Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-08-27
ECLI:NL:RBLIM:2025:8352
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,166 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 23/237
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats]
(gemachtigde: mr. M.J. van Weersch),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(gemachtigde: mr. J.P. Stokkers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de boete die de minister aan het bouwbedrijf heeft opgelegd naar aanleiding van een arbeidsongeval. Het bouwbedrijf is het niet eens met de hoogte van die boete. Zij voert daartoe aan dat de boete onevenredig is en gematigd dient te worden. Aan de hand van de argumenten van het bouwbedrijf beoordeelt de rechtbank of de minister terecht de boete heeft opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het bouwbedrijf gelijk heeft en dat de boete moet worden gematigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het boetebesluit van 31 augustus 2022 heeft de minister aan het bouwbedrijf een boete opgelegd van € 9.450,-. Er is in dit geval sprake van een boetenormbedrag van € 9.000,-, welke is vermenigvuldigd met 0,3 vanwege de bedrijfsgrootte en vervolgens is vermenigvuldigd met 3,5 vanwege de duur van de ziekenhuisopname. Met de beslissing op bezwaar is de minister bij zijn standpunt gebleven, maar heeft hij wel de boete vanwege de lange duur van de procedure gematigd met 5%. Het bouwbedrijf heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] (vertegenwoordigers van het bouwbedrijf), [belanghebbende 3] (slachtoffer van het arbeidsongeval),
de gemachtigde van het bouwbedrijf en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Beroepsgrond van het bouwbedrijf
3. Het bouwbedrijf voert in beroep aan dat de opgelegde boete onevenredig is aan de overtreding en dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de geringe ernst van het letsel. Vanwege die geringe ernst had de minister de boete moeten matigen met 50%, aldus het bouwbedrijf. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijst wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 12 maart 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:1982.
Het toetsingskader
4. Voor het bepalen of een boete moet worden opgelegd, en de hoogte van die boete, heeft de minister de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de Beleidsregel) opgesteld. In dit geval is artikel 1, tiende lid, van de Beleidsregel van belang. Daaruit volgt een verhoging van het boetebedrag wanneer onder andere sprake is van letsel (afhankelijk van de ernst) of een ziekenhuisopname (afhankelijk van de duur). De hoogst toepasselijke vermenigvuldigingsfactor wordt toegepast op de hoogte van de boete.
4.1.
Uit artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een bestuursorgaan (zoals de minister) moet handelen overeenkomstig een beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Verder volgt uit artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat een bestuursorgaan kan afwijken van het beleid om een lagere boete vast te stellen indien aannemelijk is dat de vastgestelde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank stelt vast dat de minister op grond van artikel 1, tiende lid, van de Beleidsregel de boete heeft vermenigvuldigd met drieënhalf omdat sprake is van een ziekenhuisopname van drie nachten en er sprake is van blijvend letsel.
6. Hoewel er strikt gezien sprake is van een ziekenhuisopname van meer dan twee nachten, heeft het slachtoffer ter zitting toegelicht dat die opname niet kwam door de ernst van het letsel maar doordat het slachtoffer heeft gekozen voor een behandeling door middel van een infuus in plaats van een kuur (waarbij het slachtoffer naar huis zou kunnen gaan), om de kans op een infectie te verminderen. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat naar de ziekenhuisopname wordt gekeken om een gradatie aan te brengen in wat de daadwerkelijke gevolgen zijn van een arbeidsongeval. De rechtbank leidt daaruit af dat de minister de ernst van het ongeval dan (ook) beoordeeld aan de hand van de duur van de ziekenhuisopname. Het is naar oordeel van de rechtbank dan slechts evenredig indien ook rekening wordt gehouden met de ernst van de ziekenhuisopname.
6.1.
In dit geval was er sprake van een keuze om deze behandeling te ondergaan en niet van een noodzakelijke ziekenhuisopname van meer dan twee nachten als gevolg van een ernstig ongeval. Het slachtoffer had – zo heeft hij ter zitting aangegeven en heeft de minister niet weersproken – ook kunnen kiezen voor een behandeling waarbij hij dezelfde dag nog naar huis had kunnen gaan, waardoor dan een lagere boete werd opgelegd. Het letsel is naar oordeel van de rechtbank dus niet zodanig ernstig dat het slachtoffer hierdoor een noodzakelijke ziekenhuisopname had van meer dan twee nachten. Voor zover de minister zich verder op het standpunt heeft gesteld dat volgens vaste rechtspraak ook opname ter observatie als ziekenhuisopname geldt, en hiermee zou bedoelen dat de aanvullende dagen voor het infuus daarom ook moeten worden meegeteld, deelt de rechtbank dat standpunt niet. Deze rechtspraak ziet op de meldingsplicht uit artikel 9 van de Arbeidsomstandighedenwet en kan niet direct worden toegepast op de bepaling uit de Beleidsregel, waarbij de mate van de ernst van belang is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de toepassing van de Beleidsregel in dit geval onevenredig is en dat de minister aanleiding had moeten zien om een lagere boete op te leggen. Het beroep is daarom in zoverre gegrond.
