04
ECLI:NL:RBLIM:2026:1934
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
7,562 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1934 text/xml public 2026-03-20T14:02:18 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-04 11789180 CV 25-3074 Uitspraak Bodemzaak NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1934 text/html public 2026-03-20T14:02:01 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1934 Rechtbank Limburg , 04-03-2026 / 11789180 CV 25-3074 Effectenlease. Dexia. Dat de overeenkomst door de (inmiddels ex-)echtgenote voor akkoord is ondertekend, maakt haar geen contractant. Stuitingshandelingen door erfgenaam bekrachtigd (art. 3:69 BW). Verboden advisering door tussenpersoon. Dexia schadeplichtig. vonnis RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11789180 CV 25-3074 vonnis van de kantonrechter van 4 maart 2026 in de zaak van [executeur-testamentair] , te dezen handelende, ten behoeve van de gemeenschap, in hoedanigheid van executeur-testamentair in de nalatenschap van [erflater] , wonende te [plaats] , eisende partij in conventie in de hoofdzaak, verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces, tegen de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak, eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident, gemachtigde: USG Legal Professionals. Partijen worden hierna [executeur-testamentair] en Dexia genoemd. 1 Kern van de zaak 1.1. Wijlen [erflater] (verder: contractant) heeft via een tussenpersoon een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. Contractant leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. Contractant betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest contractant het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat contractant verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door contractant geleden schade helemaal moet vergoeden. 1.2. Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door contractant geleden schade helemaal moet vergoeden. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 2 juli 2025; de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek; de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, tevens houdende een antwoord in het incidenteel verzoek; de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie; de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties. 2.2. De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren 2.3. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 3 3. De feiten 3.1. Contractant heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) als lessee ondertekend, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst I. [contractnummer] 07-11-2000 AEX Plus Effect 3.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald I. 18-09-2006 - € 3.581,70 Nee 3.3. Volgens opgave van Dexia heeft contractant op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 24.300,21 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft contractant geen bedrag aan dividenden ontvangen en geen fiscaal voordeel genoten. 3.4. De gemachtigde van contractant, Leaseproces, heeft bij brief van 24 februari 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren. 3.5. Contractant is op 27 november 2019 overleden. 4 De vordering en het verweer in de hoofdzaak en het in het incident 4.1. [executeur-testamentair] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: voor recht zal verklaren dat Dexia tegenover contractant onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekort geschoten, voor recht zal verklaren dat contractant en iedere erfgenaam van contractant schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [executeur-testamentair] van al datgene dat contractant aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, voor recht zal verklaren dat [executeur-testamentair] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is, Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [executeur-testamentair] , met rente, Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente. 4.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in het incident: [executeur-testamentair] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [executeur-testamentair] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, - in de hoofdzaak: [executeur-testamentair] zal veroordelen om aan Dexia te betalen de som van € 1.193,90, vermeerderd met wettelijke rente, voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en contractant gesloten overeenkomst met nummer [contractnummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [executeur-testamentair] verschuldigd is, [executeur-testamentair] zal veroordelen in de proceskosten. 4.3. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan. 5. De beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en het verzoek in het incident algemeen 5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie contractant. 5.2. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 5.3.
