Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-11
ECLI:NL:RBLIM:2026:1412
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
8,094 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1412 text/xml public 2026-02-20T12:59:35 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-11 C/03/341019 / HA ZA 25-166 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1412 text/html public 2026-02-20T12:54:34 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1412 Rechtbank Limburg , 11-02-2026 / C/03/341019 / HA ZA 25-166 Ruilovereenkomst ter zake landbouwpercelen en overeengekomen voorkeursrechten. Geen sprake van strijd met de goede zeden noch van omstandigheden die maken dat de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook de stelling dat de ruilovereenkomst en de overeengekomen voorkeursrechten zijn aangegaan onder invloed van een geestelijke stoornis wordt afgewezen. Het beroep van eisers op bedrog en dwaling volgt hetzelfde lot. Evenmin wordt onderschreven dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking of van een onrechtmatige daad. De in reconventie gevorderde opheffing van het door eisers gelegde conservatoir beslag wordt toegewezen. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/341019 / HA ZA 25-166 Vonnis van 11 februari 2026 in de zaak van 1 [persoon 1] , wonende te [plaats 1] , 2. [persoon 2] , wonende te [plaats 2] , eisers in conventie, verweerders in reconventie, advocaat: mr. G.E.E.M. van der Heijden, tegen [persoon 3] , wonende te [plaats 2] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat: mr. G.M.P. Strang. Partijen zullen hierna [partij 1] (afzonderlijk [persoon 1] en [persoon 2] ) en [partij 2] genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met producties 1 tot en met 11, - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 3, - de brief van 2 juli 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 12 tot en met 14, - de akte vermeerdering eis tevens inbreng nieuwe producties 15 tot en met 17 van [partij 1] - de mondelinge behandeling van 13 november 2025, waarvan door de griffier schriftelijk aantekeningen zijn gemaakt, - de spreekaantekeningen van mr. Van der Heijden. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [persoon 2] en [persoon 1] zijn broer en zus. 2.2. [partij 2] is een achterneef van [partij 1] 2.3. De vader van [partij 1] , de heer [erflater] , is op [datum] 2021 te [plaats 2] overleden (hierna: erflater). Erflater heeft [partij 1] bij testament van 24 september 2014 tot enige erfgenamen en executeurs van de nalatenschap benoemd die door hen zuiver is aanvaard. 2.4. Op of omstreeks 3 februari 2021 heeft erflater met [partij 2] een onderhandse ruilovereenkomst, zogenoemd de “ [de ruilovereenkomst] ” (hierna: de ruilovereenkomst) gesloten. In de ruilovereenkomst is (onder meer) vermeld dat partijen “(…) verklaren dat partij 1 (lees: [partij 2] ) draagt over aan partij 2 (lees: erflater), Enkele agrarische percelen cultuurgrond, gelegen nabij de [straat] te [plaats 2] kadastraal bekend: [kadastrale gegevens] , nummers [nummer 1] + [nummer 2] (…) verklaren dat partij 2 , draagt over aan partij 1, Een agrarisch perceel cultuurgrond, gelegen nabij de [straat] te [plaats 2] kadastraal bekend: [kadastrale gegevens] , [nummer 3] (…) Artikel 6 Feitelijke levering (…) 3. Partijen zijn voornemens het verkochte te gaan gebruiken als cultuurgrond. (…) Artikel 20 Overige bepalingen (…) Indien Partij 2 of diens rechtverkrijgenden onder algemene titel de [kadastrale gegevens] , nummers [nummer 4] , [nummer 1] , [nummer 5] en [nummer 2] , totaal groot ca. 1.04.40 ha. binnen 50 jaar na dagtekening van deze ruilovereenkomst geheel of gedeeltelijk wenst te vervreemden, is hij/zijn zij verplicht deze percelen of perceelsgedeelten eerst aan Partij 1 of diens rechtverkrijgenden onder algemene titel te koop aan te bieden. De alsdan te hanteren koopprijs wordt door Partijen nu reeds voor alsdan vastgesteld op een koopprijs van 17 per m2 k.k. Partijen zijn, voor de hiervoor vermelde