Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-03-26
ECLI:NL:RBLIM:2025:8673
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,019 tokens
Inleiding
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/330056 / HA ZA 24-204
Vonnis van 26 maart 2025
in de zaak van
1 [eiseres sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,2. [eiser sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. C.S.B.E. Reinders,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 januari 2025,- de akte van [gedaagde] van 22 januari 2025,- de akte van [eisers] van 5 februari 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 8 januari 2025 onder andere geoordeeld dat eerst de ligging van de erfgrens vastgesteld moet worden om te kunnen beoordelen of [gedaagde] onrechtmatig gebruik maakt van (delen van) het perceel van [eisers] . In dat kader dient een deskundige, zijnde een persoon werkzaam bij het Kadaster, benoemd te worden om een deskundigenonderzoek uit te voeren.
2.2.
Partijen hebben zich bij akte uitgelaten over de aan de te benoemen deskundige te stellen vragen. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Vragen
2.3.
[gedaagde] is niet concreet ingegaan op de reeds door de rechtbank bij tussenvonnis van 8 januari 2025 geformuleerde vragen, maar heeft bij akte van 22 januari 2025 zelf twee vragen aan de te benoemen deskundige geformuleerd. Gelet hierop neemt de rechtbank aan dat [gedaagde] zich kan vinden in de door de rechtbank geformuleerde vragen. [gedaagde] wenst dat daaraan de volgende vragen worden toegevoegd:
In het geval vastgesteld mocht worden dat het dak van het tuinhuis, dan wel het dak van het tuinhuis voorzien van een aan te brengen dakgoot met een breedte van 60 mm zich deels boven het aan [eisers] in eigendom toebehorende perceel met nummer [kadasternummer 1] mocht bevinden, kan het Kadaster alsdan vaststellen met hoeveel mm of cm het dak dan wel het dak, voorzien van een aan te brengen dakgoot van 60 mm, boven perceel [kadasternummer 1] aanwezig is?
Kan, nadat de kadastrale erfgrens tussen het perceel [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] is bepaald, en indien aan de orde, vastgesteld worden met hoeveel mm of cm het ijzeren hekwerk is aangebracht op het perceel met nummer [kadasternummer 1] ?
2.4.
[eisers] is tevreden met de vraagstelling geformuleerd door de rechtbank en acht die in principe compleet. [eisers] heeft zich ook uitgelaten over de aanvullend geformuleerde vragen van [gedaagde] . [eisers] kan zich vinden in het voorleggen van de eerste door [gedaagde] geformuleerde vraag aan de te benoemen deskundige, aangezien deze vraag mogelijk relevant kan zijn. [eisers] kan zich niet vinden in het voorleggen van de tweede door [gedaagde] geformuleerde vraag aan de te benoemen deskundige. Volgens [eisers] is de aanwezigheid van het ijzeren hekwerk op het perceel van [eisers] ook niet geoorloofd als het slechts een klein stukje op het perceel van [eisers] zou staan of slechts in geringe afstand tot de perceelgrens. Hiervoor bestaat geen grondslag en bovendien is zulks nimmer door [gedaagde] gesteld en is hierover ook geen debat gevoerd in de procedure. [eisers] verzoekt de rechtbank om deze vraag niet aan de te benoemen deskundige voor te leggen.
2.5.
De rechtbank overweegt dat de eerste geformuleerde vraag door [gedaagde] aan de te benoemen deskundige zal worden voorgelegd, omdat zij voldoende concreet en relevant is en [eisers] daartegen ook geen bezwaren naar voren heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de tweede geformuleerde vraag door [gedaagde] een feitelijke vraag is, waarvan niet kan worden uitgesloten dat het antwoord op deze vraag van belang kan zijn bij de verdere voortzetting van de procedure. Ook deze vraag zal aan de te benoemen deskundige worden voorgelegd.
2.6.
De rechtbank bepaalt, met inachtneming van het voorgaande, dat de vraagstelling komt te luiden als weergegeven onder de beslissing.
Deskundigenbericht
2.7.
De rechtbank zal de onder de beslissing vermelde deskundige benoemen. De hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige zal de rechtbank, overeenkomstig de begroting gemaakt door de te benoemen deskundige en de reactie van partijen daarop, vaststellen op een bedrag van € 540,00. Over dit bedrag wordt geen btw geheven. In het tussenvonnis van 8 januari 2025 is al aangekondigd dat [eisers] het voorschot op de kosten van de deskundige moet deponeren. De rechtbank zal thans dienovereenkomstig beslissen.
Tot slot
2.8.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
2.9.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.
2.10.
De rechtbank zal de beslissing over het voorschot ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Dictum
De rechtbank
3.1.
benoemt tot deskundige:
de heer R. van Bun,
Hofstraat 110 (De Grift, kamer 7.20),
7311 KZ Apeldoorn,
telefoon: 088-1832000,
email: roy.vanbun@kadaster.nl,
de vragen aan de deskundige
3.2.
de door de deskundige te beantwoorden vragen zijn:
Kunt u de kadastrale erfgrens vaststellen tussen de percelen [kadasternummer 1] en [kadasternummer 1] ?
In het geval vastgesteld mocht worden dat het dak van het tuinhuis, dan wel het dak van het tuinhuis voorzien van een aan te brengen dakgoot met een breedte van 60 mm zich deels boven het aan [eisers] in eigendom toebehorende perceel met nummer [kadasternummer 1] mocht bevinden, het Kadaster alsdan kan vaststellen met hoeveel mm of cm het dak dan wel het dak, voorzien van een aan te brengen dakgoot van 60 mm, boven perceel [kadasternummer 1] aanwezig is?
Kan, nadat de kadastrale erfgrens tussen het perceel [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] is bepaald, en indien aan de orde, vastgesteld worden met hoeveel mm of cm het ijzeren hekwerk is aangebracht op het perceel met nummer [kadasternummer 1] ?
het voorschot
3.3.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 540,00,
3.4.
bepaalt dat [eisers] het voorschot moeten overmaken binnen twee weken na de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
3.5.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
3.6.
bepaalt dat [eisers] het procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,
3.7.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
3.8.
wijst de deskundige er op dat:
de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,
de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,
indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,
3.9.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
3.10.
draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
3.11.
wijst de deskundige er op dat:
uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
3.12.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
3.13.
draagt de griffier op om de zaak op een eerdere rol te plaatsen:
- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of
- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht van beide partijen op een termijn van vier weken,
3.14.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. V. Steijvers en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2025.