Volledig
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [executeur-testamentair] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. ontvankelijkheid [executeur-testamentair] 5.4. De overeenkomst is gesloten door wijlen [erflater] . Hoewel in de aanhef van de overeenkomst ‘en/of’ staat, heeft enkel [erflater] de overeenkomst als lessee ondertekend. [naam] heeft de overeenkomst ‘voor akkoord’ als echtgenote getekend, maar dit maakt haar geen contractspartij. Dat enkel [erflater] contractspartij van Dexia was, blijkt ook wel uit het door Dexia overgelegde financieel overzicht, de door Dexia opgestelde ‘Duisenbergberekening’, het door Dexia opgestelde ‘Totaal Cliënten Overzicht’ en de door Dexia verstrekte jaaropgaven 2010 en 2011, die allemaal enkel op naam van [erflater] zijn gesteld. verjaring 5.5. Dexia heeft zich beroepen op verjaring. Dexia constateert dat contractant is overleden op 27 november 2019, zodat namens hem in 2017 voor het laatst een poging tot stuiting van de verjaring is gedaan. De eerstvolgende stuitingshandeling van Leaseproces dateert uit 2021, maar die is niet langer namens contractant verricht en, gelet op het feit dat [executeur-testamentair] pas in 2025 een volmacht aan Leaseproces verleende, ook niet namens [executeur-testamentair] . Dit betekent volgens Dexia dat de vorderingen in verband met de overeenkomst in 2022 zijn verjaard, nu er in de tussenliggende periode geen geldige stuitingshandeling door contractant of [executeur-testamentair] heeft plaatsgevonden. 5.6. De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [executeur-testamentair] op bekrachtiging ex artikel 3:69 BW slaagt en acht daarvoor het volgende redengevend. Als gevolg van het overlijden van contractant is de volmacht van Leaseproces geëindigd. Desondanks heeft Leaseproces nadien mede namens contractant (en diens eventuele erfgenamen) nog brieven aan Dexia verstuurd (onder andere in maart 2019 en oktober 2021). Leaseproces (en met haar Dexia) ging er van uit dat zij op dat moment nog steeds gevolmachtigde van contractant was. Lid 1 van het hiervoor genoemde artikel geeft de volmachtgever, waaronder tevens moet worden verstaan zijn rechtsopvolger, de mogelijkheid om met terugwerkende kracht alsnog een rechtshandeling te bekrachtigen. [executeur-testamentair] heeft Leaseproces op 11 april 2025 gevolmachtigd om namens haar op te treden en tevens om mogelijke stuitingshandelingen te bekrachtigen, aldus de als productie C bij dagvaarding overgelegde volmacht. Dexia heeft niet weersproken dat dit een geldige volmacht is, dat [executeur-testamentair] een dergelijke bevoegdheid toekomt en evenmin dat zij van deze volmacht op de hoogte is gebracht. Ook heeft Dexia niet weersproken dat zij zich pas in deze procedure op het standpunt stelt dat er geen sprake is van een geldige volmacht. Dit betekent dat een eventuele verjaring van de vordering van contractant steeds tijdig is gestuit. tussenpersoon 5.7. Contractant heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de [tussenpersoon] (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 5.8. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon contractant heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon contractant, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [executeur-testamentair] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [executeur-testamentair] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door contractant in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 5.9. [executeur-testamentair] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: “Contractant is voor het eerst in contact gekomen met de adviseur van [tussenpersoon] , de heer [adviseur] (…) omdat de adviseur de financiële situatie van contractant behartigde. Om die reden was de adviseur al op de hoogte van de financiële situatie van contractant. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wensen van contractant om een aanvulling op het pensioen te regelen, eerder te kunnen stoppen met werken en een verbouwing, renovatie of uitbreiding van de woning te kunnen bekostigen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om deze doelen te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur adviseerde Contractant om een AEX Plus Effect product van Bank Labouchere met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 50.000,- af te sluiten. Contractant diende hiervoor een hypothecaire lening af te sluiten en deze onder andere aan te wenden voor de vooruitbetaling van het AEX Plus Effect product. De adviseur ondersteunde zijn verhaal aan de hand van de rekenvoorbeelden. Uit de prognose (…) blijkt dat contractant na 5 jaar een bedrag van NLG 140.416,59 belastingvrij uitbetaald zou krijgen. Aan de hand van het CashFlow-overzicht (…) zijn de uitbetalingen van de opvolgende jaren opgesomd. Deze rekenvoorbeelden maakten alleen gebruik van positieve resultaten en hielden hierbij geen rekening met tegenvallende koersresultaten. De adviseur heeft Contractant niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als Contractant op deze risico’s gewezen was had hij het AEX Plus Effect nooit afgesloten. Contractant had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft Contractant het advies van de adviseur opgevolgd en een AEX Plus Effect overeenkomst met een vooruitbetaling van NLG 50.400,61 afgesloten.
Volledig
Ook heeft contractant conform het advies van de adviseur een hypothecaire lening afgesloten om de vooruitbetaling te bekostigen. (…) De aanvraag voor het AEX Plus Effect is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. (…) 5.10. [executeur-testamentair] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht: - een kopie van de overeenkomst van 7 november 2000 met contractnummer [contractnummer] , voorzien van de tekst: “Adviseur [adviseursnummer] - [adviseur] .” , - een “Prognose AEX Plus Effect” uitgaande van een vooruitbetaling van NLG 50.099,52 en een eerste betaling in januari 2000, voorzien van het logo van de tussenpersoon, - een “CashFlow AEX Plus Effect” uitgaande van een vooruitbetaling van NLG 50.099,52 en een eerste betaling in januari 2000, - de afrekening van [notariskantoor] van 30 november 2000, waaruit blijkt dat NLG 50.000,00 wordt gestort op “beleggersrekening Labouchere”, - een kopie van een uittreksel van de KvK van de tussenpersoon met als beschrijving van de werkzaamheden ‘assurantiemakelaardij bemiddeling bij financieringen, hypotheken etc’. aanhoudingsverzoek 5.11. Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen. 5.12. Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen. (nieuwe) argumenten Dexia 5.13. Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer: dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd; dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon; dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs. 5.14. Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [executeur-testamentair] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in het geval van contractant heeft [executeur-testamentair] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [executeur-testamentair] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [executeur-testamentair] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat Dexia volgens haar stellingen niet kan omschrijven hoe het volgens haar destijds is gegaan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen contractant en de adviseur van de tussenpersoon, maakt het voorgaande niet anders en komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals contractant en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt. wetenschap Dexia 5.15. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan contractant. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met contractant kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot contractant voor rekening van Dexia. aansprakelijkheid Dexia 5.16. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met contractant de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens hem onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan contractant omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia. vorderingen van [executeur-testamentair] 5.17. De door [executeur-testamentair] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens contractant heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon contractant niet alleen als klant aanbracht maar hem tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. De verklaring voor recht dat de restschuld niet verschuldigd is zal eveneens worden toegewezen. 5.18. De als gevolg hiervan door contractant geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [executeur-testamentair] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist.
Volledig
In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). [executeur-testamentair] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 24.300,21. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag. 5.19. Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590. 5.20. Gelet op het voorgaande behoeven eventuele andere door [executeur-testamentair] aangevoerde gronden geen nadere bespreking. het incidentele verzoek van Dexia 5.21. Dexia verzoekt dat [executeur-testamentair] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend. 5.22. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens contractant destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen. 5.23. De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [executeur-testamentair] worden begroot op € 87,00. vorderingen Dexia 5.24. Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen. proceskosten 5.25. Omdat [executeur-testamentair] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [executeur-testamentair] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [executeur-testamentair] worden begroot op: - dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00) - nakosten € 144,00 Totaal € 954,47 5.26. De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen. 6 De beslissing De kantonrechter in het incident van Dexia 6.1. wijst het verzoek af, 6.2. veroordeelt Dexia in proceskosten van [executeur-testamentair] , tot op heden begroot op € 87,00, in conventie 6.3. verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens contractant heeft gehandeld door contractant als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon contractant niet alleen als klant aanbracht maar hem tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, 6.4. verklaart voor recht dat contractant en iedere erfgenaam van contractant schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, 6.5. verklaart voor recht dat [executeur-testamentair] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is, 6.6. veroordeelt Dexia om aan [executeur-testamentair] te betalen een bedrag van € 24.300,21 ter zake schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.18., 6.7. veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen, 6.8. veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 6.9. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 6.10. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 6.11. wijst de vorderingen af, 6.12. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [executeur-testamentair] gevallen, tot op heden begroot op nihil. Aldus gewezen door mr. Piëtte, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862. Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379. Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882. Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.