duur geen indexering overeengekomen. (…) In geval van niet naleving van de onderhavige clausule verbeurt Partij 2 of diens rechtverkrijgenden onder algemene titel aan Partij 1 of diens rechtverkrijgenden onder algemene titel een boete ter hoogte van € 250.000,==, onverminderd het recht van Partij 1 of diens rechtverkrijgenden onder algemene titel op aanvullende schadevergoeding indien de door hem/hen geleden schade het bedrag van de boete overschrijdt. (…)” 2.5. De percelen, kadastraal bekend als: [kadastrale gegevens] , nummers [nummer 4] en [nummer 5] (hierna: de percelen [nummer 4] en [nummer 5] ), zijn al jaren eigendom van de (directe) familie van erflater en [partij 1] 2.6. Op 5 maart 2021 is ten overstaan van notaris mr. Fischer van Fischer & van Thoor notarissen te Gulpen-Wittem de akte van ruiling verleden, waarbij de notaris mr. König als schriftelijke gevolmachtigde van [partij 1] heeft gehandeld. In de notariële akte staat (onder andere) het volgende vermeld: “(…) VESTIGEN KWALITATIEVE VERPLICHTING Partij 1 (lees: [partij 2] ) en 2 (lees: [partij 1] ) nemen de volgende kwalitatieve verplichting op zich als bedoeld - in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek, casu quo verplichting, gesecureerd door een kettingbeding om: Indien partij 2 of diens rechtverkrijgenden onder algemene titel de in eigendom verkregen kadastrale percelen [kadastrale gegevens] [nummer 1] , groot zeven are en twaalf centiare; [kadastrale gegevens] [nummer 2] , groot vijfentwintig are en vijfenzestig centiare (…) [kadastrale gegevens] [nummer 4] , groot twee are drie en dertig centiare; [kadastrale gegevens] [nummer 5] , groot negen en zestig are en dertig centiare (…) binnen vijftig jaar na dagtekening van deze ruilovereenkomst geheel of gedeeltelijk wenst te vervreemden, is hij/zijn zij verplicht deze percelen of perceelsgedeelten eerst aan partij 1 of diens rechtsverkrijgenden onder algemene titel te koop aan te bieden. De alsdan te hanteren koopprijs wordt door partijen nu reeds voor alsdan vastgesteld op een koopprijs van zeventien euro (€ 17,00) per vierkante meter kosten koper. Partijen zijn voor de hiervoor vermelde duur geen indexering overeengekomen. (…) (…) Partij 2 is voorts verplicht vorengemelde verplichtingen/bedingen na te komen, alsmede bij verkoop of vervreemding van het verkochte en bij elke verlening, van een zakelijk genotsrecht op het verkochte, het in vorengemelde bepalingen bepaalde en het in deze en de volgende zin bepaalde, bij wijze van kettingbeding aan de opvolgende eigenaar of zakelijk gerechtigde op te leggen en te bedingen ten behoeve van partij 1. Bij niet nakoming van deze verplichtingen, alsmede van de verplichting om het aan een opvolgende eigenaar of zakelijk gerechtigde op te leggen, verbeurt partij 2 of de opvolgende eigenaar, dan wel de zakelijk gerechtigde die deze verplichtingen overtreedt, ten behoeve van de verkoper een boete ten bedrage van tweehonderd vijftigduizend euro (€ 250.000,00) onverminderd het recht van partij 1 of diens rechtsverkrijgenden onder algemene titel op aanvullende schadevergoeding indien de door hem/hen geleden schade het bedrag van de boete overschrijdt. (…)” 2.7. [partij 1] hebben bij brief van 31 oktober 2024 aan [partij 2] medegedeeld dat zij zich onlangs in de ruilovereenkomst hadden verdiept en hem verzocht om vrijwillig mee te werken aan de ontbinding van de ruilovereenkomst. [partij 2] heeft dit bij e-mail van 14 november 2024 geweigerd. 2.8. [partij 1] hebben op 27 november 2024 de voorzieningenrechter verzocht verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag op het perceel, kadastraal bekend als: [kadastrale gegevens] , nummers [nummer 3] (hierna: het perceel [nummer 3] ), tot een bedrag van € 410.998,80 (inclusief de wettelijke rente). De voorzieningenrechter heeft het verzoek van [partij 1] toegewezen onder de voorwaarde dat de eis in de hoofdzaak wordt ingesteld binnen achtentwintig dagen na de beslaglegging, waarna het beslag op 29 november 2024 is gelegd. 2.9.
