Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-04
ECLI:NL:RBLIM:2026:1053
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Verzet
6,109 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1053 text/xml public 2026-02-20T11:22:35 2026-02-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-04 11876529 CV EXPL 25-3665 Uitspraak Verzet NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1053 text/html public 2026-02-20T11:22:23 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1053 Rechtbank Limburg , 04-02-2026 / 11876529 CV EXPL 25-3665 Huurzaak. Verzet. Huurverhoging voldeed niet aan eisen die de wet daaraan stelt. Oude huurprijs is blijven gelden. Alsnog 10 maanden huurachterstand. Beroep op opschorting wegens gebreken slaagt niet. Ook geen huurprijsvermindering. Gebreken én niet deugdelijk gemeld, én niet allemaal vast komen te staan en/of onvoldoende gebleken dat woongenot is aangetast. Huurovereenkomst wordt ontbonden. Ontruimingstermijn verlengd in verband met persoonlijke omstandigheden huurder. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 11876529 \ CV EXPL 25-3665 Vonnis van 4 februari 2026 in de zaak van 1 [verhuurder 1] , te [plaats 1] , 2. [verhuurder 2] , te [plaats 2] , gedaagde partijen in het verzet in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [verhuurders] , gemachtigde: Agin Otten Gerechtsdeurwaarders, tegen [huurder] , te [plaats 3] , eisende partij in het verzet in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [huurder] , gemachtigde: mr. T.R.S. Franssen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verstekvonnis van 6 augustus 2025 in de zaak met zaaknummer 11801542 CV EXPL 25-2963 (hierna: het verstekvonnis); - het exploot van verzetdagvaarding van 4 september 2025 met producties 1 tot en met 6, die tevens wordt aangemerkt als eis in reconventie; - de conclusie van antwoord in oppositie met producties 1 tot en met 13, die tevens wordt aangemerkt als conclusie van antwoord in reconventie; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de mondelinge behandeling van 9 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door [huurder] een kopie van de tussen hem en de rechtsvoorganger van [verhuurders] gesloten huurovereenkomst is overgelegd en door [verhuurders] een afschrift van hun betaalrekening over de periode 24 april 2023 tot en met 8 december 2025 en de in die periode door [huurder] gedane betalingen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op 21 juni 2022 hebben [verhuurders] de onroerende zaak gelegen aan de [adres] (hierna: het pand) gekocht van de heer en mevrouw [achternaam] . Het betreft een kamerverhuurpand. 2.2. Ten tijde van de eigendomsoverdracht waren drie kamers in het pand verhuurd, waaronder die van [huurder] . [huurder] huurt [kamer] (hierna: het gehuurde). 2.3. [huurder] heeft een huurachterstand laten ontstaan. 2.4. [verhuurders] hebben [huurder] op 1 april 2025 aangemaand tot betaling van de vordering van op dat moment € 1.440,00 binnen een termijn van veertien dagen nadat die brief bij [huurder] is bezorgd, bij gebreke waarvan hij € 261,36 inclusief btw aan incassokosten zou moeten voldoen. [huurder] heeft hieraan geen gevolg gegeven. 2.5. Op 6 augustus 2025 is het verstekvonnis tegen [huurder] als gedaagde gewezen. 2.6. [huurder] heeft op 18 augustus 2025 en 19 augustus 2025 respectievelijk € 1.000,00 en € 400,00 betaald. 3 Het geschil in conventie 3.1. [huurder] is in verzet gekomen van het tegen hem als gedaagde gewezen verstekvonnis, waarin de huurovereenkomst is ontbonden en waarbij hij is veroordeeld tot – samengevat – ontruiming van het gehuurde, betaling van een bedrag van € 2.361,36 aan huurachterstand en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente, de toekomstige huur dan wel gebruikersvergoeding en in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2. [huurder] vordert in verzet dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [huurder] tot goed opposant zal verklaren, het verzet gegrond zal verklaren en [huurder] geheel of deels zal ontheffen uit de veroordeling van het jegens hem gewezen vonnis, met veroordeling van [verhuurders] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.4. Na eisvermindering vordert [huurder] – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: II. voor recht zal verklaren dat [huurder] rechtmatig gebruik maakt van het aan hem toekomende opschortingsrecht; III. [verhuurders] hoofdelijk zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de gebreken in het gehuurde te herstellen; IV. zal bepalen dat de maandelijkse huurprijs wordt verminderd tot een bedrag van € 65,00, ingaande op 21 juni 2022 totdat de gebreken volledig zijn hersteld; V. zal bepalen dat [verhuurders] hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling aan [huurder] van het verschil tussen de betaalde huurprijs en de verminderde huurprijs of tot terugbetaling van het bedrag aan huur dat onverschuldigd is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente; VI. [verhuurders] zal veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. 