Rechtspraak Rechtbank Limburg 2025-09-24
ECLI:NL:RBLIM:2025:9187
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 22/48 en ROE 22/183 uitspraak van de meervoudige kamer van 25 september 2025 in de zaken tussen [eisers 1] , uit [woonplaats 1] , eisers 1 (gemachtigde: mr. G.T. van de Weerdt), [eisers 2] , uit [woonplaats 2] , eisers 2 (gemachtigde: mr. M.J.C. Mol), gezamenlijk eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert , verweerder. Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] . uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster) (gemachtigde: [gemachtigde 1] ). Procesverloop 1. Bij het bestreden besluit van 2 december 2021 heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (hierna: OBM) verleend en de omgevingsvergunning milieu van 16 juni 2011 ingetrokken. 1.1. Eisers 1 (ROE 22/48) en eisers 2 (ROE 22/183) hebben tegen dit besluit beroepen ingesteld. 1.2. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Eisers 2 hebben hierop gereageerd. Eisers hebben tevens een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend. 1.3. De rechtbank heeft de beroepen op 14 november 2024, gezamenlijk met de zaak van eisers 1 met nummer ROE 22/1078, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers 1, [gemachtigde 2] namens eisers 1, de gemachtigde van eisers 2 en mr. F. Soeltaansingh, de toenmalige gemachtigde van verweerder. Na het sluiten van het onderzoek zijn deze zaken gesplitst van zaak ROE 22/1078. 1.4. De rechtbank heeft het onderzoek bij brief van 13 januari 2025 heropend om partijen in staat te stellen te reflecteren op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 en ECLI:NL:RVS:2024:4909, in relatie tot het bestreden besluit. Eisers 1 en eisers 2 hebben op 30 januari 2025 respectievelijk 5 februari 2025 hierop gereageerd en verweerder heeft op 11 maart 2025 gereageerd. Nadat geen van de partijen desgevraagd heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. (Totstandkoming van) het bestreden besluit 2. Vergunninghoudster is eigenaar van een varkenshouderij en rundveebedrijf op het adres [adres] in [plaats 1] . Hiervoor is bij besluit van 16 juni 2011 een nieuwe, de gehele inrichting omvattende, omgevingsvergunning voor de activiteit milieu verleend. Ook is een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend voor het bouwen van vier stallen. Op 29 mei 2018 heeft de voormalige eigenaar van het perceel [adres] een aanvraag OBM ingediend voor het veranderen van de varkenshouderij, het wijzigen van de afmetingen van stal 3, het aansluiten van stal 2 op een chemische luchtwasser, het wijzigen van twee gecombineerde luchtwassers op stal 3 en het minderen van 25 vleesvarkens in stal 3 (hierna: het project). Bij brief van 9 augustus 2018, ingekomen bij verweerder op 14 september 2018, heeft de voormalige eigenaar van het perceel [adres] verzocht ten behoeve van interne saldering de omgevingsvergunning van 16 juni 2011 in te trekken als de OBM wordt verleend. 3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteit omgevingsvergunning beperkte milieutoets (artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) en de omgevingsvergunning van 16 juni 2011 ingetrokken. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank beoordeelt de OBM. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Ter zitting hebben eisers 2 de in het beroepschrift onder punt 3 genoemde grond over de AERIUS-calculator ingetrokken. Dit betekent dat deze grond niet (meer) ter beoordeling voorligt. Voor de beoordeling van het beroep van eisers acht de rechtbank het wettelijk kader van belang dat is opgenomen als bijlage bij deze uitspraak. 5. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevol Verweerder heeft dit volgens eisers 2 ten onrechte niet onderkend. Bovendien geldt volgens eisers 2 dat een vvgb op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb en artikel 6.10a, eerste lid, van het Bor door GS geweigerd had moeten worden omdat geen natuurvergunning is verleend. Een vvgb kan alleen worden verleend als de verlening van de omgevingsvergunning niet in strijd is met de Wnb. 9. De rechtbank stelt verder vast dat de beroepsgrond van eisers 2 niet ziet op de vraag of sprake is van een aanhaakverplichting voor een natuurvergunning als bedoeld in artikel 2.2aa, aanhef en onder a, van het Bor. Verweerder lijkt hier in zijn reflectie intern salderen van 20 februari 2025 ten onrechte wel vanuit te gaan. De beroepsgrond ziet naar het oordeel van de rechtbank op het wel of niet noodzakelijk zijn van een vvgb en niet op het wel of niet bestaan van een aanhaakverplichting. 