Volledig
[partij 2] is voornemens om zijn agrarisch bedrijf in Nederland te staken en een agrarisch bedrijf in Canada te gaan exploiteren. Hij is op dit moment nog in afwachting van zijn visum om naar Canada te emigreren. 3 Het geschil in conventie 3.1. [partij 1] vorderen, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair I. Voor recht verklaart dat de in de ruilovereenkomst opgenomen voorkeursrechten op de benoemde percelen grond, [kadastrale gegevens] , nummers [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 1] en [nummer 2] a. nietig zijn, en als zodanig moeten worden opgeheven en doorgehaald in de registers; en b. niet van toepassing zijn, althans buiten toepassing blijven, nu zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, gelet op de feiten en omstandigheden die [partij 1] daartoe hebben aangevoerd; Alsook [partij 2] veroordeelt tot: c. het, binnen 14 dagen na de datum van het vonnis in deze zaak, opheffen en doorhalen in de registers van de in de ruilovereenkomst opgenomen voorkeursrechten op de benoemde percelen grond, [kadastrale gegevens] , nummers [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 1] en [nummer 2] , en te bepalen dat als [partij 2] in gebreke blijft met het voldoen aan die veroordeling dit vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke wilsverklaring en/of handtekening van [partij 2] in de opdracht tot het opheffen en doorhalen van die voorkeursrechten in de zin van artikel 3:300 BW, met veroordeling van [partij 2] in de kosten van die opheffing en doorhaling. Subsidiair II. Voor recht verklaart dat de ruilovereenkomst, inclusief de gevestigde voorkeursrechten op diverse percelen grond, rechtsgeldig vernietigd is waardoor er voor de betrokken partijen ter ongedaanmaking de volgende verplichtingen ontstaan: a. [partij 2] levert binnen twee weken na het wijzen van het vonnis in deze zaak de percelen grond [kadastrale gegevens] [nummer 3] aan de [partij 1] ; b. [partij 1] leveren binnen twee weken na het wijzen van het vonnis in deze zaak de percelen grond [kadastrale gegevens] nummers [nummer 1] en [nummer 2] aan [partij 2] ; c. [partij 1] betalen binnen twee weken na het wijzen van het vonnis in deze zaak bij levering van de percelen grond over en weer genoemd onder a. en b. een bedrag van € 237.541,= aan [partij 2] ; d. De ten behoeve van [partij 2] in de registers geschreven voorkeursrechten op de percelen grond [kadastrale gegevens] nummers [nummer 1] en [nummer 2] en [nummer 4] en [nummer 5] worden binnen twee weken na het wijzen van het vonnis in deze zaak opgeheven en doorgehaald in de registers. Alsook [partij 2] veroordeelt tot: e. (i) het, binnen 14 dagen na de datum van het vonnis in deze zaak, leveren aan de [partij 1] van de percelen grond [kadastrale gegevens] [nummer 3] , én (ii) het binnen 14 dagen na de datum van het vonnis in deze zaak opheffen en doorhalen in de registers van de in de ruilovereenkomst opgenomen voorkeursrechten op de benoemde percelen grond, [kadastrale gegevens] , nummers [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 1] en [nummer 2] , en te bepalen dat als [partij 2] in gebreke blijft met het voldoen aan die veroordelingen dit vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [partij 2] in de akte van levering respectievelijk de opdracht tot het opheffen en doorhalen van die voorkeursrechten in de zin van artikel 3:300 BW, met veroordeling van [partij 2] in de kosten van de notaris en de kosten van die opheffing en doorhaling. Meer subsidiair III. a. Voor recht verklaart, in het geval dat de vorderingen hierboven genoemd onder 1. en 2. niet worden toegewezen, dat [partij 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens erflater/ [partij 1] en zich ten koste van hen ongerechtvaardigd heeft verrijkt, zodat hij uit dien hoofde schadeplichtig is jegens [partij 1] en [partij 2] veroordeelt tot betaling van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. b. [partij 2] veroordeelt tot betaling aan [partij 1] van € 300.000,00, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, ten titel van voorschot op die schade. Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair IV. [partij 2] veroordeelt in de kosten van deze procedure. 3.2. [partij 2] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [partij 2] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [partij 1] veroordeelt om het conservatoir beslag dat zij gelegd hebben op het perceel bekend [kadastrale gegevens] , [nummer 3] , groot 17.250 m2, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op te heffen en opgeheven te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per dag of dagdeel dat zij in gebreke blijven daar aan te voldoen, met een maximum van € 30.000,00, II. [partij 1] veroordeelt in de kosten van deze procedure, onder bepaling dat de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd worden wanneer deze niet binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis zijn betaald, met veroordeling in de nakosten van deze procedure. 3.5. [partij 1] voeren verweer. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling In conventie 4.1. Primaire vorderingen Strijd met de goede zeden? 4.1.1. [partij 1] stellen (primair) dat de in de ruilovereenkomst opgenomen voorkeursrechten op de percelen [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 1] en [nummer 2] in strijd met de goede zeden zijn en daarmee op grond van artikel 3:40 lid 1 BW nietig zijn. [partij 1] betogen daartoe het volgende. 4.1.2. Volgens [partij 1] zijn de voorkeursrechten onder absurde voorwaarden overeengekomen. Niet alleen ligt de prijs van € 17,00 per vierkante meter fors onder de marktwaarde gezien de gemiddelde prijzen die destijds voor de grond ter plaatse betaald werden, maar is deze ook nog niet eens geïndexeerd, en dát voor de duur van vijftig jaar, een zeer lange periode. De marktprijs voor agrarische grond bedroeg ten tijde van het sluiten van de ruilovereenkomst namelijk € 30,00 per vierkante meter, aldus [partij 1] Volgens [partij 1] kon voor het bepalen van de grondprijs niet worden uitgegaan van een gemiddelde grondprijs, maar moest hierin de verwachting betrokken worden dat de waarde van de grond zou stijgen bij een mogelijke wijziging van het bestemmingsplan. Daarbij gelden de voorkeursrechten ook voor de percelen [nummer 4] en [nummer 5] , terwijl deze percelen geen onderdeel uitmaken van de geruilde percelen en al jaren onderdeel uitmaken van de familie van [partij 1] die erflater wilde behouden voor [partij 1] Verder betogen [partij 1] dat [partij 2] ten tijde van het sluiten van de ruilovereenkomst al de intentie had om de grond aan derden uiteindelijk tegen een hogere prijs per vierkante meter te verkopen om vervolgens naar Canada te emigreren. [partij 2] zou daarom bij het sluiten van de ruilovereenkomst niet de insteek hebben gehad om zijn bedrijf toekomstbestendig te maken, zoals hij erflater heeft doen voorkomen, aldus [partij 1] 4.1.3. [partij 2] betwist dat de voorkeursrechten in strijd met de goede zeden zijn, waarover hierna meer. 4.1.4. De rechtbank overweegt dat een rechtshandeling op grond van artikel 3:40 BW nietig kan zijn wegens strijd met de goede zeden. Deze nietigheid vindt haar grondslag in de onzedelijke strekking van de rechtshandeling. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de onzedelijke gevolgen van de rechtshandeling voor anderen (bij een overeenkomst: voor de wederpartij) te voorzien of kenbaar waren, of als de onzedelijke motieven van de handelende partij voor anderen kenbaar waren. De rechtbank dient bij de beoordeling hiervan, zoals door [partij 2] tijdens de mondelinge behandeling is benadrukt, tot uitgangspunt te nemen wat de situatie was ten tijde van het sluiten van de ruilovereenkomst. 4.1.5. [partij 2] betwist dat hij ten tijde van het sluiten van de ruilovereenkomst in 2021 de intentie had om zijn agrarisch bedrijf te staken en naar Canada te emigreren.
