Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-04
ECLI:NL:RBLIM:2026:1186
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
24,994 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1186 text/xml public 2026-02-05T14:38:29 2026-02-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-04 03.089393.23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Roermond Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1186 text/html public 2026-02-05T14:37:57 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1186 Rechtbank Limburg , 04-02-2026 / 03.089393.23 De verdachte heeft zich gedurende drie maanden samen met medeverdachten schuldig gemaakt aan meerdere opzettelijke brandstichtingen (en een poging daartoe). Het ging hierbij om auto’s die voor de woning van de slachtoffers geparkeerd stonden en de toegangspoort van een kasteel. De rechtbank beschouwt de verdachte als de organisator die handelde in opdracht van een ander. De verdachte is voor één van de tenlastegelegde brandstichtingen vrijgesproken. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf op van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank een beslissing genomen over de gevorderde schadevergoedingen. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03.089393.23 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 4 februari 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1981, wonende te [adres 1] . De verdachte (hierna ook genoemd: [verdachte] ) wordt bijgestaan door mr. C.C. Haanappel, advocaat kantoorhoudende te Venlo, waarnemend voor mr. M.P.J.C. Heuvelmans. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 17 en 18 december 2025. Op 28 januari 2026 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De verdachte en zijn advocaat zijn verschenen op de inhoudelijke behandeling. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De benadeelde partijen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] en hun raadsman mr. Acda, advocaat kantoorhoudende te Roermond, zijn op de zitting gehoord. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld. Deze strafzaak wordt gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen: [medeverdachte 1] (parketnummer: 03.087505.23); [medeverdachte 2] (parketnummer: 03.089351.23); [medeverdachte 3] (parketnummer: 03.087600.23). 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Feit 1: op 29 december 2022 te Leudal samen met een ander of anderen opzettelijk brand heeft gesticht aan (een) personenauto(’s), waarbij die personenauto(’s) en een (voor)deur en/of een of meerdere kozijnen en/of ramen van de woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand en waardoor onder meer gemeen gevaar is ontstaan voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. Feit 2: op 15 januari 2023 te Leudal geprobeerd heeft samen met een ander of anderen opzettelijk brand te stichten aan een personenauto, waardoor onder meer gemeen gevaar is ontstaan voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. Feit 3: op 21 januari 2023 te Leudal ( [adres 2] ) samen met een ander of anderen opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een (toegangs)poort ten gevolge waarvan die (toegangs)poort geheel of gedeeltelijk is verbrand en waardoor onder meer gemeen gevaar is ontstaan voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen ( primair ) dan wel samen met een ander of anderen de brandstichting heeft uitgelokt ( subsidiair ). Feit 4: op 4 maart 2023 te Leudal geprobeerd heeft samen met een ander of anderen brand te stichten aan een personenauto, waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten zou zijn ( primair ) dan wel samen met een ander of anderen de brandstichting heeft uitgelokt ( subsidiair ). Feit 5: op 29 maart 2023 te Leudal samen met een ander of anderen opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto, waarbij die personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand en waardoor onder meer gemeen gevaar is ontstaan voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen ( primair ) dan wel samen met een ander of anderen de brandstichting heeft uitgelokt ( subsidiair ). 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd overeenkomstig het overgelegde requisitoir en de daarin benoemde bewijsmiddelen. Hij acht alle tenlastegelegde feiten, in primaire variant, wettig en overtuigend bewezen, te weten dat de verdachte in vereniging de brandstichtingen en de pogingen daartoe heeft gepleegd. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] zijn samen de spil van alle brandstichtingen. Samen bespreken ze, bereiden ze voor en komen ze tot de uitvoering van de specifieke opdrachten. Er is een voorverkenning, maar ook overleg wanneer en hoe het feit moet worden gepleegd. Er is sprake van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking, waarbij er sprake is van een bijdrage van voldoende gewicht, dat het handelen van de verdachte als medeplegen is te kwalificeren. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft, zoals opgenomen in de overgelegde schriftelijke pleitaantekeningen, vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten. Concluderend is aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de brandstichtingen. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Het strafrechtelijk onderzoek, met de naam Recuerdo, ziet op een vijftal brandstichtingen, dan wel pogingen daartoe, in de periode van donderdag 29 december 2022 tot en met woensdag 29 maart 2023. Gedurende het onderzoek zijn zeven personen als verdachte aangemerkt, te weten [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [naam 8] , [naam 9] en [naam 10] . In de loop van het onderzoek komt naar voren dat deze (pogingen tot) brandstichtingen vermoedelijk verband met elkaar hebben en dat in wisselende samenstelling één of meerdere verdachten daarbij betrokken waren. Daarbij is telkens dezelfde familie slachtoffer geworden, te weten de familie [familienaam 1] / [familienaam 2] , bestaande uit mevrouw [familienaam 1] (en haar echtgenoot de heer [naam 11] ) en haar dochter mevrouw [familienaam 2] met haar gezin (bestaande uit haar echtgenoot de heer [naam 12] en hun drie kinderen). Uit de verklaringen van de aangevers in het dossier blijkt dat in mei 2016 mevrouw [familienaam 1] [woning] , gelegen aan de [adres 2] , aan [naam 8] en zijn echtgenote heeft verkocht. Contractueel werd vastgelegd dat mevrouw [familienaam 1] in het [woning] mocht blijven wonen. Sinds 2018 wonen (ook) mevrouw [familienaam 2] en haar gezin in het bijgebouw van het [woning] . Volgens de verklaringen van aangevers verslechterde de relatie tussen de familie [familienaam 1] / [familienaam 2] en [naam 8] na het overlijden van de echtgenote van [naam 8] . Daarnaast kwam de kleinzoon van [naam 8] in het [woning] wonen, wat leidde tot overlast. Volgens aangevers uitte [naam 8] sindsdien diverse beschuldigingen van diefstal aan het adres van [familienaam 1] . Ook was sprake van verbale agressie en bedreigingen richting [familienaam 1] en [familienaam 2] , waarbij hij onder andere dreigde ‘zigeuners op hen af te sturen’. Op basis van dit conflict bestaat bij aangevers het vermoeden dat [naam 8] vervolgens personen heeft ingezet om de branden te stichten en de familie [familienaam 1] / [familienaam 2] schrik aan te jagen. Naar aanleiding van analyse van zendmast- en telecomgegevens werden diverse telefoonnummers afgeluisterd en opgenomen en zijn de verschillende verdachten bij de politie in beeld gekomen. De rechtbank zal eerst de afzonderlijke branden bespreken en daarbij acht slaan op wie daarbij betrokkenheid had. Vervolgens zal de rechtbank bepalen wat de onderlinge rolverdeling was en of er al dan niet sprake was van medeplegen.
Volledig
Ter bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, mede gelet op de omvang van de bewijsmiddelen, zijn de relevante bewijsmiddelen apart opgenomen in bijlage II. Op grond van die bewijsmiddelen zijn volgens de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. 29 december 2022 (feit 1) Op donderdag 29 december 2022 omstreeks 01:57 uur werden aangeefster [familienaam 1] en haar echtgenoot [naam 11] in hun woning aan de [adres 3] , gewekt door een telefoontje van hun dochter, die op camerabeelden zag dat hun auto in brand stond. Vanaf de overloop nam de aangeefster waar dat twee auto’s op de oprit in brand stonden, waarbij de vlammen een hoogte van twee meter hadden bereikt. Vanwege de hevige rookontwikkeling, het dreigende ontploffingsgevaar en de vrees dat het vuur zou overslaan naar de woning, hebben de bewoners de woning niet verlaten. De brand aan de twee auto’s is vervolgens door de brandweer geblust. Uit forensisch onderzoek bleek dat de auto’s door het vuur waren aangetast en gesmolten. Daarnaast werd schade aan de woning geconstateerd, waaronder hittebreuken in de ruiten naast de voordeur en aangetaste, bruin verkleurde kozijnen. De onderzoekers stelden vast dat er twee afzonderlijke brandhaarden waren tussen de voertuigen aan de voor- en achterzijde en dat zeer waarschijnlijk sprake is van brandstichting. Omdat motorvoertuigen doorgaans zeer fel branden met een grote hitteontwikkeling, bestond gezien de locatie van de auto’s een direct gevaar voor uitbreiding van de brand. Geconcludeerd werd dat sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. Op het moment van het uitbreken van de brand lagen de bewoners in de woning te slapen. Op basis van de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 3] kan worden geconcludeerd dat [verdachte] destijds gebruikmaakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en [medeverdachte 3] van [telefoonnummer 2] . Het politieonderzoek heeft voorts uitgewezen dat [medeverdachte 2] de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Dit volgt uit het feit dat [medeverdachte 2] met dit telefoonnummer op donderdag 24 november 2022 om 01:12 uur een melding heeft gedaan bij de politiemeldkamer met betrekking tot een incident op het adres [adres 4] . Daarnaast had, zoals hierna zal worden geoordeeld, dit telefoonnummer in de nacht van 21 januari 2023 (feit 3) veelvuldig contact met [verdachte] , verplaatste dit telefoonnummer zich die nacht gelijktijdig met de bij feit 3 gebruikte Opel Vectra en concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 2] in deze Opel Vectra heeft gezeten. Daarnaast heeft [verdachte] het rond die tijd in een bericht naar [medeverdachte 3] erover dat ze beter op ‘die lange’ kunnen wachten, want die wil het wel doen en [medeverdachte 2] is lang, te weten 2.10 meter. Ook noemde [medeverdachte 2] zichzelf ‘lange’ toen hij de telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (dat aan hem gekoppeld is door middel van stemherkenning) opnam met ‘Advocatenkantoor De Lange’. Met