10. De rechtbank overweegt dat hoewel voormelde beroepsgrond door eisers 2 is aangedragen en niet door eisers 1, die grond ziet op de bevoegdheid van verweerder om de OBM te verlenen en als zodanig dus (ook) een door de rechtbank ambtshalve te toetsen aangelegenheid is. De vraag of verweerder een vvgb had moeten vragen strekt zich dan ook uit over het beroep van eisers 1. Oordeel rechtbank 11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen vvgb nodig was. Als er ten onrechte geen vvgb is gevraagd en afgegeven, betekent dit dat voor verweerder de bevoegdheid ontbrak om de OBM te verlenen. Het bestreden besluit, de OBM, zal dan ook door de rechtbank worden vernietigd. Oude situatie 12. Vanaf 1 januari 2020 en tot de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 was vaste rechtspraak van de Afdeling dat een natuurvergunning alleen nodig is voor een project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Bij de beoordeling van de vraag of een project significante gevolgen kan hebben - de voortoets - mogen de gevolgen van het voorgenomen project worden bezien in relatie tot de gevolgen van de bestaande vergunde situatie. Dat wordt intern salderen met de referentiesituatie genoemd. Als de gevolgen van het voorgenomen project niet groter of anders zijn dan de gevolgen van de al vergunde situatie op dezelfde locatie, dan zijn significante gevolgen uitgesloten en is geen natuurvergunning nodig voor het voorgenomen project. De referentiesituatie is - in dit geval, omdat vergunninghoudster geen natuurvergunning heeft - de milieutoestemming zoals die gold door de op 16 juni 2011 verleende omgevingsvergunning, omdat dat de laagst vergunde referentiesituatie is vanaf de Europese referentiedatum (in dit geval 10 juni 1994, 24 maart 2000 en 7 december 2004, zijnde de aanwijsdata voor de Natura-2000 gebieden). In deze vergunning is 2.166,85 kg NH3 per jaar (stal 1,2,3,3b en 4) toegestaan. Niet betwist is en de rechtbank stelt vast dat voor de beoogde situatie sprake is van 2.024,50 kg NH3 per jaar (stal 1,2,3,3b en 4). Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat in het oude beoordelingskader het inderdaad zo was dat, als door GS en verweerder ook aangegeven, significante gevolgen uitgesloten waren en er geen natuurvergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb vereist was voor het voorgenomen project, omdat de gevolgen van het project, door de afname van stikstofdepositie, niet groter of anders waren dan de gevolgen van de vergunning van 16 juni 2011. In dat geval was een vvgb van GS inderdaad niet aan de orde, omdat er geen natuurvergunning nodig was. Nieuwe situatie 13. In de 18 december-uitspraken van de Afdeling is dat beoordelingskader veranderd. In die uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat, anders dan voorheen, de referentiesituatie niet mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. In de voortoets mag voor de beoordeling of significante gevolgen zijn uitgesloten, geen vergelijking worden gemaakt van de gevolgen van de bestaande vergu Vergunninghoudster wil de afmetingen van stal 3 wijzigen, stal 2 aansluiten op een chemische luchtwasser, twee gecombineerde luchtwassers plaatsen op stal 3 en 25 vleesvarkens minderen in stal 3. Het project bevat dan de realisatie van de derde stal, het realiseren van wijzigingen aan één bestaande stal en de exploitatie van een agrarisch bedrijf in drie stallen, waar er feitelijk nog maar twee zijn. Gelet hierop is sprake van een gewijzigd en daarmee van een nieuw project. In de voortoets moeten de gevolgen van de bouwwerkzaamheden en de exploitatie van de derde stal, zoals die na de voorgenomen wijziging zal plaatsvinden, worden beoordeeld. Gelet hierop zijn significante gevolgen niet op voorhand