Volledig
[partij 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat dit voornemen pas in 2023 – na een uitspraak van de Raad van State ter zake pluimveehouderijen – ontstond. Door deze uitspraak waren de stallen van [partij 2] naar eigen zeggen niet meer emissiearm en werd [partij 2] aangemerkt als vierhonderdvijftig procent piekbelaster, waardoor hij geen financiering meer kreeg en genoodzaakt was zijn bedrijf te staken. In het licht van deze gemotiveerde betwisting is dan ook onvoldoende komen vast te staan dat [partij 2] ten tijde van het sluiten van de ruilovereenkomst al de intentie had om zijn bedrijf te staken en de grond te verkopen aan derden. Hiervoor zijn ook andere aanknopingspunten, waartoe het volgende. 4.1.6. [partij 2] heeft betwist dat de overeengekomen prijs van € 17,00 per vierkante meter onder de op dat moment geldende marktwaarde lag. [partij 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat niet hij, maar erflater zelf een prijs van € 17,00 per vierkante meter initieerde, omdat dit tweemaal de op dat moment geldende marktwaarde per vierkante meter bedroeg en hiermee tegemoet werd gekomen aan de voorwaarde van [partij 2] om het voorkeursrecht voor de duur van vijftig jaar te verkrijgen. Dat [partij 1] zich op het standpunt stellen dat omringende percelen tegen een hogere prijs per vierkante meter zijn verkocht, doet aan het voorgaande niets af. Immers, nog daargelaten dat erflater en [partij 2] als contractanten vrij waren invulling te geven aan de door [partij 1] gewraakte overeenkomst – de rechtbank komt hierna nog terug op dit punt – is niet gebleken dat de prijs van € 17,00 per vierkante meter zodanig afwijkt dat dit – wat hier verder ook van zij – zonder meer strijd zou opleveren met de goede zeden. Zo blijkt uit de door [partij 1] overgelegde publicatie van de Rabobank van 3 juni 2025 juist dat de agrarische grondprijs in 2025 € 9,13 per vierkante meter bedraagt. Weliswaar kan dit regionaal en lokaal weer anders zijn, maar voor strijd met de goede zeden als bedoeld in artikel 3:40 BW geldt een zeer hoge drempel, een drempel die [partij 1] met de hier ingenomen standpunten niet weten te beslechten. Dat geldt ook voor de stelling van [partij 1] dat de omstandigheid dat de voorkeursrechten ook gelden voor de percelen [nummer 4] en [nummer 5] strijdigheid zou opleveren met de goede zeden. Evenmin valt in te zien dat de bedongen voorkeursrechten volgens [partij 1] moeten worden gezien als een gift/schenking en daarmee kwalificeren als een constructie om de belasting te ontduiken, reeds om reden dat de ruilovereenkomst ziet op wederkerige prestaties. Gelet op al het voorgaande wordt het beroep op artikel 3:40 BW verworpen. Strijd met de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid? 4.1.7. [partij 1] stellen verder (primair) dat de in de ruilovereenkomst opgenomen voorkeursrechten in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW en niet van toepassing zijn, althans buiten toepassing moeten worden gelaten. [partij 1] hebben aan hun beroep op artikel 6:248 lid 2 BW niet meer of andere feiten ten grondslag gelegd dan aan hun beroep op artikel 3:40 BW. 4.1.8. Gelet op hetgeen de rechtbank onder rechtsoverweging 4.1.4. tot en met 4.1.6. heeft overwogen ten aanzien van het door [partij 1] gedane beroep op artikel 3:40 BW is niet gebleken van omstandigheden die maken dat de bedongen voorkeursrechten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Ook hier geldt dat de lat zeer hoog ligt. Het beroep van [partij 1] op de redelijkheid en billijkheid faalt dan ook, waarbij de rechtbank ook de hierna volgende overwegingen in acht neemt. De rechtbank zal de primaire vordering van [partij 1] derhalve afwijzen. 4.2. Subsidiaire vorderingen Onder invloed van een geestelijke stoornis? 