deze vaststellingen kan worden geconstateerd op basis van de informatie uit de telefoon van [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 3] en [verdachte] op 28 december 2022 met elkaar belden rond 17.21 uur. [verdachte] heeft in een van die gesprekken gezegd dat hij ‘hem’ niet kan bereiken en dat hij anders voor niets rijdt. [medeverdachte 3] antwoordde daarop dat hij tot 18:00 uur afwacht, dan komt en ernaartoe rijdt. Vervolgens laten de onderzochte telecomgegevens en zendmastgegevens zien dat de telefoons van [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 28 december 2022 vanaf 11:00 uur veelvuldig contact met elkaar hadden. Die middag bevonden de telefoons van [medeverdachte 3] en [verdachte] zich eerst in Veghel tussen 11:47 en 13:13 uur, waarna zij zich aan het eind van de middag, tussen 17:22 en 17:56 uur, allebei in Sint-Oedenrode bevonden. In de vroege avond verplaatsten zij zich richting het zuiden. Terwijl [medeverdachte 3] vanaf 18:47 uur vanuit Eindhoven richting Limburg reisde, volgden [verdachte] en [medeverdachte 2] rond 18:53 uur dezelfde route. [medeverdachte 2] werd om 19:42 uur en 19:56 uur gesignaleerd door een zendmast in Neer ( [straat 1] ). Ook [verdachte] bevond zich in de omgeving van Neer en Haelen en belde toen met [medeverdachte 2] . Van 20:32 uur tot halverwege de nacht (00:29 uur op 29 december 2022) bevonden [medeverdachte 3] en [verdachte] zich in Nederweert. Vervolgens bevonden [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zich alle drie rond 01:30 uur op de [adres 3] . Nadat [medeverdachte 2] rond 01:10 uur al in de nabijheid is gesignaleerd, bevonden ook [verdachte] en [medeverdachte 3] zich omstreeks 01:27 uur onder de zendmast die direct dekking biedt aan de betreffende woning [adres 3] . Op dat specifieke moment zocht [verdachte] contact met [medeverdachte 2] , hetgeen niet lukte. Vervolgens reisden [verdachte] en [medeverdachte 3] terug naar Noord-Brabant, waarbij [verdachte] om 02.00 uur is gesignaleerd in Eindhoven en [medeverdachte 3] om 02:37 uur in Best. [medeverdachte 2] is nog rond 02.00 uur gesignaleerd in Leende en Heeze. Hij is dan nog op de terugreis naar Eindhoven. Deze bewegingen in Neer zijn ook vastgelegd op de camerabeelden van [adres 5] . Daaruit volgt dat vanaf 01:27 uur meermaals twee auto’s, een Volvo V40 (van [medeverdachte 3] ) en een Volkswagen Golf (waarin [medeverdachte 2] dan moet hebben gereden), door de straat reden. Om 01:40 uur kwam de Volkswagen Golf uit de richting van de plaats delict rijden, maar dan opvallend genoeg met de verlichting uit. Vervolgens wordt de verlichting weer aangezet. Daarna zijn er geen auto’s meer te zien. Op de camerabeelden is te zien dat rond 01.40 uur de brand aan de auto’s is ontstaan. [verdachte] heeft over de feiten niet verklaard. [medeverdachte 3] heeft over 28 en 29 december 2022 verklaard dat hij op voorverkenning was met zijn Volvo V40, die op naam staat van zijn partner [naam 13] . Hem werd gevraagd of hij die nacht naar de [adres 3] kon rijden. Het adres kreeg hij in de middag van 28 december 2022 op een briefje. De opdracht was dat hij moest doorgeven of op dat adres iets verdachts was en of er auto’s bij dat adres stonden. Dit heeft hij gedaan en hiervoor kreeg hij geld. Hij verklaarde dat hij toen niet wist dat er brand zou worden gesticht, wel dat er mogelijk iets strafbaar zou plaatsvinden. Achteraf is hem verteld over de brandstichting en heeft hij het ook via zijn telefoon op internet opgezocht. Hij heeft bij alle feiten altijd contact gehad met maar één persoon, die hem de opdrachten gaf. Op basis van het veelvuldige contact tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] die dag en nacht, komt de rechtbank tot de conclusie dat deze ene persoon [verdachte] is geweest, die hem de opdrachten met betrekking tot de brandstichtingen heeft gegeven. Tussenconclusie De rechtbank acht op basis van het forensisch onderzoek wettig en overtuigend bewezen dat op 29 december 2022, omstreeks 01:40 uur, brand is gesticht aan twee auto’s op de oprit van het adres [adres 3] , gemeente Leudal. Gelet op de onderbouwing van de forensisch onderzoekers is de rechtbank van oordeel dat sprake was van gemeen gevaar voor in de auto gelegen goederen, de nabijgelegen woning en levensgevaar, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. [verdachte] heeft [medeverdachte 3] opdracht gegeven om de voorverkenning te doen. Hij heeft hem ook het briefje met het adres gegeven. Gedurende 28 december 2022 hadden [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2] meerdere keren telefonisch contact. Omstreeks 20:00 uur zijn [verdachte] en [medeverdachte 2] in afzonderlijke voertuigen langs het adres [adres 3] gereden om de locatie aan te wijzen en te bekijken. De uitvoering vond vervolgens plaats in de nacht: omstreeks 01:30 uur op 29 december 2022 voerde [medeverdachte 3] in zijn Volvo V40 de voorverkenning uit en rapporteerde aan [verdachte] . Ook [verdachte] was in de buurt van de locatie. Vervolgens vertrokken [medeverdachte 3] en [verdachte] beiden richting Noord-Brabant.
Volledig
Kort daarna stichtte [medeverdachte 2] de brand aan de voertuigen op de oprit en vertrok vervolgens naar Eindhoven. Dit laatste baseert de rechtbank op basis van het tijdstip van de brand, 01:40 uur, en de aanwezigheid van [medeverdachte 2] in Leende en Heeze rond 02:00 uur. 15 januari 2023 (feit 2) Op 15 januari 2023 omstreeks 01:50 uur zag aangeefster [familienaam 1] dat een personenauto voor haar huis aan de [adres 3] stopte. Daarin zaten drie personen. De bestuurder stapte uit en goot een kan benzine over een van haar personenauto’s, die op de oprit stond. Toen [familienaam 1] begon te schreeuwen is de persoon snel in de auto gestapt en weggereden. De forensisch onderzoekers concluderen dat het zeer waarschijnlijk is dat de auto overgoten is met benzine om hem vervolgens in brand te steken. Uit de telecomgegevens blijkt dat een dag eerder, op 14 januari 2023, [medeverdachte 3] en [verdachte] telefonisch contact hadden over dat [medeverdachte 3] met ‘ [bijnaam 1] ’ ernaartoe rijdt om de weg te wijzen. [medeverdachte 3] gaf aan dat ze er vanavond naartoe zouden rijden. [verdachte] gaf [medeverdachte 3] de opdracht om de kentekenplaten van de auto af te halen en meldt dat hij dat zelf ook doet. Uit de camerabeelden van het tankstation [naam 14] volgde dat er om 01:44 uur een Opel Vectra langsreed. De onderzochte telecom- en zendmastgegevens tonen aan dat [verdachte] zich omstreeks 00:31 uur bevond in Son en Breugel. [medeverdachte 3] was in dezelfde omgeving om 00:54 uur. Om 01:01 uur verplaatsten zij zich vanuit Noord-Brabant naar Limburg. Om 01:33 en 01:53 uur belde [verdachte] naar de telefoon van de onbekende gebruiker ( [nummer 1] ). Om 01:33 uur was [verdachte] in Haelen (onder bereik van een mast die de N273 bestrijkt). Tussen 01:53 uur en 01:57 uur bevond [verdachte] zich in de directe omgeving van Neer ( [straat 2] en de [straat 3] ). Om 01:57 uur straalde ook de telefoon van de onbekende gebruiker ( [nummer 1] ) een mast aan in Neer. Deze mast, de [straat 1] , biedt dekking aan de [adres 3] . Dit was ook het moment dat [familienaam 1] zag dat er benzine over haar auto werd gegoten. De telefoon van de onbekende gebruiker ( [nummer 1] ) belde toen [verdachte] , die zich op ditzelfde moment bevond in de directe nabijheid (onder bereik van de masten in Kessel/Beesel die de N273 in Neer bestrijken). Vervolgens werd de terugreis ingezet: [medeverdachte 3] is om 01:59 uur gesignaleerd in Reuver/Kessel, nabij de verbindingswegen richting de A67. En zowel [verdachte] als de telefoon van gebruiker [nummer 1] bevond zich om 02:11 uur op de A67 ter hoogte van Liessel, rijdend in de richting van Eindhoven. Omstreeks 02:33 uur zijn [medeverdachte 3] en [verdachte] terug in Best respectievelijk Son en Breugel. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij op 15 januari 2023 naar Neer is gereden voor een voorverkenning en dat hij heeft vernomen dat het niet was gelukt om brand te stichten. Hij wist nu wel dat er brandgesticht zou worden. Tussenconclusie De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op de samenhangende feiten en omstandigheden in deze zaak - op 15 januari 2023 benzine over de auto op de oprit van [adres 3] , gemeente Leudal, is gegoten met als doel om deze in brand te steken. Het enige wat nog nodig was, was het aansteken van de benzine. Er is naar het oordeel van de rechtbank zodoende sprake van een poging tot brandstichting. Voor de vraag of van de brand gemeen gevaar voor goederen te duchten was, dient te worden beoordeeld of dat gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. In dit geval stond naast de met benzine overgoten auto nog een auto geparkeerd op de oprit. Gelet op de situatie dat een auto fel kan branden met forse hitteontwikkeling, is de rechtbank van oordeel dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was, te weten voor de goederen gelegen in de met benzine overgoten personenauto en de nabij geparkeerde personenauto. De rechtbank stelt voorts vast dat [verdachte] , [medeverdachte 3] en een onbekend gebleven persoon ( [nummer 1] ) naar Neer zijn gereden en ten tijde van de poging tot brandstichting in de buurt van de plaats delict zijn. [medeverdachte 3] was daar om de situatie vooraf te verkennen. [verdachte] heeft op 14 januari 2023 aan [medeverdachte 3] de opdracht gegeven om samen met ‘ [bijnaam 1] ’ ernaartoe te rijden om de weg te wijzen. Ook heeft hij de opdracht gegeven aan [medeverdachte 3] om de kentekenplaten van de auto te halen en zei hij dat hij dat zelf ook zou doen. Daarnaast reed [verdachte] ook naar Neer die nacht en onderhield hij contact met de telefoon van de onbekende gebleven persoon ( [nummer 1] ). De onbekende gebruiker ( [nummer 1] ) was door [verdachte] ingeschakeld om de brand te stichten en heeft de benzine over de auto gegoten. Op basis van de gesprekken die [verdachte] heeft gevoerd rondom feit 3 en feit 5, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] de opdracht tot brandstichting aan de onbekende gebruiker ( [nummer 1] ) heeft gegeven, zoals hij dit ook heeft gedaan bij [medeverdachte 2] (feiten 1 en 3) en [naam 10] (feit 5). 