uitgesloten. Dit betekent dat niet reeds aan de voorkant vaststaat dat voor het project geen natuurvergunning nodig is. Om dat te beoordelen is een passende beoordeling nodig en die is niet gemaakt. Ten tijde van het verlenen van de OBM mochten GS en verweerder niet het standpunt innemen dat er enkel vanwege intern salderen geen significante negatieve gevolgen voor de natuur zijn en dus geen vvgb nodig zou zijn en de OBM verleend kon worden zonder natuurvergunning. Nu GS ten onrechte hebben gesteld dat een natuurvergunning - en daarom ook een vvgb - niet nodig is wegens de mogelijkheid van intern salderen en verweerder GS hierin heeft gevolgd, is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het bestreden besluit, voor zover dit de OBM betreft, reeds hierom vernietigd dient te worden. 18. Gelet op wat hiervoor is geoordeeld, komt de rechtbank niet toe aan de overige beroepsgronden van eisers. Wat betekent vernietiging van de OBM voor de vergunning van 16 juni 2011? 19. Het gevolg van de vernietiging van de OBM is dat vergunninghoudster geen enkele vergunning meer heeft, omdat de omgevingsvergunning van 16 juni 2011 bij het bestreden besluit is ingetrokken. Dit is geen gewenste situatie, omdat verweerder de vergunning van 16 juni 2011, enkel en alleen op verzoek van vergunninghoudster heeft ingetrokken, omdat de OBM in plaats kwam van de vergunning van 16 juni 2011. Als de OBM niet was verleend was de omgevingsvergunning niet ingetrokken. Gelet hierop zal de rechtbank het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning van 16 juni 2011 ook vernietigen. Dit betekent dat de vergunning van 16 juni 2011 herleeft. Overschrijding redelijke termijn 20. Eisers hebben bij brieven van 10 en 30 oktober 2024 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 21. De redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. In zaken zonder een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van het indienen van het beroepschrift. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter die beslist op het verzoek om schadevergoeding, uitspraak doet over het geschil dat eisers en verweerder verdeeld houdt. De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd, waarbij de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep eveneens ten hoogste twee jaar mag duren. 22. De redelijke termijn is gestart in zaak ROE 22/48 met het indienen van het beroepschrift op 4 januari 2022 en in zaak ROE 22/183 met het indienen van het beroepschrift op 14 januari 2022. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar met één jaar en ruim acht maanden overschreden. 22.1. Bij een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan eisers toe te kennen schadevergoeding De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: 25 september 2025 griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 25 september 2025 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Juridisch kader Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 29 mei 2018. Dat betekent dat in deze beroepsprocedures de het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Wabo Artikel 2.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: (…) i.het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving. Artikel 2.20a Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van de omgevingsvergunning een verklaring vereist is als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is geweigerd. Artikel 2.27 1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist. Wnb Artikel 2.7 2.Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Bor Artikel 2.2a 1.Als categorieën activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer worden aangewezen: (…) f. de activiteit, bedoeld in categorie 14, van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, in de gevallen waarin ten minste 51 en ten hoogste 2000 mestvarkens behorend tot de diercategorieën genoemd in kolom 2, onder 2°, van categorie 14, worden gehouden, met dien verstande dat deze aanwijzing niet van toepassing is in de gevallen waarin artikel 7.18 van de Wet milieubeheer van toepassing is. (…) 4. Als categorieën activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, va