3.5. [verhuurders] voeren verweer. [verhuurders] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [huurder] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [huurder] , met zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [huurder] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zullen deze gezamenlijk behandeld worden. in conventie en in reconventie De zaak in het kort 4.2. Het gaat in deze zaak om de vraag of [huurder] een huurachterstand heeft en of de huurovereenkomst om die reden moet worden ontbonden. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [huurder] inderdaad een huurachterstand heeft, ook als is die – door een onterecht doorgevoerde huurverhoging – lager dan in het verstekvonnis is toegewezen. [huurder] heeft een beroep gedaan op opschorting en een vordering tot huurprijsverlaging gedaan, vanwege gebreken in het gehuurde, maar dat gaat volgens de kantonrechter niet op. De gebreken (die ook niet deugdelijk zijn gemeld) zijn niet (allemaal) aannemelijk geworden en/of al grotendeels hersteld en/of niet zodanig dat het huurgenot daardoor substantieel wordt aangetast. [huurder] mocht de huurbetalingen dus niet opschorten en heeft ook geen verrekenbare tegenvordering op [verhuurders] De ontbinding van de huurovereenkomst blijft in stand en [huurder] moet het gehuurde ontruimen. Hij krijgt daarvoor wel een iets langere tijd dan gebruikelijk, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden. De tijdigheid van het verzet 4.3. De kantonrechter overweegt ambtshalve dat [huurder] ontvankelijk is in zijn verzet. De termijn van vier weken van artikel 143 lid 2 eerste volzin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering eindigt in dit geval namelijk op zijn vroegst op 4 september 2025 en [huurder] heeft met de dagvaarding van dezelfde datum verzet aangetekend tegen het verstekvonnis van 6 augustus 2025. De huurprijs 4.4. Om vast te kunnen stellen wat de hoogte van de huurachterstand is, moet eerst worden vastgesteld wat de maandelijkse huurprijs is. Daarover wordt het volgende overwogen. 4.5. Vast staat dat de hoogte van de huurprijs vóór de eigendomsoverdracht € 195,00 per maand was. [verhuurders] heeft 3 oktober 2024 een brief gestuurd aan [huurder] waarin staat dat de huur met ingang van 1 november 2024 met € 25,00 wordt verhoogd en € 220,00 per maand zal bedragen . 4.6. [huurder] stelt dat de huurverhoging niet rechtsgeldig is, omdat hij daartegen mondeling heeft geprotesteerd. Hij heeft tot en met maart 2025 de oude huur betaald en is daarna wel € 220,00 per maand gaan betalen. Op de mondelinge behandeling is het standpunt ingenomen dat de huurprijs niet is verhoogd en € 195,00 is gebleven. 4.7.
Volledig
De kantonrechter is van oordeel dat de brief van 3 oktober 2024 om meerdere redenen niet voldoet aan de vereisten van artikel 7:252 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Immers: de brief bevat geen voorstel tot huurverhoging, maar een aankondiging; de aangekondigde verhoging gaat in binnen 27 dagen, in plaats van de voorgeschreven twee maanden, in de brief is niet vermeld dat en hoe [huurder] bezwaar kan maken tegen het voorstel, de huurprijs wordt met € 25,00 verhoogd, terwijl maximaal 5% was toegestaan. Het bedrag van € 25,00 was alleen toegestaan bij zelfstandige woonruimte, niet bij kamerhuur. 4.8. Uit lid 4 van artikel 7:252 BW volgt dat als gevolg daarvan de geldende huurprijs verschuldigd is gebleven, tenzij [huurder] niet door het verzuim zou zijn benadeeld. [huurder] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij niet wist dat hij bezwaar had moeten maken bij de Huurcommissie en de kantonrechter daaruit begrijpt dat [huurder] dat eigenlijk had willen doen als hij had geweten dat dat kon. [huurder] is dan ook benadeeld doordat er in de brief van 3 oktober 2024 door [verhuurders] geen informatie is verstrekt over de bezwaarmogelijkheid. Dat betekent dat de oude huurprijs van € 195,00 verschuldigd is gebleven en de basis is voor de berekening van de huurachterstand. De hoogte van de huurachterstand tot en met juni 2025 4.9. [verhuurders] vorderen € 2.100,00 aan huurachterstand en hebben deze vordering