21 januari 2023 (feit 3) Op 21 januari 2023 omstreeks 03:30 uur is brandgesticht bij de toegangspoort van [woning] , gevestigd op de [adres 6] , gemeente Leudal. De uitbater [naam 4] heeft hiervan aangifte gedaan. Uit het forensisch onderzoek is vast komen te staan dat de linkerhelft van de toegangspoort beroet was en delen van het hout door vuur en hitte waren aangetast. Ook op de keien van het pad voor de poort zat zwarte aanslag/beroeting. Daarbij was sprake van een positieve indicatie van een brandbare vloeistof op de linkerhelft van de poort en het straatwerk voor deze poorthelft. Geconcludeerd werd dat de brand hoogstwaarschijnlijk is veroorzaakt door het opzettelijk inbrengen van vuur bij een brandbare vloeistof en dat bij deze brand gemeen gevaar voor goederen was te duchten. Uit de beschrijving van de camerabeelden van die nacht van de toegangspoort van het [woning] volgt dat er om 03.27 uur een Opel Vectra met kenteken [kentekennummer 1] achteruit de loopbrug opreed. De bestuurder van de auto stapte uit en liep met een zwartkleurig voorwerp, gelijkend op een jerrycan, in de richting van de houten toegangspoort en liep toen het beeld uit. Hij stak vervolgens de houten toegangspoort in brand. Immers, op het moment dat hij weer in beeld kwam, had hij het zwartkleurige voorwerp niet meer bij zich en was een oranjekleurige gloed te zien die steeds feller werd. Hij liep met versnelde pas/rende naar de auto en reed weg. De Opel Vectra is drie weken later in Boxtel aangetroffen. Aan de achterzijde zat de kentekenplaat [kentekennummer 1] en aan de voorzijde kentekenplaat [kentekennummer 2] . De kentekenplaat [kentekennummer 2] was van een ander voertuig gestolen in Eindhoven tussen 14 en 15 januari 2025. Uit de ANPR-gegevens is gebleken dat een auto met kentekenplaat [kentekennummer 2] in de nacht van de brandstichting op 21 januari 2025 om 02:34 uur van Eindhoven naar het zuiden reed en om 03:50 uur weer onderweg was in de richting van Eindhoven. Uit de historische telefoon- en mastgegevens is gebleken dat ook de telefoon van [medeverdachte 2] die nacht omstreeks 02:45 uur van Eindhoven naar het zuiden reed: omstreeks dat tijdstip straalde hij een zendmast aan de Rijksweg A2 in Waalre aan welke zendmast dekking geeft aan de Rijksweg A2, onder andere een gedeelte van de A2 tussen knooppunt Leenderheide (Eindhoven) en Valkenswaard. Om 02:48 uur passeerde ook de Opel Vectra de ANPR-camera op de A2 bij Leende/Valkenswaard in de richting Weert. In de woning in Eindhoven waar [medeverdachte 2] omstreeks 10 februari 2023 verbleef, is ook een kentekenplaat met het kenteken [kentekennummer 2] aangetroffen. Verder is uit DNA-onderzoek gebleken dat op het stuurwiel, de deurklink van de bestuurder van de aangetroffen Opel Vectra en op de schenktuit van een jerrycan, die in de deze auto lag, celmateriaal zat dat mogelijk afkomstig is van [medeverdachte 2] . Voorts komt uit onderzoek naar voren dat de Opel Vectra vanaf 14 november 2022 op naam had gestaan van [verdachte] : [bedrijfsnaam] , KVK [nummer 2] , [adres 1] .
Volledig
Uit de verklaring van [verdachte] volgt dat dit het bedrijf van zijn vader is. Een dag na de brandstichting heeft [verdachte] gebeld met [naam 8] . Na beëindiging van dit gesprek, heeft [verdachte] direct [medeverdachte 2] gebeld. Verder hebben [medeverdachte 3] en [verdachte] op 19, 20 en 21 januari 2023 telefonisch contact gehad. Voorafgaand aan de brand zei [verdachte] tegen [medeverdachte 3] dat ze beter op ‘die lange’ kunnen wachten want die anderen durven toch niet, die weten wat er allemaal al is gebeurd. [medeverdachte 3] antwoordde daarop dat [verdachte] de baas is. Op 20 januari 2023 bespreken ze hoe laat ze zullen gaan en hoe laat ze verwacht worden bij ‘hem’. [medeverdachte 3] was om 21 januari 2023 om 01:00 uur in de nacht bij [verdachte] om hem op te halen. Om 03:38 uur, vlak na de brandstichting, stuurde [medeverdachte 3] aan [verdachte] : 100% neef. De rechtbank maakt uit de context op dat dit zoiets moet betekenen als: [medeverdachte 2] is erheen gereden. Vervolgens zei [medeverdachte 3] dat [verdachte] moet proberen om ‘hem’ te bereiken om te vragen of alles goed is gegaan. Een paar minuten later stuurde [medeverdachte 3] aan “ [nummer 3] ” dat hij niet meegaat omdat hij kapot is: hij was vanochtend pas weer thuisgekomen en dat dit al de hele week zo is. Tussenconclusie De rechtbank is van oordeel dat er in de vroege ochtend van 21 januari 2023 brand is gesticht bij de toegangspoort van [woning] in Haelen, gemeente Leudal. De rechtbank is daarbij tevens van oordeel dat er gemeen gevaar te duchten was voor het [woning] en de goederen in het [woning] , op basis van de conclusies van het forensisch onderzoek. Gelet op het dossier is de rechtbank van oordeel dat het [medeverdachte 2] is geweest die met de Opel Vectra van de vader van [verdachte] naar het [woning] is gereden om de brand te stichten en dat hij de kentekenplaat van de Opel Vectra heeft verwisseld. [verdachte] heeft in de dagen voorafgaand aan de brandstichting en ook daarna met [medeverdachte 3] contact gehad over de uitvoering. [verdachte] bepaalde dat ze beter op ‘die lange’ konden wachten en hij regelde naar alle waarschijnlijkheid de Opel Vectra waarmee [medeverdachte 2] naar het [woning] is gereden. De Opel Vectra stond immers niet lang voor de brandstichting nog op naam van zijn vader. Voorts kreeg hij van [medeverdachte 3] te horen dat de uitvoering van de brandstichting was gebeurd. Bij dit feit wordt de hiërarchische positie van [verdachte] expliciet bevestigd door [medeverdachte 3] , die hem in het onderling contact als ‘de baas’ aanmerkt. De regierol van [verdachte] blijkt bovendien uit de communicatielijn direct na het delict: hij onderhield eerst telefonisch contact met de vermoedelijke opdrachtgever [naam 8] en trad onmiddellijk daarna in contact met de uitvoerder [medeverdachte 2] . Ten aanzien van [medeverdachte 3] overweegt de rechtbank dat, hoewel hij ontkent een voorverkenning te hebben verricht en zijn telefoon niet ter plaatse een zendmast heeft aangestraald, de feiten en omstandigheden tot een andere conclusie leiden. [medeverdachte 3] onderhield immers contact met [verdachte] over de planning van die avond (hoe laat ze zullen gaan) en verzond vrijwel direct na de brandstichting het bericht ‘100%’. De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte 3] kennelijk op de hoogte was van de (geslaagde) uitvoering van het delict, hetgeen duidt op zijn aanwezigheid in de nabijheid van de brandstichting, dan wel direct contact met de uitvoerder [medeverdachte 2] . Nu er van contact met [medeverdachte 2] op basis van de analyse van de telefoon van [medeverdachte 3] niet is bleken, moet sprake zijn geweest van het eerste: hij was in de buurt. De betrokkenheid van [medeverdachte 3] wordt voorts gestaafd door zijn berichten aan [nummer 3] , waarin hij aangaf pas die ochtend thuis te zijn gekomen. 4 maart 2023: vrijspraak (feit 4) Op 4 maart 2023 is op de [adres 3] geprobeerd brand te stichten aan een auto die geparkeerd stond de oprit. Aan [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] is tenlastegelegd dat zij dit feit hebben gepleegd dan wel hierbij betrokken zijn geweest. De rechtbank oordeelt als volgt. Hoewel de onderhavige poging tot brandstichting past binnen de bredere context van het dossier en er sterke aanwijzingen voor betrokkenheid van de verdachten bestaan, is de rechtbank van oordeel dat het procesdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een veroordeling van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] te komen. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat de telefoons van [medeverdachte 3] en [verdachte] geen masten in de directe omgeving van de plaats delict hebben aangestraald. Ten tweede bieden de telecomgegevens van de bewuste nacht of de voorafgaande dag geen aanknopingspunten die duiden op de voorbereiding van een brandstichting. Het feit dat er na het incident een video van de woning tussen de verdachten is verzonden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de betrokkenheid bij het delict zelf aan te tonen. De rechtbank merkt op dat de bewegingen van [medeverdachte 1] - die van Best naar Limburg reed, rondom het tijdstip van de poging een zendmast in de omgeving van de plaats delict aanstraalde en telefonisch contact zocht met zijn zoon [medeverdachte 3] - weliswaar uiterst opmerkelijk zijn, maar dat dit onvoldoende basis biedt om het daderschap van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] of [verdachte] onomstotelijk vast te stellen. Tot slot is de signalering van een voertuig dat vijftien minuten voorafgaand aan de poging langs de locatie reed, onvoldoende specifiek. Hoewel dit voertuig gelijkenissen vertoont met de auto die drie dagen later werd aangetroffen op het woonwagenkamp waar [medeverdachte 3] verblijft, ontbreken in het dossier specifieke identificerende gegevens om te kunnen vaststellen dat het om exact hetzelfde voertuig gaat. Ook dit biedt onvoldoende basis voor een bewezenverklaring. De rechtbank spreekt [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] dan ook vrij van dit feit. 29 maart 2023 (feit 5) Op 29 maart 2023 omstreeks 01.30 uur is er op de oprit van de [adres 3] een Seat Inca in brand gestoken. [familienaam 1] heeft daarvan aangifte gedaan namens de eigenaar van de auto, [naam 15] . Er waren vlammen te zien bij de auto en de echtgenoot van [familienaam 1] heeft de brand zelfstandig geblust. Volgens het forensisch onderzoek was de auto aan de linkerzijde beroet en was er gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten. De rechtbank stelt vast op basis van een eenvoudige zoekslag op het internet dat de Seat Inca grote gelijkenissen vertoont met een Volkswagen Caddy. De kleinzoon van [familienaam 1] die haar belde om te zeggen dat ‘de Caddy’ in brand stond, had het dus over de Seat Inca. Op basis van de camerabeelden van de oprit blijkt dat er die nacht een auto stopte nabij de oprit en dat er vanaf die auto een persoon naar de Seat Inca liep met een voorwerp in zijn handen. Hij maakte bij de auto een schenkende beweging waarna er een felle oplichting, de rechtbank begrijpt brand, ontstond. [naam 10] heeft bekend dat hij de persoon was die de brand heeft gesticht. Hij heeft de opdracht tot brandstichting uit geldnood aanvaard. [naam 16] heeft hem in contact gebracht met mensen. Hij ontving twee briefjes in de brievenbus, een met daarop het adres, het voertuig en dat deze in brand moest en een ander briefje met dat het nu moest gaan gebeuren. Met de brandstichting heeft hij 500 euro verdiend, wat hij achteraf per briefje heeft ontvangen. Uit historische verkeersgegevens en mastverkeersgegevens bleek dat niet alleen [naam 10] in de nacht van 29 maart 2023 vanuit Eindhoven naar Limburg reed, maar dat ook [medeverdachte 3] dat deed. Zijn telefoon straalde omstreeks 00.30 uur een zendmast aan in Neer die dekking geeft aan onder andere de woning [adres 3] en vertrok vervolgens weer naar Best. [verdachte] bleef in Son en Breugel die nacht, maar onderhield wel intensief telefonisch contact met [medeverdachte 3] . Uit de tapgesprekken en audio-opnames van [verdachte] en [medeverdachte 3] volgt dat ze iemand hadden gevonden die een brand wilde stichten.