6.2.
De minister had naar oordeel van de rechtbank in dit geval moeten aansluiten bij de vermenigvuldigingsfactor voor een ziekenhuisopname van minder dan twee nachten, oftewel drie in plaats van drieënhalf. De rechtbank ziet in hetgeen het bouwbedrijf heeft aangevoerd geen aanleiding om de boete anderszins te matigen.
6.3.
In het kader van artikel 1, tiende lid, onder d, van de Beleidsregel, waaruit volgt dat de hoogst toepasselijke vermenigvuldigingsfactor wordt toegepast op de hoogte van de boete, merkt de rechtbank daarbij nog op dat haar uit de stukken niet concreet is gebleken in welke categorie de minister het blijvend letsel heeft beoordeeld. De minister stelt zich wel meermaals op het standpunt dat het letsel ernstig is. De rechtbank overweegt hierover nog kort dat zij van oordeel is dat sprake is van licht blijvend letsel, zodat ook de ernst van het blijvend letsel niet zou leiden tot een vermenigvuldigingsfactor van drieënhalf. Het slachtoffer is – zo heeft hij ook verklaard ter zitting – goed genezen van het ongeval. Zijn wijsvinger staat weliswaar krom (en dus is er blijvend letsel), maar dit hindert hem niet in zijn dagelijkse leven of in de uitoefening van zijn beroep.
Overschrijding van de redelijke termijn
7. De rechtbank stelt ambtshalve (dat wil zeggen, zonder dat het bouwbedrijf hierop een beroep heeft gedaan) vast dat de redelijke termijn is overschreden. Voor een zaak zoals deze is in beginsel een termijn van twee jaar, gerekend vanaf de dag van de ontvangstbevestiging van het boeterapport (5 januari 2022), redelijk. Bij een overschrijding met meer dan één jaar handelt de rechtbank, voor het vaststellen van de consequenties van die overschrijding, naar bevind van zaken.
7.1.
De redelijke termijn is met meer dan een anderhalf jaar overschreden. De rechtbank acht het in dit geval redelijk om de oorspronkelijke boete te matigen met 20% vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond. Een redelijke toepassing van de Beleidsregels brengt in dit geval met zich mee dat de minister vermenigvuldigingsfactor drie, in plaats van drieënhalf, had moeten hanteren. Omdat het beroep gegrond is, dient de beslissing op bezwaar te worden vernietigd.
8.1.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om met toepassing van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door de hoogte van de boete vast te stellen op € 6.480,-. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de beslissing op bezwaar.
8.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan het bouwbedrijf het betaalde griffierecht vergoedt.
8.3.
De rechtbank veroordeelt de minister tenslotte in de door het bouwbedrijf gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108,- (Ten aanzien van de beroepsprocedure: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- met wegingsfactor 1. Ten aanzien van de bezwaarprocedure: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- met wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing op bezwaar voor zover het de hoogte van de boete betreft;
herroept het boetebesluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;
stelt het bedrag van de boete vast op € 6.480,-;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar voor zover het de hoogte van de boete betreft;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan het bouwbedrijf te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van het bouwbedrijf tot een bedrag van € 3.108,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar
op 27 augustus 2025
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 27 augustus 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Dat is het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een procedure inzake een punitieve sanctie in gang wordt gezet. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:913.
Zie wat is overwogen onder 16.2 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4761.
Het boetenormbedrag bedraagt in dit geval € 9.000,-. Om tot dit bedrag te komen heeft de rechtbank dit bedrag vermenigvuldigd met 0,3 vanwege de bedrijfsgrootte en vervolgens vermenigvuldigd met 3 vanwege het blijvend letsel en de ziekenhuisopname. Dat bedrag is vervolgens gematigd met 20% vanwege overschrijding van de redelijke termijn.