4.2.1. [partij 1] betogen (subsidiair) dat erflater de ruilovereenkomst is aangegaan onder invloed van een geestesstoornis waardoor zijn wil ontbrak en de ruilovereenkomst op grond van artikel 3:34 lid 1 BW vernietigbaar is. Volgens [partij 1] zou erflater ten tijde van het sluiten van de ruilovereenkomst als gevolg van zijn ziekte verzwakt zijn geweest, waardoor hij niet meer in staat was te overzien waarmee hij instemde en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. [partij 1] betogen dat erflater op het moment dat hij wel helder van geest zou zijn geweest, de ruilovereenkomst niet onder deze voorwaarden zou zijn gesloten, omdat hij goed op de hoogte was van de op dat moment geldende waarde(ontwikkelingen) van de percelen en de percelen [nummer 4] en [nummer 5] juist aan [partij 1] (en hun kinderen) wilde doen verkrijgen. [partij 2] betwist dat erflater de ruilovereenkomst onder invloed van een geestelijke stoornis heeft gesloten. 4.2.2. Als uitgangspunt geldt dat het op de weg van [partij 1] ligt om voldoende onderbouwd te stellen en indien nodig te bewijzen (i) dat de geestelijke stoornis bij erflater aanwezig was op het moment van het sluiten van de ruilovereenkomst en (ii) dat in verband daarmee zijn wil tot het aangaan van die ruilovereenkomst heeft ontbroken. Bij dit tweede onderdeel geldt dat een rechtshandeling wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien. 4.2.3. De rechtbank is het met [partij 2] eens dat niet aannemelijk is geworden dat op het moment van het sluiten van de ruilovereenkomst bij erflater een geestelijke stoornis aanwezig was. Dat erflater kort na het sluiten van de overeenkomst is overleden, maakt dat niet naders. Zo hebben [partij 1] nagelaten hun standpunt te onderbouwen met medische bescheiden waaruit blijkt dat erflater geestelijk niet in staat was om de ruilovereenkomst aan te gaan. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat [partij 2] tijdens de mondelinge behandeling onbetwist heeft toegelicht dat het initiatief tot de overeenkomst met [partij 2] van erflater kwam; erflater is naar de woning van [partij 2] gereden om te spreken over de ruil van de percelen. Nu niet vast is komen te staan dat erflater ten tijde van het sluiten van de ruilovereenkomst een geestelijke stoornis had, wordt niet toegekomen aan de vraag of sprake is van het wettelijk vermoeden (zoals hiervoor onder ii vermeld). Het beroep op artikel 3:34 BW faalt. De rechtbank komt om die reden ook niet toe aan de beoordeling van het verjaringsverweer op grond van artikel 3:52 lid 1 onder a BW van [partij 2] . Bedrog? 4.2.4. [partij 1] voeren verder (subsidiair) aan dat de ruilovereenkomst vernietigbaar is op grond van bedrog (artikel 3:44 lid 3 BW). Volgens [partij 1] stond in de ruilovereenkomst aanvankelijk vermeld dat partijen voornemens waren om de grond te gaan gebruiken als cultuurgrond; in de nadien verleden notariële akte staat dit echter niet opgenomen. [partij 1] stellen dat [partij 2] het aan erflater bewust heeft doen voorkomen dat hij de grond alleen zou gebruiken voor de toekomstbestendigheid van zijn bedrijf en er geen andere bestemming zou komen en/of de grond aan derden zou worden verkocht. [partij 2] heeft hierdoor een kunstgreep toegepast, aldus [partij 1] Verder betogen [partij 1] dat hieruit ook blijkt dat [partij 2] bij de totstandkoming van de ruilovereenkomst onjuiste mededelingen heeft gedaan jegens erflater, omdat hij erflater “verteld [zou] kunnen hebben” dat nooit (meer) een andere bestemming aan de percelen grond zal worden toegekend en de prijs van € 17,00 per vierkante meter marktconform is. [partij 2] betwist dat sprake is van bedrog. 4.2.5. Voor een geslaagd beroep op bedrog is vereist dat iemand opzettelijk een ander beweegt tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling door het doen van onjuiste mededelingen, het verzwijgen van feiten die medegedeeld hadden moeten worden of het doen van een andere kunstgreep. Tevens moet sprake zijn van een causaal verband tussen de mededeling of verzwijging en het verrichten van de rechtshandeling.