Volledig
Op 20 maart 2023 vroeg [verdachte] aan [medeverdachte 3] wat de straat en het huisnummer ook alweer was. [verdachte] gaf aan dat het ‘die van [geboorteplaats] ’ is en dat ze naar het adres gaan rijden rond een uur of één. [medeverdachte 3] gaf het adres [adres 3] en een instructie over het voorbijrijden. [medeverdachte 3] was die avond om 22.22 uur ook nog in Neer geweest, want hij gaf aan [verdachte] aan dat van de twee auto’s nog een auto op het terrein stond en dat [verdachte] dit moest doorgeven aan de Roma-man. Op 22 maart 2023 heeft [verdachte] ook nog een telefoongesprek gehad met een onbekend gebleven persoon die aangaf dat er een auto in brand gaat en dat dat niet verkeerd is. Op 27 maart 2023 in de ochtend spreken [verdachte] en [medeverdachte 3] audio-opnames voor elkaar in. Genoemd werd dat [naam 16] wilde gaan, alleen dat ‘de lange’ het vanavond zou doen en hij de week daarop. En dat hij ook meegaat vanavond. Vervolgens gaf [medeverdachte 3] aan dat [naam 16] ‘hem’ meteen moet appen dat hij vanavond komt omdat ‘die lange’ ‘full’ is. De rechtbank maakt daaruit op dat ‘de lange’ niet langer van plan was het te doen en dat [naam 16] wordt ingezet. [medeverdachte 3] en [verdachte] belden in de avond nog met elkaar waarbij [medeverdachte 3] aan [verdachte] vroeg of hij al iets weet. [verdachte] gaf aan dat ‘hij’ zei dat hij er morgen naartoe gaat. Een dag later op 28 maart 2023 bespreken [medeverdachte 3] en [verdachte] de verdere planning van die dag tijdens een telefoongesprek, waarbij [medeverdachte 3] aangaf dat die man er naartoe rijdt. [verdachte] rijdt dan mee. [medeverdachte 3] wilde ook dat hij meerijdt want hij zei: 100 procent… [verdachte] gaf aan dat hij de man de weg gaat wijzen en dan teruggaat. [verdachte] gaf vervolgens aan dat de man eerst met de neger die bij hem zit, gaat. [verdachte] rijdt hem daarheen en dan rijden ze met zijn tweeën. [medeverdachte 3] vond dit een goed plan. Later op de dag bellen ze weer met elkaar. [medeverdachte 3] gaf op de vraag van [verdachte] of hij morgen gaat (29 maart 2023) aan dat hij vandaag al wilde. [verdachte] deed verslag van hoe de rit was geweest: [verdachte] is met hen daarnaartoe gereden en ‘hij’ had gezegd dat hij het 100% doet. [verdachte] heeft aangegeven dat hij eerst moet doorrijden, stoppen en nog een keer rijden. Vervolgens aansteken en wegrijden. [verdachte] en [medeverdachte 3] bespraken tevens dat er iemand mee moet ter controle. Op 29 maart 2023 om 00.28 uur belde [medeverdachte 3] naar [verdachte] . Hij is kennelijk op voorverkenning geweest die nacht, want hij gaf aan dat er een Caddy staat op hun terrein/grondstuk. Hij heeft ‘hem’, de rechtbank begrijpt de uitvoerder, zojuist langs zien rijden, dus hij is daar. [verdachte] gaf aan dat hij ‘hem’ zal bellen en daarna [medeverdachte 3] terugbelt. [verdachte] belde vervolgens [medeverdachte 3] weer en koppelde terug dat ‘hij’ gaat rijden. De volgende middag bellen [medeverdachte 3] en [verdachte] met elkaar over een betaling. [verdachte] zei dat hij die jongen sowieso gaat betalen. [medeverdachte 3] vroeg of het 500 was. Tussenconclusie De rechtbank stelt vast dat er op 29 maart 2023 brand is gesticht aan de Seat Inca die geparkeerd stond op de oprit van [adres 3] . De rechtbank volgt de analyse van de forensisch onderzoekers en is van oordeel dat er gemeen gevaar te duchten was voor de in de auto gelegen goederen, de nabijgelegen woning en levensgevaar, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 3] en [verdachte] intensief met elkaar een plan opstelden over de brandstichting. [verdachte] had iemand gevonden die het 100% wilde doen en het contact verliep via [naam 16] . In de dagen voorafgaand aan de brandstichting en op de dag zelf hebben [medeverdachte 3] en [verdachte] contact over hoe laat ze gaan en welke handelingen er moeten plaatsvinden. [medeverdachte 3] is zelf ook daar geweest ter voorverkenning. [naam 10] was de uitvoerder van de brandstichting. Hij heeft verklaard dat hij die avond de brand aan de auto in Neer heeft aangestoken en daarvoor 500 euro heeft gekregen. Over die betaling hebben [verdachte] en [medeverdachte 3] met elkaar gesproken. [verdachte] heeft ook nog achteraf contact met [naam 16] . Uit het dossier blijkt ten slotte dat waar gesproken wordt over [naam 16] het [naam 9] betreft. Modus operandi en rolverdeling Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de drie brandstichtingen en de poging daartoe een duidelijke, samenhangende modus operandi vertonen. Alle incidenten waren gericht tegen de familie [familienaam 1] / [familienaam 2] uit de gemeente Leudal en volgden een vast patroon: na de voorverkenningen reden de verdachten vanuit Noord-Brabant naar Neer of Haelen om met brandversnellende middelen brand te stichten aan auto’s of toegangspoort, om vervolgens direct terug te keren naar Noord-Brabant. De brandstichtingen zijn in wisselende samenstellingen gepleegd, waarbij toch sprake was van een duidelijke kernbezetting, te weten [verdachte] en [medeverdachte 3] . Om de rol van de verschillende verdachten nader te duiden, bespreekt de rechtbank hieronder de onderlinge rolverdeling. [verdachte] was de organisator/regisseur van de brandstichtingen en had ook contact met (de mogelijke opdrachtgever) [naam 8] , zijnde een oom van [verdachte] . Hij had de volledige regie in handen: hij regelde een voorverkenner en de uitvoerders, bepaalde de planning en de wijze van uitvoering, was op momenten aanwezig op de plaats delict, gaf aanwijzingen en faciliteerde een auto om naar de plaats delict te komen. Deze rol wordt verder bevestigd rondom 21 januari 2023 toen hij instructies gaf over de uitvoering en waarbij medeverdachte [medeverdachte 3] hem expliciet als ‘de baas’ aanmerkte. [verdachte] fungeerde als de cruciale schakel tussen opdracht en uitvoering; hij heeft contact gehad met [naam 8] na de brandstichting aan de toegangspoort van het [woning] en sprak over de beloning voor de uitvoerder. Hiermee staat vast dat [verdachte] niet slechts betrokken was, maar de leidende en organiserende kracht was. Om de rol van [verdachte] vast te stellen heeft de rechtbank de bewijsmiddelen van de verschillende brandstichtingen over en weer als steunbewijs gebruikt. Uit de telefoongesprekken en audiobestanden van de brandstichtingen van 21 januari en 29 maart 2023 blijkt uitdrukkelijk dat [verdachte] een leidende rol had achter de brandstichtingen. Gelet op deze omstandigheden en het telefonische contact dat [verdachte] onderhield met [medeverdachte 2] en de onbekende gebruiker ( [nummer 1] ) bij de brandstichtingen van 29 december 2022 en 15 januari 2023 stelt de rechtbank vast dat [verdachte] toen ook al dezelfde rol had. De rechtbank is van mening dat zij deze bewijsmiddelen over en weer kan gebruiken omdat de feiten en omstandigheden op essentiële punten (de modus operandi en het contact van [verdachte] met de andere betrokkenen) overeenkomen. [medeverdachte 3] was in eerste instantie de voorverkenner. Hij voerde een omgevingscheck uit en gaf aan [verdachte] door of er voertuigen voor de woning van aangeefster stonden. Hij wist naar eigen zeggen pas na de brandstichting op 29 december 2022 wat de reden was van deze voorverkenningen. Anders dan [medeverdachte 3] heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 3] met het verstrijken van de tijd een grotere rol krijgt. Er vindt rond 21 januari 2023 steeds meer overleg plaats tussen hem en [verdachte] over de planning en welke uitvoerder er ingezet gaat worden. [medeverdachte 3] deed nog steeds de voorverkenning, maar gaf ook door dat de uitvoerder, [medeverdachte 2] , ter plaatse was. Vervolgens gaf hij ook aan [verdachte] de opdracht om contact te zoeken met [medeverdachte 2] om te vragen of alles goed is gegaan. Op 29 maart 2023 is de rol van [medeverdachte 3] nog groter en kan hij als mede-organisator worden aangemerkt. Hij voerde toen intensief overleg met [verdachte] over de uitvoering en de planning. Ook besliste hij bij die brandstichting mee over de beloning voor uitvoerder [naam 10] .
Volledig
[medeverdachte 2] De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 2] de uitvoerder is geweest van de brandstichtingen op 29 december 2022 en 21 januari 2023. Hij is telkens naar de plaats delict gereden, reed weg nadat er brand was ontstaan en had contact met [verdachte] . [naam 10] De rechtbank is voorts van oordeel dat [naam 10] de uitvoerder is geweest van de brandstichting op 29 maart 2023. [naam 9] regelde het indirecte contact tussen [verdachte] en [naam 10] . Deelnemingsvorm De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld bij welke brandstichtingen de verdachte als medepleger, medeplichtige of uitlokker gezien moeten worden. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden gekwalificeerd wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. [verdachte] heeft bij de (poging tot) brandstichtingen van 29 december 2022, 15 januari 2023, 21 januari 2023 en 29 maart 2023 telkens een organisatorische rol gespeeld bij de brandstichtingen, maar heeft deze niet zelf uitgevoerd. Uit het dossier leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid [verdachte] af dat deze (poging) brandstichtingen zonder hem niet hadden plaatsgevonden en dat hij bij de voorbereiding, uitvoering en afhandeling een alles bepalende rol had. Ook was hij meermaals aanwezig in de omgeving van de plaats delict. Op grond van zijn rol bij alle vier de feiten is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de intellectuele bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen onder feit 1 met [medeverdachte 2] , feit 2 met de onbekende gebruiker [nummer 4] , feit 3 primair met [medeverdachte 2] en feit 5 primair met [medeverdachte 3] en [naam 10] bewezen. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte Ten aanzien van feit 1: op 29 december 2022 in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht aan twee personenauto’s, te weten een Nissan Qashqai, [kentekennummer 3] en een Mercedes-Benz S600, [kentekennummer 4] , door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof, die over die personenauto’s was gegoten/gesprenkeld, ten gevolge waarvan - die personenauto’s en - een voordeur en meerdere kozijnen en ramen van de woning, gelegen aan [adres 3] , gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor in die personenauto’s gelegen goederen en een nabijgelegen woning en levensgevaar voor een of meer in die woning(en) aanwezige perso(o)n(en) en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in voormelde woning(en) aanwezige perso(o)n(en), te duchten was; Ten aanzien van feit 2: op 15 januari 2023 in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand te stichten, aan een personenauto, Mercedes-Benz S600, [kentekennummer 4] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor in die personenauto gelegen goederen en een nabij geparkeerde personenauto, met dat opzet - benzine, over die personenauto heeft gegoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Ten aanzien van feit 3 primair: op 21 januari 2023 in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een (toegangs)poort, behorende bij een pand, gelegen aan [adres 2] , door open vuur in aanraking te brengen met een jerrycan, gevuld met (motor)benzine, die tegen die (toegangs)poort was geplaatst en/of over/rond die (toegangs)poort was gegoten, ten gevolge waarvan die (toegangs)poort gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor (aangebouwd) [woning] en pand(en) en in dat [woning] en dat/die pand(en) gelegen goederen, te duchten was; Ten aanzien van feit 5 primair: op 29 maart 2023 in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een bestelauto, Seat Inca, [kentekennummer 4] , door open vuur in aanraking te brengen met benzine, die over die bestelauto was gegoten, ten gevolge waarvan die bestelauto, Seat Inca, gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de in die bestelauto gelegen goederen en een nabijgelegen woning en levensgevaar voor een of meer in voormelde woning(en) aanwezige perso(o)n(en) en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in voormelde woning(en) aanwezige perso(o)n(en), te duchten was. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: Ten aanzien van feit 1: medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd; Ten aanzien van feit 2: medeplegen van een poging tot opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is; Ten aanzien van feit 3, primair: medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is; Ten aanzien van feit 5, primair: medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 7 jaar met aftrek van het voorarrest. Hij heeft bij zijn strafeis rekening gehouden met de ernst van de feiten, de periode waarin het heeft plaatsgevonden, de hoeveelheid brandstichtingen, het te duchten gevaar en de impact die het heeft gehad op de slachtoffers en de omgeving. Voorts is de redelijke termijn overschreden en is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een veroordeling er rekening mee te houden dat de redelijke termijn is overschreden en dat de verdachte al lange tijd zonder problemen in een schorsing van de voorlopige hechtenis loopt, waarvan acht maanden met elektronisch toezicht. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft zich in een periode van drie maanden samen met medeverdachten schuldig gemaakt aan het meerdere keren opzettelijk in brand steken van auto’s die geparkeerd stonden voor de woning van de slachtoffers [familienaam 1] en [naam 11] en het in brand steken van de (toegangs)poort van [woning] , waar de dochter van [familienaam 1] met haar gezin woonde en werkte. Dergelijke branden, elkaar in korte tijd opvolgend, veroorzaken grote angst en onrust in de samenleving, in de gemeente Leudal specifiek en bij de slachtoffers in het bijzonder. De rechtbank ziet de verdachte als organisator achter drie brandstichtingen en één poging tot brandstichting. Hij organiseerde het in opdracht van een ander. Als hij geen voorverkenner en uitvoerders had geregeld en de plannen had gemaakt, zouden deze brandstichtingen niet hebben plaatsgevonden.
Volledig
Brandstichting behoort tot één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent, omdat als gevolg van dit delict onbeheersbare, zeer gevaarzettende situaties voor personen of goederen kunnen ontstaan. In deze zaak was zeker sprake van gemeen gevaar voor goederen en in twee gevallen van levensgevaar. De auto’s en toegangspoort zijn gedeeltelijk verbrand en de branden hadden door de grote hitteontwikkeling kunnen uitbreiden naar onder meer een nabij geparkeerde auto, de nabijgelegen woning en het pand of het [woning] . De rechtbank acht het strafverzwarend dat de brandstichtingen telkens 's nachts plaatsvonden en gericht waren tegen dezelfde familie, terwijl de verdachte deze familie niet eens kent. Alles wijst erop dat dit alles gebeurde met één doel: bewuste intimidatie en bedreiging van de familie [familienaam 1] / [familienaam 2] . Het feit dat de daadwerkelijke opdrachtgever en het motief voor de brandstichtingen onbekend zijn gebleven, beangstigt de familie – ondanks de eigen vermoedens die zij hierover hebben. Tijdens de zitting spraken diverse familieleden emotioneel over de diepe sporen die de brandstichtingen hebben achtergelaten in hun leven en op hun welzijn. De sfeer van angst en onzekerheid die is gezaaid heeft op ieder lid van de familie en op de familie als geheel nog altijd een enorme impact. In het hele dossier ontbreekt elk spoor van medeleven bij de verdachte of de medeverdachten; zij lijken zich in het geheel niet te hebben bekommerd om het welzijn van de familie en de gevaren van de brandstichtingen in een woonwijk en bij het [woning] waarin een B&B zit. Dit vindt de rechtbank ontluisterend en ook verontrustend. De verdachten hebben zich kennelijk alleen laten leiden door hun eigen financiële gewin. De ernst van de feiten, in combinatie met het gevaar en de angst die de brandstichtingen hebben veroorzaakt, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een andere strafsoort is niet aan de orde. De rechtbank wil met het oog op de generale preventie een duidelijk en krachtig signaal afgeven aan de samenleving dat brandstichtingen, niet licht mogen worden opgevat. De rechtbank heeft acht geslagen op het omvangrijke strafblad van de verdachte van 25 november 2025. Hieruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing vanwege veroordelingen in 2023 en 2025. Ten slotte heeft de rechtbank het reclasseringsadvies over de verdachte van 13 november 2025 gelezen. Daaruit volgt dat hij samen met zijn vrouw en drie kinderen op een woonwagenkamp woont en dat hij vanwege ernstige rugklachten niet op regelmatige basis heeft kunnen werken. Hij en zijn vrouw ontvangen een bijstandsuitkering. De verdachte heeft zich gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis aan de regels en afspraken gehouden van het reclasseringstoezicht. De reclassering heeft geen aandachtspunten en/of risico’s binnen de leefgebieden gesignaleerd en ook heeft de verdachte geen hulpvragen. Voortzetting van het toezicht heeft zodoende geen toegevoegde waarde. Gelet op de ontkennende houding van de verdachte kon het gevaar van herhaling door de reclassering niet worden ingeschat. De rechtbank heeft verder bij de straftoemeting rekening gehouden met het feit dat verdachtes recht op een behandeling van zijn proces binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is geschonden, nu de zaak twee jaren en 10 maanden na de aanhouding van verdachte (op 1 april 2023) leidt tot een eindvonnis in eerste aanleg, zonder dat dit aan de verdediging te wijten valt. De rechtbank vindt in deze termijnoverschrijding aanleiding een lagere straf op te leggen dan zij zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd. De rechtbank zal afwijken van de eis van de officier van justitie mede omdat de rechtbank minder feiten bewezen verklaart dan waar de officier van justitie bij het formuleren van zijn eis vanuit ging. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest. De rechtbank ziet geen reden voor het opleggen van bijzondere voorwaarden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering. 7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen 7.1 De vordering van de benadeelde partijen [familienaam 1] en [naam 11] De benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] vorderen schadevergoeding tot een bedrag van 9.565,00 euro ter zake van feit 1, feit 2, feit 4 en feit 5. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten: Feit 1 Personenauto van het merk Mercedes, verkoopwaarde minus uitgekeerde dagwaarde (zoekslag op het internet): 3.000 euro Personenauto Nissan QashQai, verkoopwaarde minus uitgekeerde dagwaarde en 150 euro eigen risico (zoekslag op het internet en navraag garage): 2.550 euro Zelf reinigen van voetsporen (roet) in de woning: 100 euro Aanschaf drie extra brandmelders, twee blussers en vluchtladder: 230 euro Aanschaf twee professionele buiten camera’s: 540 euro Feit 2 Kosten wasstraat om de benzine op de Mercedes te verwijderen: 40 euro Reiskosten voor psychische begeleiding via huisarts, tien keer. 10 x 12km x 0,25 eurocent: 30 euro Feit 4 Kosten schoonmaken auto en oprit (zelf gedaan): 75 euro Privédetective ingehuurd; 2.000 euro immateriële schade: 1.000 euro Voorts zijn als proceskosten gevorderd de eigen bijdrage van de rechtsbijstand van 250 euro. Deze kosten zijn ter terechtzitting ingetrokken. De benadeelden hebben verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partijen gedeeltelijk toewijsbaar. Hij heeft geconcludeerd dat het volledige bedrag aan gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu de onderbouwing van de materiële schade in de meeste gevallen ontbreekt. Ook is onbekend hoe de hoogte van de bedragen voor het zelf reinigen van de vloer en het schoonmaken van de auto’s is bepaald. De gevorderde immateriële schade acht hij voldoende onderbouwd, mede gelet op de aard en intensiteit van de feiten. Hij is daarom van mening dat een bedrag van 1.000 euro aan immateriële schade voor [familienaam 1] en [naam 11] , voor ieder afzonderlijk, toewijsbaar is. De officier van justitie verzoekt om tevens de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen met daartegenover 20 dagen gijzeling. De officier van justitie vordert het toegewezen schadebedrag hoofdelijk op te leggen. 7.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht de materiële schade af te wijzen omdat deze onvoldoende onderbouwd is. Voorts is verzocht om de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, nu niet is gebleken van geestelijk letsel op grond waarvan een immateriële schadevergoeding kan worden toegekend. Ook is geen sprake van een dusdanige normschending dat op grond daarvan de gevolgen zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. 7.4 Het oordeel van de rechtbank De gevorderde materiële schade: Door de verdediging is de gevorderde materiële schade gemotiveerd betwist. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem tenlastegelegde feit 4. Volgens de wet kan de strafrechter voor dat feit dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering ten aanzien van 75 euro aan gevorderde materiële schade.
Volledig
De rechtbank stelt, met de officier van justitie en de verdediging, voorts vast ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade dat de schade niet is onderbouwd door middel van bijvoorbeeld facturen. De benadeelde partij zal niet in de gelegenheid gesteld worden om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting en verdere vertraging van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in de vordering ten aanzien van de materiële schade, ter hoogte van 8.490 euro, niet-ontvankelijk. De gevorderde immateriële schade: Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. Gelet op de aard en ernst van de normschending (er was levensgevaar te duchten bij feit 1 en feit 5) en de gevolgen daarvan voor de benadeelden [familienaam 1] en [naam 11] , is de rechtbank van oordeel dat zij door de strafbare feiten op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. Er is een zeer ernstige inbreuk gemaakt op hun geestelijke en lichamelijke integriteit en de benadeelde partijen hebben voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van 1.000 euro billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij voor ieder afzonderlijk daarom in zijn geheel toe. Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 29 december 2022 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De rechtbank legt tevens de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van 1000 euro aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2022 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen. Hoofdelijk Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen. 7.5 De vordering van de benadeelde partij [naam 3] De benadeelde partij [naam 3] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 1.323,76 euro ter zake van feit 3. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten: Kilometervergoeding voor psychologische hulp voor haar en haar dochter [naam 7] van 323,76 euro Immateriële schade: 1.000 euro De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.6 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijsbaar. Hij heeft geconcludeerd dat het volledige bedrag aan gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu onvoldoende is onderbouwd in hoeverre de kilometervergoeding kan worden gekoppeld aan het feit. De gevorderde immateriële schade acht hij voldoende onderbouwd, mede gelet op de aard en intentie van het feit. Hij is daarom van mening dat een bedrag van 1.000 euro aan immateriële schade voor [naam 3] toewijsbaar is. De officier van justitie verzoekt om tevens de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen met daartegenover 20 dagen gijzeling. De officier van justitie vordert het toegewezen schadebedrag hoofdelijk op te leggen. 7.7 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de materiële schade onvoldoende onderbouwd is en op die grond moet worden afgewezen. Voorts is verzocht om de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren nu niet is gebleken van geestelijk letsel op grond waarvan een immateriële schadevergoeding kan worden toegekend. Ook is er geen sprake van een dusdanige normschending dat op grond daarvan de gevolgen zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Een dergelijke situatie doet zich enkel voor in het geval dat sprake was van levensgevaar. Daarvan was bij de brandstichting geen sprake. Het vergen van een nadere onderbouwing zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. 7.8 Het oordeel van de rechtbank De gevorderde materiële schade: Door de verdediging is de gevorderde materiële schade gemotiveerd betwist. De rechtbank stelt, met de officier van justitie en de verdediging, vast dat de schade en het verband met feit 3 niet is onderbouwd. De benadeelde partij zal niet in de gelegenheid gesteld worden om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting en verdere vertraging van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in de vordering ten aanzien van de materiële schade, ter hoogte van 323,76 euro, niet-ontvankelijk. De gevorderde immateriële schade: De rechtbank constateert dat de bewezenverklaarde brandstichting van een toegangspoort op zichzelf een onvoldoende ernstige normschending oplevert om een aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen, nu bij de brandstichting geen gevaar voor personen te duchten was. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde de nadelige gevolgen van feit 3 onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd. De rechtbank heeft het schrijven van Praktijk [naam 17] gezien en begrijpt dat de brandstichting angstklachten heeft veroorzaakt bij de benadeelde. Uit het schrijven blijkt echter ook dat de klachten niet enkel zien op de brandstichting aan de toegangspoort, maar ook op de andere branden en de achtergrond daarvan. Wat de nadelige gevolgen van deze specifieke brand zijn, zijn niet omschreven en zodoende onvoldoende concreet gemaakt. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu het vergen van een nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. 7.9 De vordering van de benadeelde partij [naam 4] De benadeelde partij [naam 4] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 2.406,50 euro ter zake van feit 3.
Volledig
Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten: Brandblusser: 56,50 euro Aanschaf Ring deurbel: 650 euro Aanschaf camera’s: 700 euro Immateriële schade: 1.000 euro De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.10 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijsbaar. Hij heeft geconcludeerd dat het volledige bedrag aan gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege onvoldoende onderbouwing. De gevorderde immateriële schade acht hij voldoende onderbouwd, mede gelet op de aard en intentie van het feit. Hij is daarom van mening dat een bedrag van 1.000 euro aan immateriële schade voor [naam 4] toewijsbaar is. De officier van justitie verzoekt om tevens de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen met daartegenover 20 dagen gijzeling. De officier van justitie vordert het toegewezen schadebedrag hoofdelijk op te leggen. 7.11 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de materiële schade onvoldoende onderbouwd is en op die grond moet worden afgewezen. Voorts is verzocht om de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren nu niet is gebleken van geestelijk letsel op grond waarvan een immateriële schadevergoeding kan worden toegekend. Ook is geen sprake van een dusdanige normschending dat op grond daarvan de gevolgen zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Een dergelijke situatie doet zich enkel voor in het geval dat sprake was van levensgevaar. Daarvan was bij de brandstichting geen sprake. Het vergen van een nadere onderbouwing zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. 7.12 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde rechtstreekse schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit 3. De gevorderde materiële schade: De rechtbank is van oordeel dat de post ten aanzien van de brandblusser kan worden toegewezen op basis van het feit dat de brand van feit 3 door benadeelde zelf geblust is met een schuimblusser. Het hiermee gemoeide bedrag van 56,50 euro komt de rechtbank alleszins redelijk voor. De posten van de aanschaf van de Ring deurbel en de camera’s zijn niet voor toewijzing vatbaar omdat, blijkens de verklaring van [naam 12] ter terechtzitting, deze kosten gemaakt zijn door het bedrijf en niet de privépersoon [naam 12] . De rechtbank zal zodoende 56,50 euro toewijzen en 1.350 euro afwijzen. De gevorderde immateriële schade: De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij het beroep op de aantasting in de persoon, behoudens een algemene weergave van de gevolgen, niet met schriftelijke stukken heeft onderbouwd. De rechtbank is verder van oordeel dat de bewezenverklaarde brandstichting aan de toegangspoort op zichzelf een onvoldoende ernstige normschending oplevert om een aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen zonder nadere onderbouwing, nu bij de brandstichting geen gevaar voor personen te duchten was. De door de benadeelde gestelde gevoelens van angst maken dit niet anders, nu de gestelde gevolgen onvoldoende concreet zijn gemaakt. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van de immateriële schade van 1.000 euro nu het vergen van een nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 21 januari 2023 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De rechtbank legt tevens de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van 56,50 euro aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2023 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen. Hoofdelijk Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen. 7.13 De vorderingen van de benadeelde partijen [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] De benadeelde partijen [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] vorderen ieder schadevergoeding tot een bedrag van 1.000 euro ter zake van feit 3, bestaande uit immateriële schade. Zij hebben verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.14 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de gevorderde immateriële schade door de benadeelde partijen voldoende onderbouwd, mede gelet op de aard en intentie van het feit. Hij is daarom van mening dat een bedrag van 1.000 euro aan immateriële schade voor [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] toewijsbaar is. De officier van justitie verzoekt om tevens de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen met daartegenover 20 dagen gijzeling. De officier van justitie vordert het toegewezen schadebedrag hoofdelijk op te leggen. 7.15 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de vordering ter zake de immateriële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu niet is gebleken van geestelijk letsel op grond waarvan een immateriële schadevergoeding kan worden toegekend. Ook is er geen sprake van een dusdanige normschending dat op grond daarvan de gevolgen zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Een dergelijke situatie doet zich enkel voor in het geval dat er sprake was van levensgevaar. Daarvan was bij de brandstichting geen sprake. Het vergen van een nadere onderbouwing zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. 7.16 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank constateert dat bewezenverklaarde brandstichting van een toegangspoort (feit 3) op zichzelf een onvoldoende ernstige normschending oplevert om een aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen, nu bij de brandstichting geen gevaar voor personen te duchten was. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de benadeelden de nadelige gevolgen van feit 3 onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd. De rechtbank heeft bij [naam 6] en [naam 7] het schrijven van Praktijk [naam 17] gezien en begrijpt dat de brandstichting angstklachten heeft veroorzaakt bij hen. Uit het schrijven blijkt echter ook dat de klachten niet enkel zien op de brandstichting van de toegangspoort, maar ook op de andere brandstichtingen en de achtergrond daarvan. Wat de nadelige gevolgen van deze specifieke brandstichting, zijn niet omschreven en zodoende onvoldoende concreet gemaakt. De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu het vergen van een nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. 8 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Volledig
9 De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van het onder 4 (primair en subsidiair) tenlastegelegde; Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren ; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen Ten aanzien van [naam 1] en [naam 2] wijst de vordering van de benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] , ten aanzien van feit 1, 2 en 5 primair gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om aan de benadeelde partijen te betalen een bedrag van 1.000 euro, bestaande uit immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat de benadeelde partijen voor de gevorderde materiële schade ter hoogte van 75 euro niet-ontvankelijk zijn; bepaalt dat de benadeelde partijen voor de gevorderde materiële schade ter hoogte van 8.490 euro niet-ontvankelijk zijn en dat zij de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kunnen aanbrengen; veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; legt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 1] en [naam 2] , van een bedrag van 1.000 euro aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2022 tot aan de dag van voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; bepaalt dat de verdachte niet is gehouden tot betaling indien en voor zover het bedrag door hem en/of (een van) zijn mededader(s) is betaald; Ten aanzien van [naam 3] - bepaalt dat de benadeelde partij [naam 3] voor de gevorderde materiële schade (323,76 euro) en immateriële schade (1.000 euro) niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen; Ten aanzien van [naam 4] wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 4] ten aanzien van feit 3 primair gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van 56,50 euro, bestaande uit materiële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; wijst de vordering voor wat betreft het meer gevorderde aan materiële schade, zijnde 1.350 euro, af ; bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor de gevorderde immateriële schade (1.000 euro) niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen; veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; legt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 4] , van een bedrag van 56,50 euro aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2023 tot aan de dag van voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; bepaalt dat de verdachte niet is gehouden tot betaling indien en voor zover het bedrag door hem en/of (een van) zijn mededader(s) is betaald; Ten aanzien van [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] - bepaalt dat de benadeelde partijen in de vorderingen (van 1.000 euro) niet-ontvankelijk zijn en de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kunnen aanbrengen. Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Hermanides, voorzitter, mr. M.J.H. van den Hombergh en mr. S.A.M.C. van de Winkel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Klompe, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 februari 2026.