nader gespecificeerd in productie 4 bij oorspronkelijke dagvaarding. De kantonrechter stelt vast dat uit die productie blijkt dat [verhuurders] tot 1 januari 2025 zijn uitgaan van een maandelijkse huurprijs van € 195,00 en vanaf 1 januari 2025 van € 220,00. Het overzicht ziet op de periode tot en met juni 2025. Gelet op het overwogene in rov. 4.8. geldt de maandelijkse huurprijs van € 195,00 ook vanaf 1 januari 2025. Dat betekent dat de huurachterstand tot en met juni 2025 € 1.950,00 bedroeg. Het beroep op opschorting en huurprijsvermindering wegens gebreken 4.10. [huurder] stelt zich op het standpunt dat hij de betaling van de huur heeft opgeschort, omdat sprake is/was van gebreken aan het gehuurde bestaande uit: een verroeste brandtrap, ontbreken van een veilige branduitgang, schimmel in de keuken, het niet afschermen van de gasleiding in zijn kamer, gebrekkige elektriciteitsvoorziening in zijn kamer, ontbreken van een vrije vluchtroute, brandgang en binnenplaats, achterstallig onderhoud aan brandblussers, geen werkende keuken in het pand en lekkages in het pand. Ook legt [huurder] deze stelling ten grondslag aan de door hem in reconventie gevorderde huurprijsvermindering en terugbetaling door [verhuurders] van het verschil tussen de betaalde huurprijs en de verminderde huurprijs. [huurder] wil deze vordering tot terugbetaling verrekenen met de huurachterstand. De kantonrechter overweegt ten aanzien van deze stellingen het volgende. 4.11. Een gebrek is een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft (artikel 7:204 lid 2 BW). De aanwezigheid van een gebrek kan er – kort gezegd – toe leiden dat een huurder gerechtigd is om zijn betalingsverplichting tegenover de verhuurder op te schorten (artikel 6:262 BW samen met artikel 7:205 BW), dat verhuurder verplicht is om de gebreken te verhelpen (artikel 7:206 BW) en dat huurder, indien voldaan is aan de daarvoor geldende voorwaarden, recht heeft op vermindering van de huurprijs (artikel 7:207 BW). 4.12. De stelling van [huurder] kan niet leiden tot toewijzen van de gevorderde huurprijsvermindering of verklaring voor recht dat hij de betaling van de huur op goede gronden heeft opgeschort. De huurder kan op grond van artikel 7:207 lid 1 BW namelijk alleen huurprijsvermindering vorderen ter zake van gebreken die de verhuurder kende, hetzij door kennisgeving van de huurder, hetzij omdat de verhuurder al met het gebrek in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan. Hetzelfde geldt voor een beroep op het opschortingsrecht van artikel 6:262 BW. [huurder] stelt weliswaar dat de gebreken bij [verhuurders] telefonisch zijn gemeld op het moment dat zij eigenaar werden van de nieuwe woning dan wel via de groepsapp en dat hij mondeling tegen [verhuurders] heeft gezegd dat hij vanwege de gebreken even geen huur betaalt, maar [verhuurders] hebben betwist dat [huurder] dit heeft gedaan en [huurder] heeft deze stellingen niet onderbouwd met bijvoorbeeld afschriften van berichten aan [verhuurders] of andere stukken waaruit dit blijkt. 4.13. Alleen hierom al is de kantonrechter van oordeel dat [huurder] ten onrechte de betaling van de huur heeft opgeschort en dat de door [huurder] gevorderde huurprijsvermindering en verklaring voor recht dat hij rechtmatig gebruik heeft gemaakt van het opschortingsrecht zal worden afgewezen. Daarnaast is de kantonrechter ook van oordeel dat de door [huurder] gestelde gebreken allerminst zijn komen vast te staan en dat een groot deel van de door hem aangevoerde gebreken niet zodanig ernstig zijn dat volgehouden kan worden dat het woongenot van [huurder] daardoor aanzienlijk is geschaad. [verhuurders] hebben uitgebreid (en met foto’s) onderbouwd dat zij het pand flink hebben opgeknapt, rookmelders hebben vervangen, brandblussers hebben laten bijvullen, de keuken hebben vervangen en het spoelmechanisme van het toilet hebben hersteld. De afscherming van de gasleiding en herstel van de elektriciteitsvoorziening op de kamer van [verhuurders] is niet mogelijk gebleken, omdat [huurder] de toegang weigert. Verder zet [huurder] zelf allemaal spullen in de gang, waardoor vluchtroutes worden geblokkeerd. 4.14. Nu [huurder] en niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er zodanige gebreken zijn dat zijn woongenot is geschaad én evenmin dat hij die gebreken duidelijk heeft gemeld, kan hij zich niet op opschorting van de huurbetaling beroepen. Ook wordt de vordering tot huurprijsvermindering afgewezen. Het verweer van [huurder] dat de huurachterstand met zijn vordering wegens huurprijsvermindering kan worden verrekend, slaagt dus evenmin. 