Volledig
De rechtbank dient bij de beoordeling het moment van het aangaan van de overeenkomst tot uitgangspunt te nemen. 4.2.6. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat [partij 2] op het moment van het sluiten van de ruilovereenkomst een onjuiste mededeling of kunstgreep heeft gedaan. Zoals reeds hiervoor is overwogen in het kader van de beoordeling van de vraag of sprake is van strijd met de goede zeden of van omstandigheden die maken dat de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, had [partij 2] in 2021 nog niet de intentie om zijn bedrijf te staken en naar Canada te emigreren en ontstond dit voornemen pas in 2023. Dat partijen in de ruilovereenkomst zijn overeengekomen dat er een “voornemen” is om de grond als cultuurgrond te gebruiken, sluit niet uit dat dit later – bij gewijzigde omstandigheden – anders kan zijn zoals in casu . Dit kan niet worden aangemerkt als een kunstgreep of onjuiste mededeling. Ook is niet komen vast te staan dat [partij 2] erflater heeft bewogen tot het aangaan van de gewraakte overeenkomst, nu [partij 2] die stelling gemotiveerd heeft betwist door te zeggen dat juist erflater het aangaan van de overeenkomst initieerde. De stelling van [partij 1] dat sprake is van bedrog wordt daarom verworpen. Nu bedrog niet is komen vast te staan, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het beroep van [partij 2] op verjaring op grond van artikel 3:52 lid 1 onder c BW. Dwaling? 4.2.7. [partij 1] doen ook een beroep op dwaling in de zin van artikel 6:228 BW op grond waarvan de ruilovereenkomst vernietigbaar is. [partij 1] hebben aan hun beroep op dwaling niet meer of andere feiten ten grondslag gelegd dan aan hun beroep op bedrog. 4.2.8. Op grond van artikel 6:228 BW is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten vernietigbaar als de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, of als de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten. De stelplicht en bewijslast hiervan ligt op [partij 1] 4.2.9. Om dezelfde reden als het beroep op bedrog gaat het beroep van [partij 1] op dwaling niet op. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de gemotiveerde betwistingen van [partij 2] , onvoldoende komen vast te staan dat sprake is geweest van een schending van een mededelingsplicht dan wel van het verstrekken van onjuiste inlichtingen. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen in rechtsoverweging 4.2.6. Aan de overige voorwaarden van artikel 6:228 BW wordt om die reden niet meer toegekomen. De rechtbank komt ook niet toe aan de vraag of sprake is van verjaring op grond van artikel 3:52 lid 1 onder c BW, omdat geen sprake is van dwaling. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de subsidiaire vordering onder II afwijzen. 4.3. Meer subsidiaire grondslagen Ongerechtvaardigde verrijking? 4.3.1. Meer subsidiair vorderen [partij 1] schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). Op grond van artikel 6:212 BW is hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Volgens [partij 1] wordt [partij 2] door het verwerven van de betreffende percelen tegen een prijs van € 17,00 per vierkante meter en de voornoemde voorkeursrechten ongerechtvaardigd verrijkt, [partij 1] echter worden hierdoor verarmd, omdat hun de kans wordt ontnomen om in de toekomst een aanzienlijke vermogenswinst te realiseren. [partij 2] betwist dat sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking. 4.3.2. De rechtbank is met [partij 2] van oordeel dat geen sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking. Nog daargelaten de vraag of sprake is van een verrijking, kan niet worden vastgesteld