Volledig
BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat 1 hij op of omstreeks 29 december 2022 in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan/onder/naast twee (personen)auto’s, te weten een Nissan Qashqai, [kentekennummer 3] en/of een Mercedes-Benz S600, [kentekennummer 4] , door open vuur in aanraking te brengen met (motor)benzine, althans met een brandbare stof, die over die (personen)auto’s was gegoten/gesprenkeld en/of onder (een van) genoemde auto(‘s) was geplaatst, ten gevolge waarvan - die (personen)auto’s en/of - een (voor)deur en/of een of meerdere kozijnen en/of ramen van de een woning, gelegen aan [adres 3] , geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor in die (personen)auto(‘s) gelegen goederen en/of een nabijgelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een of meer in die woning(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in voormelde woning(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was; ( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) 2 hij op of omstreeks 15 januari 2023 in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk brand te stichten, op/aan/in een (personen)auto, Mercedes-Benz S600, [kentekennummer 4] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor in die (personen)auto gelegen goederen en/of nabij geparkeerde (personen)auto’s en/of woningen) en/of levensgevaar voor een of meer in voormelde woning(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in voormelde woning(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was, met dat opzet - benzine, in elk geval een vluchtige en/of brandbare vloeistof, over die (personen)auto heeft gegoten/gesprenkeld, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) 3 hij op of omstreeks 21 januari 2023 in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een (toegangs)poort, behorende bij een pand, gelegen aan [adres 2] , door open vuur in aanraking te brengen een jerrycan, gevuld met (motor)benzine, althans een brandbare stof, die tegen die (toegangs)poort was geplaatst en/of over/rond die (toegangs)poort was gegoten, ten gevolge waarvan die (toegangs)poort geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor (aangebouwd) [woning] en/of pand(en) en/of in dat [woning] en/of dat/die pand(en) gelegen goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of) en/of levensgevaar voor een of meer in voormeld(e) pand(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in voormelde woning(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was; ( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer personen op of omstreeks 21 januari 2023 in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een (toegangs)poort, behorende bij een pand, gelegen aan [adres 2] , door open vuur in aanraking te brengen een jerrycan, gevuld met (motor)benzine, althans een brandbare stof, die tegen die (toegangs)poort was geplaatst en/of over/rond die (toegangs)poort was gegoten, ten gevolge waarvan die (toegangs)poort geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor (aangebouwd) [woning] en/of pand(en) en/of in dat [woning] en/of dat/die pand(en) gelegen goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of ) en/of levensgevaar voor een of meer in voormeld(e) pand(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in voormelde woning(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was, welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 15 januari 2023 tot en met 21 januari 2023 in de gemeente Best, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door een hoeveelheid geld uit te loven voor het plegen van de brandstichting en/of adresgegevens te verstrekken; ( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) 4 hij op of omstreeks 4 maart 2023 in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan een (personen)auto Jaguar, S-type, met dat opzet met een of meer van zijn/haar mededader(s), althans alleen - een fles met benzine, althans een brandbare vloeistof, over voornoemde personenauto heeft gegoten en/of - een/deze lies met benzine, althans een brandbare vloeistof, naast het achterwiel van voornoemde (personen)auto heeft geplaatst en/of - een of meerdere lucifers heeft aangestoken en/of - ( herhaaldelijk) een of meerdere lucifers in de richting van de fles met benzine, althans een brandbare vloeistof, heeft gegooid/geworpen, in elk geval met dat opzet heeft getracht om open vuur in aanraking te brengen met een benzine, althans een brandbare vloeistof, en daarvan gemeen gevaar voor in die (personen)auto gelegen goederen en/of nabijgelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer personen op of omstreeks 4 maart 2023 in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan een (personen)auto Jaguar, S-type, met dat opzet met een of meer van zijn/haar mededader(s), althans alleen - een fles met benzine, althans een brandbare vloeistof, over voornoemde personenauto heeft gegoten en/of - een/deze fles met benzine, althans een brandbare vloeistof, naast het achterwiel van voornoemde (personen)auto heeft geplaatst en/of - een of meerdere lucifers heeft aangestoken en/of - ( herhaaldelijk) een of meerdere lucifers in de richting van de fles met benzine, althans een brandbare vloeistof, heeft gegooid/geworpen, in elk geval met dat opzet heeft getracht om open vuur in aanraking te brengen met een benzine, althans een brandbare vloeistof, en daarvan gemeen gevaar voor in die (personen)auto gelegen goederen en/of nabijgelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 21 januar
Volledig
i 2023 tot en met 4 maart 2023 in de gemeente Leudal opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door een hoeveelheid geld uit te loven voor het plegen van de brandstichting en/of adresgegevens te verstrekken; ( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/suh 2 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 5 hij op of omstreeks 29 maart 2023 in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan/in een (bestel)auto, Seat Inca, [kentekennummer 4] , door open vuur in aanraking te brengen met een brandversnellende vloeistof en/of (4-takt- of motor)benzine, althans met een brandbare vloeistof, die over die (bestelauto was gegoten, ten gevolge waarvan die (bestel)auto, Seat Inca, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de in die (bestel)auto gelegen goederen en/of (een) nabijgelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een of meer in voormelde woning(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in voormelde woning(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was; ( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [naam 10] en/of [naam 9] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer andere personen op of omstreeks 29 maart 2023 in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan/in een (bestel)auto, Seat Inca, [kentekennummer 4] , door open vuur in aanraking te brengen met een (brandversnellende) vloeistof en/of (4-takt- of motorjbenzine, althans met een brandbare vloeistof, die over die (bestel)auto was gegoten, ten gevolge waarvan die (bestel)auto, Seat Inca, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de in die (bestel)auto gelegen goederen en/of (een) nabijgelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een of meer in voormelde woning(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in voormelde woning(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was; welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 4 maart 2023 tot en met 29 maart 2023 in de gemeente(n) Son en Breugel en/of Best, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door een hoeveelheid geld uit te loven voor het plegen van de brandstichting en/of adresgegevens te verstrekken; ( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) BIJLAGE II: bewijsmiddelenoverzicht Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, proces-verbaalnummer LB1 R022122-349, onderzoek Recuerdo, gesloten d.d. 7 november 2023, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1591. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 18 juli 2023, p. 56 t/m 59 deel 12 (persoonsdossier [medeverdachte 3] ) (dit proces-verbaal maakt geen deel uit van het doorgenummerde dossier), zakelijk weergegeven: Mij is gevraagd of ik naar de [adres 3] wilde gaan om te kijken of er niks verdachts stond, geen politie of verdachte auto’s. Ook moest ik kijken of er auto’s stonden. Ik moest dat dan doorgeven en dan kon ik weer gaan. Ik kreeg het adres op een briefje geschreven. 