4.15. Ook zal de vordering tot herstel van de gebreken worden afgewezen. Dit omdat [huurder] onvoldoende heeft onderbouwd dat er (nog steeds) gebreken zijn én omdat [huurder] bij toewijzing daarvan geen voldoende belang heeft omdat de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden bekrachtigd in dit vonnis en het gehuurde moet worden ontruimd. Wat moet [huurder] nog aan [verhuurders] betalen? 4.16. Omdat het beroep op opschorting en verrekening niet slaagt, moet [huurder] het onder 4.9 genoemde bedrag aan huurachterstand betalen. Dat betekent dat de in het verstekvonnis uitgesproken veroordeling van [huurder] om € 2.100,00 te betalen zal worden vernietigd en dat [huurder] in dit vonnis zal worden veroordeeld om € 1.950,00 aan [verhuurders] te betalen. Hetgeen [huurder] na het wijzen van het verstekvonnis heeft betaald dat kan worden toegerekend aan de periode tot en met juni 2025, zal door [verhuurders] op dit bedrag in mindering moeten worden gebracht. 4.17. [verhuurders] vorderen € 220,00 per maand aan huur of gebruikersvergoeding, behoudens huurverhogingen, voor elke ingegane maand met ingang van 1 juli 2025 tot en met de maand waarin [huurder] het gehuurde heeft ontruimd. Gelet op het overwogene in rov. 4.8. geldt vanaf 1 januari 2025 de maandelijkse huurprijs van € 195,00. Door [verhuurders] is niet gesteld en het is de kantonrechter niet gebleken dat vanaf 1 juli 2025 een huurprijs van € 220,00 per maand geldt. Dit betekent dat de in het verstekvonnis uitgesproken veroordeling van [huurder] om € 220,00 per maand te betalen aan huur of gebruikersvergoeding zal worden vernietigd. [huurder] zal in dit vonnis worden veroordeeld om € 195,00 per maand aan [verhuurders] te betalen vanaf 1 juli 2025 tot en met de maand waarin [huurder] het gehuurde heeft ontruimd. Ontbinding en ontruiming 4.18.
Volledig
Ten tijde van de oorspronkelijke dagvaarding bestond een huurachterstand van tien maanden (€ 1.950,00 gedeeld door € 195,00). Deze tekortkoming – een huurachterstand van drie maanden of meer – is ernstig genoeg om ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde te rechtvaardigen. Ook telt mee dat [huurder] al eerder de huur niet heeft betaald. In 2023 hebben [verhuurders] al een keer eerder een procedure tegen [huurder] gestart, die heeft geresulteerd in een regeling. Dat [huurder] de huurachterstand na de dagvaarding deels heeft betaald, maakt dat niet anders. De tekortkoming wordt daarmee namelijk niet ongedaan gemaakt aangezien de verplichting om de huur op tijd te betalen geschonden blijft. Bovendien is de huurachterstand nog steeds niet helemaal voldaan. 4.19. Ook de door [huurder] aangevoerde omstandigheid dat [verhuurders] niet heeft voldaan aan de in artikel 2 van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening genoemde informatie- en meldverplichtingen met betrekking tot huurachterstanden maakt niet dat de ontbinding met haar gevolgen niet is gerechtvaardigd omdat deze omstandigheid in dit geval op zichzelf onvoldoende is om tot dat oordeel te komen. 4.20. De namens [huurder] aangevoerde persoonlijk omstandigheden dat sprake is van psychische problematiek, dat hij een kwetsbare huurder is en dat hij nu hulp krijgt van maatschappelijk werk, maken niet dat sprake is van een tekortkoming van geringe betekenis of bijzondere aard die de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Die omstandigheden komen namelijk voor rekening en risico van [huurder] en doen niet af aan de belangen die [verhuurders] hebben bij een huurder die op tijd aan haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst voldoet. Daar komt bij dat [verhuurders] ook aannemelijk hebben gemaakt dat [huurder] zich ook op andere vlakken niet als goed huurder gedraagt. Hij verleent geen toegang tot zijn kamer om noodzakelijke werkzaamheden aan de elektriciteitsvoorziening en gasleiding te laten verrichten en slaat zelf spullen op in de gemeenschappelijke gang. Samen met de aanzienlijke huurachterstand, en het slechte betalingsgedrag in het verleden, vindt de kantonrechter dat de persoonlijke omstandigheden van [huurder] niet zwaarder wegen dan de belangen van [verhuurders] bij ontbinding en ontruiming. Daarom zal de in het verstekvonnis uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst in stand worden gelaten. 