dat deze verrijking ongerechtvaardigd is, nu de overeenkomst haar grondslag vindt in een rechtshandeling, te weten in de gesloten ruilovereenkomst. De vordering van [partij 1] ligt om die reden voor afwijzing gereed. Onrechtmatige daad? 4.3.3. [partij 1] hebben tevens aan hun (meer subsidiaire) vordering ten grondslag gelegd dat [partij 2] een onrechtmatige daad jegens hen heeft gepleegd (artikel 6:162 BW), maar hebben zij nagelaten die stelling te onderbouwen. Alleen al om die reden – voor het overige wordt verwezen naar al het voorgaande – zal ook de (meer subsidiaire) vordering onder III worden afgewezen. 4.4. Proceskosten 4.4.1. [partij 1] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 2] worden begroot op: - griffierecht € 2.626,00 - salaris advocaat € 5.428,00 (2 punten × € 2.714,00) - nakosten € 278,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 8.332,00 4.4.2. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. In reconventie 4.5. Opheffen conservatoir beslag? 4.5.1. [partij 2] betoogt dat – voor zover de vorderingen in conventie worden afgewezen –het op 29 november 2024 gelegde conservatoir beslag moet worden opgeheven, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom. Volgens [partij 2] hebben [partij 1] namelijk geen belang meer bij het gelegde beslag op het moment dat de vorderingen in conventie die zien op de vordering waarvoor het beslag is gelegd worden afgewezen. 4.5.2. Op grond van artikel 704 lid 2 Rv vervalt het conservatoir beslag van rechtswege nadat de uitspraak waarbij de eis in de hoofdzaak is afgewezen in kracht van gewijsde gaat. Dat is nu (nog) niet het geval. Derhalve geldt de regeling van artikel 705 Rv. Op grond van dit artikel kan de opheffing van een conservatoir beslag worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag moet altijd een belangenafweging plaatsvinden. 4.5.3. Naar het oordeel van de rechtbank is, gezien de afwijzing van de vorderingen in conventie, summierlijk de ondeugdelijkheid van het beslag gebleken op grond waarvan het beslag in beginsel moet worden opgeheven. Nu tegen deze afwijzing nog hoger beroep openstaat, volstaat dit echter niet om tot definitieve opheffing over te gaan, zodat een belangenafweging dient te worden gemaakt. Deze leidt echter niet tot een ander oordeel. [partij 2] wil op korte termijn zijn bedrijf staken en naar Canada emigreren en heeft er belang bij dat het beslag op zijn perceel [nummer 3] wordt opgeheven. Het belang van [partij 2] bij opheffing van het beslag weegt om die reden zwaarder dan het belang van [partij 1] bij handhaving hiervan. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het beslag opheffen. Nu de rechtbank het beslag op grond van artikel 705 Rv zelf zal opheffen is er geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom. 4.5.4. De vordering tot het verbieden van [partij 1] tot het leggen van nieuwe beslagen ter zake het onderliggende geschil tussen partijen zal, gelet op al het voorgaande, worden afgewezen en gaat overigens ook te ver. Wel zullen [partij 1] bij een eventueel nieuw verzoek om verlof tot het leggen van beslag(en) ter zake het onderliggende geschil tussen partijen in het kader van artikel 21 Rv dit vonnis dienen over te leggen aan de voorzieningenrechter aan wie verlof wordt gevraagd. Voorshands bestaat geen grond om te veronderstellen dat [partij 1] zich daaraan niet zullen houden, zodat een veroordeling op dit punt niet nodig wordt geacht. 4.6. De proceskosten 4.6.1. [partij 1] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 2] worden begroot op: - salaris advocaat € 5.428,00 (2 punten × € 2.714,00) Totaal € 5.428,00 4.6.2.