29 december 2022, dat weet ik nog als de dag van gisteren. Toen wist ik nog niet waar ik heen moest. Hun vroegen aan mij rijdt daarheen, houdt het daar in de gaten en of er geen politie staat, geen verdachte situaties en geef dat door. Dat heb ik toen gedaan. En toen een paar dagen later was het mij op aan het vreten van wat is daar nou eigenlijk gebeurd. Toen ben ik dat op gaan zoeken op het internet en toen zag ik dat daar brand was gestoken. De opdracht is mij verteld. Ik kreeg toen een briefje met het adres erop. Dat was de eerste keer dat ik daarheen moest gaan om te kijken. Ik kreeg het briefje ergens in de middag. Ik ben in mijn auto gestapt en daarheen gereden. Dat was met de Volvo V40. Tussen 29 december 2022 en 15 januari 2023 ben ik wel vaker daar geweest. Als er niks stond, gebeurde er kennelijk ook niets. Dan kreeg ik er ook geen geld voor. Ik ben daar wel twee tot vier keer geweest met mijn eigen auto. Mij werd steeds gevraagd of er geen politie stond en of ik dat wilde doorgeven. Ik reed er dan heen en keek of er niets stond. Van tevoren is een voetbalveldje en een parkeerplek. Tot daar reed ik, dan een klein stukje verder, dan draaide ik om en reed ik naar huis. Ik heb maar één keer dat papiertje gekregen want het adres wist ik toen. De 15de moest ik weer. Toen ben ik daar weer heen gereden. Die avond was er volgens mij ook brandgesticht of wilde ze dat. Ik heb daarna van diegene zelf vernomen dat het niet was gelukt. Ik heb toen doorgegeven dat er niks verdachts stond zeg maar van een politieauto zoiets. Soms moest ik wel doorgeven of daar een auto stond. Op 29 maart kreeg ik ook weer de vraag van ga je daarheen, kijken of er iets staat, iets verdachts. En dat stond er toen niet. En blijkbaar is er die avond toen weer brandgesticht. Ik heb dat toen op internet opgezocht. Ik zal toen ook wel iets aan informatie hebben doorgegeven. Het was geen moeten. Ik deed het omdat ik er geld voor kreeg. Ik heb een telefoon, Iphone 14 pro. Het telefoonnummer is [telefoonnummer 2] . Alleen ik maak gebruik van mijn auto. Ik heb denk ik in totaal wel 5 of 6 keer geld gekregen. Het was niet altijd standaard een bedrag. Ik kreeg wel minder als ik zeg maar die aantal keren reed voor niks. Ik moest heel vaak rijden, ook overdag een paar keer. Ik kreeg dan iets meer dan benzinegeld. Ik moest kijken of er geen politie of mensen waren. En of daar auto’s stonden. Mij werd gevraagd van rijdt daarheen en kijk of alles goed is zodat wij ons ding kunnen doen daar. De auto’s moesten dan op het adres staan. Op 29 maart, was ik weer aan het voor verkennen. Dat deed ik elke keer. Ik moest daar kijken. De eerste keer wist ik niet dat er brandgesticht zou gaan worden. De eerste keer wist ik wel dat er iets ging gebeuren wat niet mag maar de andere keren wist ik wel dat het om brandstichting ging. Achteraf is mij verteld wat er gebeurd is. Daar is over gesproken. Ik heb het zelf opgezocht, maar daarna kreeg ik het ook te horen. Er werd over gepraat dat er brand werd gesticht daar. Ik had maar contact met één persoon en ik heb in totaal wel 5 of zes keer geld gekregen. Ik kreeg wel minder als ik zeg maar die aantal keren reed voor niks. Want ik moest heel vaak rijden, ook overdag een paar keer rijden en dan kreeg ik benzinegeld, iets meer dan benzinegeld. Mij werd gevraagd van rij daarheen en kijk of alles goed is, zodat wij ons ding kunnen doen daar. De auto’s moesten bij die mensen staan op het adres dat ik net noemde. Ik ben alleen in Neer geweest op dat adres. Er stonden meerdere huizen naast elkaar. Er stonden als het goed is twee auto’s bij de oprit voor hun huis. Het was een beetje in een bocht. Het werd mij echt rechtstreeks gevraagd om daarheen te gaan. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 30 maart 2023, p. 38 en 39 deel 12 (persoonsdossier [medeverdachte 3] ) (dit proces-verbaal maakt geen deel uit van het doorgenummerde dossier), zakelijk weergegeven: Ik heb een Volvo V40. Ik heb geen andere auto.
Volledig
De auto staat op naam van mijn vrouw. Mijn telefoonnummer is [telefoonnummer 2] . Ik heb geen andere telefoonnummers. Ik gebruik dat nummer al een aantal jaren. Ik kan mij niet herinneren dat ik mijn telefoon heb uitgeleend om te bellen. 29 december 2022 (feit 1) Het proces-verbaal van aangifte door [naam 1] d.d. 29 december 2022, p. 286, zakelijk weergegeven: Ik doe aangifte van brandstichting. Op donderdag 29 december 2022, omstreeks 02.00 uur, werd ik wakker gebeld door mijn dochter. Ik zag dat de brandweer onze twee auto's aan het blussen was. Onze auto's betroffen een Nissan Qashqai, voorzien van het Nederlandse kenteken [kentekennummer 3] , en een Mercedes 5600, voorzien van het Nederlandse kenteken [kentekennummer 4] . Beide auto's stonden voor ons huis geparkeerd met de neus richting het huis. Ze stonden op ongeveer drie meter van het huis af geparkeerd. Het proces-verbaal aanvullend verhoor aangeefster [naam 1] d.d. 31 december 2022, p. 288 t/m 290, zakelijk weergegeven: Op donderdag 29 december 2022, omstreeks 01:57 uur, lag ik te slapen in mijn woning gelegen aan de [adres 3] , gemeente Leudal. Ik lag in mijn bed samen met mijn man. Ik nam de telefoon op en ik hoorde dat mijn dochter zei: “Mam je auto staat in de brand”. Ik ben toen uit bed gestapt en maakte de slaapkamerdeur open. Als je de slaapkamerdeur openmaakt, kom je op de overloop uit. Vanuit de overloop kun je door glas naar de oprit kijken. Ik zag dat er vlammen voor het raam waren. Ik schat dat de vlammen reeds twee meter hoog waren. Ik maakte vervolgens de voordeur open maar ik zag al veel rookontwikkelingen en maakte de voordeur weer dicht. Dit om geen rook in te ademen. Mijn man en ik bleven in de woning omdat we bang waren dat het vuur richting onze woning zou komen en vanwege het mogelijk ontploffingsgevaar van de personenauto's. Het keukenraam heeft een barst in het raam en de kunststofkozijnen zijn verschroeid. Het trappenhalraam heeft ook een barst in het raam en ook hier zijn de kunststofkozijnen verschroeid. De pui van de voordeur, kunststofkozijn, is ook verschroeid en hierbij is het raam van de voordeur ook beschadigd daar er een barst in zit. De twee personenauto's zijn total loss. Ik heb een vermoeden wie dit gedaan zou kunnen hebben. Ik heb met mijn ex-man een [woning] , genaamd [woning] verkocht aan de heer [naam 8] . Dit was in mei 2016. We bleven hier wonen. Dit was ook contractueel vastgelegd. Toen zijn vrouw was overleden, is het eigenlijk verkeerd gelopen met ons contact. Daarvoor hadden we namelijk een goede verstandhouding met hem en zijn vrouw. In 2018 is mijn dochter [naam 3] (de rechtbank begrijpt: [familienaam 2] ) in het bijgebouw van het [woning] komen wonen. Ook dit is contractueel vastgelegd. Zij woonde hier met haar kinderen en haar man. Het kleinkind van de heer [naam 8] , [naam 18] , kwam ook in het bijgebouw van het [woning] wonen. Hij woonde in een woongedeelte beneden [naam 3] . Omdat hij wiet rookte kwam de rook van de wiet naar boven in de woning van [naam 3] . Hier heeft [naam 3] geregeld wat van gezegd. Tegen [naam 18] als ook tegen de heer [naam 8] . In eerste aanleg vond de heer [naam 8] het vervelend gaf hij aan. Er is echter niets mee gedaan. Een aantal jaren geleden kwam de heer [naam 8] naar mij toe en gaf aan dat ik spullen ontvreemd had die van hem waren. Dit was echter niet het geval. Hij beschuldigde mij van diefstal. Ik ben toen zelf op onderzoek uitgegaan en gaf aan dat de spullen die ik ontvreemd zou hebben er nog gewoon lagen. Zo had ik nog een paar conflicten met hem. Hij beschuldigde mij wederom van diefstal. In het gesprek waar mijn man ook bij aanwezig was, gaf de heer [naam 8] aan dat hij wel een paar zigeuners op ons af zou sturen. Wat deze zigeuners zouden doen, vertelde hij niet. Wij voelden ons daardoor wel bedreigd. Er zijn tot ik weg ben gegaan op het adres, [adres 6] , meerdere voorvallen geweest met de heer [naam 8] . In de zomer 2020, werd ik gebeld door mijn dochter [naam 3] . Zij gaf aan dat de heer [naam 8] , haar weer aan het bedreigen en lastig aan het vallen was. Ik zei dat ik eraan zou komen. Ik ben toen in gesprek gegaan met de heer [naam 8] maar er was niet een gesprek mee te voeren. Uiteindelijk gaf hij op het einde van het gesprek aan. “Wacht maar jou pak ik nog wel, daar krijg je spijt van.” Hij wees hierbij met zijn wijsvinger naar mij. Ik probeerde meerdere keren nog met hem te praten maar hij wilde niet meer met mij praten. Begin 2022, was ik bij mijn dochter [naam 3] . Zij had een paniekaanval en haar man, is toen naar de huisartsenpost gegaan dit naar aanleiding van een conflict met de heer [naam 8] . Ik ben toen naar de heer [naam 8] gegaan die voorbij kwam rijden in zijn personenauto. Ik klopte op het raam om te vragen waar hij mee bezig was. Hij zei toen tegen mij met jou praat ik niet meer. Mijn dochter [naam 3] heeft heel erg veel problemen met de heer [naam 8] . Zij heeft ook veelvuldig met de politie gesproken. Omdat mijn dochter veel problemen heeft met de heer [naam 8] en omdat ik ook problemen heb gehad, vermoed ik dat hij achter deze brandstichting zit. Of hij het zelf heeft gedaan of dit heeft uitbesteedt, dat weet ik niet. Het proces-verbaal forensisch onderzoek voertuigen Mercedes-Benz [kentekennummer 4] , Nissan RX365T d.d. 23 januari 2023, p. 307 t/m 309, zakelijk weergegeven: Op donderdag 29 december 2022 om 08:40 uur kwamen wij, naar aanleiding van een brandstichting, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 3] . Omstreeks 01:45 uur, werd bij de politie gemeld dat er twee auto's in brand zouden staan, voor de woning van [adres 3] . Door de brandweer werden de voertuigen geblust. Wij zagen op de oprit, voor de woning, twee auto's staan. Vanaf de openbare weg de [adres 3] gezien stond links de Nissan Qashqai en rechts de Mercedes-Bens 5600. Beide auto's stonden met de neus richting de woning. Wij zagen bij de Mercedes-Benz S600 dat de brand voornamelijk aan de voorzijde, de linkerzijde en aan de achterzijde had gewoed. Wij zagen dat het rechte