4.21. Wel vormen die persoonlijke omstandigheden voor de kantonrechter aanleiding om op billijkheidsgronden de ontruimingstermijn te bepalen op een maand na betekening van dit vonnis in plaats van de termijn van twee weken die normaal gesproken wordt gehanteerd. Daarom zal de in het verstekvonnis uitgesproken veroordeling om het gehuurde te ontruimen binnen twee weken na betekening van het vonnis worden vernietigd en zal [huurder] in dit vonnis worden veroordeeld om het gehuurde te ontruimen binnen een maand na betekening van dit vonnis. De buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente 4.22. [verhuurders] vorderen betaling van buitengerechtelijke incassokosten en van de wettelijke rente van artikel 6:119 BW. De kantonrechter moet, nu het een overeenkomst met een consument betreft, in beginsel ambtshalve vaststellen of afspraken zijn gemaakt over deze gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de gebruiker, in dit geval [verhuurders] , in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest en het Gupfinger-arrest . 4.23. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [huurder] de tussen hem en de rechtsvoorganger van [verhuurders] gesloten huurovereenkomst overgelegd. De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomst geen incassokostenbeding en ook geen rentebeding bevat. Dit betekent dat er geen bedingen zijn die aan toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente in de weg staan. 4.24. Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten moet beoordeeld worden of ten minste aan de eisen van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. [verhuurders] hebben aan [huurder] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal [huurder] een bedrag van € 261,36 inclusief btw moeten betalen. Ook zal [huurder] de wettelijke rente over de huurachterstand en de buitengerechtelijke incassokosten moeten betalen omdat hij tegen de verschuldigdheid daarvan geen verweer heeft gevoerd en hij in verzuim verkeert. in conventie 4.25. Op grond van het voorgaande is het verzet gedeeltelijk gegrond. De kantonrechter zal het verstekvonnis vernietigen, behoudens de daarin uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst en de proceskostenveroordeling, en zal met inachtneming van hetgeen dat in dit vonnis is overwogen opnieuw beslissen. 4.26. [huurder] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van het verzet betalen. De proceskosten in verzet van [verhuurders] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 434,00 (2 punten × € 217,00) - nakosten € 108,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 542,50 4.27. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. in reconventie 4.28. [huurder] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten in reconventie van [verhuurders] worden begroot op € 217,00 aan salaris gemachtigde. - salaris gemachtigde € 217,00 (2 punten × factor 0,5 x € 217,00) Totaal € 217,00 4.29. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter in conventie 5.1. verklaart het verzet van [huurder] gedeeltelijk gegrond, 5.2. vernietigt het door de kantonrechter op 6 augustus 2025 onder zaaknummer 11801542 CV EXPL 25-2963 tussen [verhuurders] als eisende partij en [huurder] als gedaagde partij gewezen verstekvonnis, behoudens de daarin uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst en proceskostenveroordeling alsmede de uitvoerbaar bij voorraad verklaring daarvan, en opnieuw rechtdoende: 5.3. veroordeelt [huurder] om binnen een maand na betekening van dit vonnis voormeld gehuurde, met al het zijne en de zijnen, te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [verhuurders] te stellen, 5.4. veroordeelt [huurder] om tegen bewijs van kwijting aan [verhuurders] te betalen een bedrag van € 2.211,36, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.211,36 vanaf 14 juli 2025 tot de dag van volledige betaling, 5.5. veroordeelt [huurder] om aan [verhuurders] te betalen € 195,00 per maand voor elke ingegane maand met ingang van 1 juli 2025 tot en met de maand waarin [huurder] het gehuurde heeft ontruimd, onder voorbehoud van de eventueel (wettelijk) toegestane huurverhoging, 5.6. veroordeelt [huurder] in de proceskosten van het verzet van € 542,50, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. in reconventie 5.8. wijst de vorderingen van [huurder] af, 5.9. veroordeelt [huurder] in de proceskosten in reconventie van € 217,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, in conventie en in reconventie 5.10. veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van het verzet en de proceskosten in reconventie als deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn betaald, 5.11. veroordeelt [huurder] tot betaling van de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.12. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3, tot en met 5.6 en 5.9 tot en met 5.11 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr.