Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-02-11
ECLI:NL:RBLIM:2026:1115
vonnis RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11789289 CV 25-3075 vonnis van de kantonrechter van 11 februari 2026 in de zaak van 1 [lessee 1] , 2. [lessee 2] , wonende te [plaats] , eisende partij in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident, verwerende partij in de hoofdzaak en in het incident, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces, tegen de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in de hoofdzaak en verwerende partij in het incident, eisende partij in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident, gemachtigde: USG Legal Professionals. Partijen worden hierna [lessees] (mannelijk enkelvoud) en Dexia genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 2 juli 2025, tevens houdende een incidenteel verzoek; de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, tevens houdende conclusie van antwoord in het incident, tevens houdende een incidenteel verzoek; de conclusie van antwoord in het incident, tevens houdende conclusie repliek in conventie en van antwoord in reconventie; de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie; de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties. 1.2. De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren 1.3. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2 2. De feiten 2.1. [lessees] heeft de volgende leaseovereenkomst(en) (verder: de overeenkomsten) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst I. [contractnummer 1] 14-09-2000 Capital Effect II. [contractnummer 2] 14-09-2000 Capital Effect III. [contractnummer 3] 28-09-2000 Capital Effect IV. [contractnummer 4] 28-09-2000 Capital Effect 2.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald I. 24-04-2006 - € 759,19 Nee II. 24-04-2006 - € 803,62 Nee III. 24-04-2006 - € 750,18 Nee IV. 24-04-2006 - € 718,24 € 90,46 is verrekend met dividendopbrengsten 2.3. Volgens opgave van Dexia heeft [lessees] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 10.914,77 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [lessees] € 1.701,42 aan dividenden ontvangen en € 867,29 aan fiscaal voordeel genoten. 2.4. De gemachtigde van [lessees] , Leaseproces, heeft bij brieven van 21 september 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren. 2.5. De overeenkomsten III. en IV. zijn rechtsgeldig vernietigd door [lessees] Dexia heeft ter zake haar ongedaanmakingsverplichting op 20 maart 2019 een bedrag van € 3.615,28 uitgekeerd (overeenkomst III.) en op 18 december 2018 een bedrag van € 3.593,09 (overeenkomst IV.). 3 De vordering en het verweer in de hoofdzaak en de verzoeken in het incident 3.1. [lessees] vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - in het incident: Dexia zal veroordelen de aanvraagformulieren en haar versie van de ondertekende overeenkomsten III. en IV. aan [lessees] te verstrekken, - in de hoofdzaak: voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [lessees] en/of toerekenbaar is tekort geschoten, voor recht zal verklaren dat [lessees] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [lessees] van al datgene dat [lessees] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, voor [lessees] voert aan dat hij een belang heeft bij een beoordeling op een andere grondslag (schending van artikel 41 NR 1999 versus vernietiging op grond van 1:88/1:89 BW), nu bij een vernietiging rente verschuldigd is vanaf het moment van vernietiging en bij schending van artikel 41 NR 1999 rente verschuldigd is vanaf de afzonderlijke betaaldata. 4.5. Overwogen wordt dat [lessees] onvoldoende heeft aangetoond dat hij op grond van een mogelijk onrechtmatig handelen van Dexia (door schending van artikel 41 NR 1999) meer schade heeft geleden dan dat hij reeds op grond van de vernietiging van de overeenkomsten heeft ontvangen. Bij vernietiging van de overeenkomst dient Dexia immers alle door de afnemer betaalde bedragen aan de afnemer terug te betalen (als had de overeenkomst nooit bestaan), zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met eventuele voordelen die de afnemer heeft genoten, buiten de overeenkomst tussen partijen om (bijvoorbeeld fiscaal voordeel). Bij de schadeberekening als gevolg van een onrechtmatig handelen dient wel rekening te worden gehouden met eventueel (extern) genoten voordelen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [lessees] niet, dan wel onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij meer schade heeft geleden dan reeds aan hem is vergoed. [lessees] heeft dan ook geen belang bij zijn vordering ten aanzien van de overeenkomsten III. en IV. De vorderingen van [lessees] ten aanzien van de overeenkomsten III. en IV. zullen daarom worden afgewezen en dienen buiten de beoordeling te blijven. overeenkomsten I. en II. tussenpersoon 4.6. [lessees] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [adviesbureau] (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 4.7. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [lessees] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [lessees] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [lessees] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [lessees] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [lessees] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden [lessees] heeft twee Capital Effect overeenkomsten afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 97,91 en heeft twee Capital Effect overeenkomsten afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 101,13.” 4.9. [lessees] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie van het op 11 september 2000 te [plaats] ondertekende aanvraagformulier op naam van [lessee 1] , voorzien van [adviseursnummer] en faxregel waaruit blijkt dat het formulier door de tussenpersoon is verzonden, - een kopie van het op 11 september 2000 te [plaats] ondertekende aanvraagformulier op naam van [lessee 2] , voorzien van [adviseursnummer] en faxregel waaruit blijkt dat het formulier door de tussenpersoon is verzonden, - een kopie van de overeenkomsten van 14 september 2000 met contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] , voorzien van de tekst: “Adviseur [adviseursnummer] - [adviesbureau] ”. en een faxregel waaruit blijkt dat de tussenpersoon de overeenkomsten heeft verzonden. aanhoudingsverzoek 4.10. Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen. 4.11. Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen. (nieuwe) argumenten Dexia 4.12. Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer: dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd; dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon; dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs. 4.13. Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [lessees] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [lessees] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [lessees] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [lessees] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [lessees] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [lessees] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). 4.18. Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590. 4.19. Gelet op het voorgaande behoeven eventuele andere door [lessees] aangevoerde gronden geen nadere bespreking. BKR-registratie 4.20. Dexia zal - voor het geval Dexia met betrekking tot [lessees] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven - worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [lessees] geen verplichtingen uit de overeenkomsten meer heeft. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van € 10.000,00. het incidentele verzoek van [lessees] 4.21. verzoekt Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van de aanvraagformulieren van de overeenkomsten III. en IV. Geoordeeld is dat [lessees] geen belang heeft bij zijn vorderingen ten aanzien van de overeenkomsten III. en IV. Hij heeft dan ook geen belang bij deze stukken in deze procedure, zodat het verzoek zal worden afgewezen. 4.22. De proceskosten van dit incident komen voor rekening van [lessees] omdat hij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van Dexia worden begroot op € 87,00. het incidentele verzoek van Dexia 4.23. Dexia verzoekt dat [lessees] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend. 4.24. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [lessees] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen. 4.25. De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [lessees] worden begroot op € 87,00. vorderingen Dexia 4.26. Gelet op de beoordeling in conventie wordt de gevorderde verklaring voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten III. en IV. aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [lessees] verschuldigd is, toegewezen. De overige vorderingen van Dexia worden, eveneens gelet o