Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-05-06
ECLI:NL:RBLIM:2025:8350
Civiel recht; Goederenrecht, Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
5,698 tokens
Inleiding
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/340492 / KG ZA 25-121
Vonnis in kort geding van 6 mei 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. W.G.A. van Hoogstraten,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. F. van den Heuvel.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de producties van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagde]- de producties van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 24 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de ter zitting overgelegde pleitnota van [eiser] .
Feiten
2.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad van 2015 tot en met 2023. Sindsdien strijden zij over de verdeling van hun gezamenlijke eigendommen en over allerlei verrekeningsposten. Zij zijn samen eigenaar van hun hond, [naam hond] . Met ingang van januari 2024 hebben zij [de hond] wisselend bij zich gehad in het kader van een omgangsregeling die zij waren overeengekomen. Sinds september 2024 heeft [gedaagde] [de hond] echter bij zich gehouden en heeft [eiser] [de hond] niet meer gezien. Met dit kort geding wil [eiser] bewerkstelligen dat de omgangsregeling wordt hervat. Daarnaast houdt [gedaagde] persoonlijke eigendommen van [eiser] onder zich die hij terug wil hebben.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - nakoming van de omgangsregeling over hond [de hond] en afgifte van persoonlijke eigendommen, op straffe van een dwangsom.
3.2.
[gedaagde] voert verweer hiertegen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Juridisch kader kort geding
4.1.
In een kort geding procedure wordt aan de voorzieningenrechter gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat er na de kort geding procedure ook een gewone rechtszaak zal komen. In een kort geding procedure beoordeelt de voorzieningenrechter of het waarschijnlijk is dat in de gewone rechtszaak een beslissing zal worden genomen die in het voordeel van de eisende partij is. Als dat voldoende waarschijnlijk is, kan de maatregel die daarop vooruit loopt in een kort geding procedure worden toegewezen.
Spoedeisend belang
4.2.
Verder moet de eisende partij spoedeisend belang bij de spoedmaatregel hebben. Volgens [eiser] heeft hij spoedeisend belang bij zijn vordering dat [gedaagde] de omgangsregeling voor [de hond] moet nakomen omdat hij [de hond] al met ingang van oktober 2024 niet meer heeft gezien. De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang hiermee inderdaad gegeven is.
De stellingen van partijen ten aanzien van [de hond]
4.3.
[eiser] stelt dat partijen een omgangsregeling voor [de hond] zijn overeengekomen die inhoudt dat [de hond] om de twee weken bij de een en bij de ander is. Volgens [eiser] houdt [gedaagde] [de hond] echter al sinds september 2024 bij hem weg. Hij vordert in dit kort geding nakoming van de regeling.
4.4.
[gedaagde] erkent met [eiser] te zijn overeengekomen dat [de hond] om de twee weken bij de een en bij de ander zou zijn. Zij stelt de regeling eenzijdig te hebben stopgezet omdat [eiser] tegen de afspraak in aanwezig was in de gemeenschappelijke woning bij de overdracht van [de hond] . Volgens [gedaagde] zijn partijen daarna weer overeengekomen dat [de hond] om de twee weken bij de een en de ander zal zijn, maar dat de overdracht van [de hond] zou plaatsvinden op dinsdag om 19:00 uur bij de Burger King in [plaatsnaam] . Volgens [gedaagde] zijn partijen daarbij echter ook overeengekomen dat die regeling pas zou ingaan nadat de gehele verdeling van alle geschilpunten tussen partijen zou zijn afgerond.
4.5.
[eiser] betwist dit laatste. Hij stelt inhoudelijk met de door [gedaagde] voorgestelde regeling akkoord te zijn gegaan maar niet het uitstellen van de ingangsdatum. Hij stelt zich er van meet af aan ertegen te hebben verzet dat [gedaagde] [de hond] bij hem weghoudt.
De inhoud van de overeenkomst
4.6.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat [de hond] gemeenschappelijke eigendom van partijen is, wat meebrengt dat ieder van hen recht heeft op het gebruik en genot van [de hond] , zoals dat juridisch heet. Omdat partijen het erover eens zijn dat zij hiervoor een omgangsregeling met [de hond] zijn overeengekomen, hoeft de voorzieningenrechter niet zelf de belangen af te wegen om tot een regeling te komen, maar neemt de voorzieningenrechter de overeengekomen regeling tot uitgangspunt.
4.7.
Partijen zijn het erover eens zijn dat de omgangsregeling in ieder geval inhoudt dat [de hond] om de twee weken bij de een en bij de ander verblijft en dinsdag om 19 uur bij de Burger King in [plaatsnaam] zal worden overgedragen. Zij twisten echter over de vraag of deze omgangsregeling al is ingegaan of pas zal ingaan nadat de verdeling is afgerond.
4.8.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het voldoende waarschijnlijk dat de omgangsregeling loopt. Dit oordeel is op het volgende gebaseerd.
4.9.
Partijen zijn het erover eens dat de omgangsregeling van twee weken bij de een en twee weken bij de ander liep toen [gedaagde] de regeling eenzijdig stopzette. Zij had niet het recht om dat eenzijdig te doen en [eiser] heeft daar ook meteen tegen geprotesteerd.
4.10.
In een brief 29 oktober 2024 heeft de toenmalige advocaat van [gedaagde] in het kader van een voorstel over de algehele verdeling en verrekening ook het voorstel gedaan de bestaande omgangsregeling te hervatten waarbij de overdracht in het vervolg op dinsdag om 19:00 uur bij de Burger King in [plaatsnaam] zou kunnen plaatsvinden. Dit zou dan kunnen ingaan zodra alle onderwerpen van de verdeling zouden zijn afgerond. De toenmalige advocaat van [eiser] heeft daarop gereageerd bij brief van 26 november 2024. Deze brief is niet overgelegd maar wordt wel geciteerd in de pleitnotities van [gedaagde] . De reactie in de brief houdt in dat [eiser] kan instemmen met deze omgangsregeling: “Cliënt kan instemmen met het voorstel voor wat betreft de omgangsregeling van [de hond] , de regels gelden uiteraard over en weer. Hij zit echter niet in wat de reden is dat hij zijn nieuwe adres aan uw cliente moet doorgeven”. Hieruit leidt [gedaagde] af dat [eiser] ook zou hebben ingestemd met het ingaan van de omgangsregeling nadat de verdeling geheel was afgerond.
4.11.
[gedaagde] mocht er echter niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat [eiser] hiermee akkoord ging met het ingaan van de regeling nadat de algehele verdeling was afgerond. Er staat immers niet dat [eiser] akkoord gaat met de ingangsdatum van de regeling en dit past ook niet bij de omstandigheden van het geval: er liep al een omgangsregeling, die [gedaagde] eenzijdig had stopgezet, waartegen [eiser] had geprotesteerd. Bovendien is niet aannemelijk dat [eiser] met het starten van de omgangsregeling zou willen wachten totdat de gehele verdeling zou zijn afgerond omdat dat nog heel lang kan duren. Het moest voor [gedaagde] duidelijk zijn dat dat [eiser] belang hechtte aan de omgang met [de hond] , alleen al omdat hij de omgangsregeling voordat [gedaagde] die eenzijdig stopzette trouw is nagekomen.
4.12.
Voor zover [gedaagde] stelt dat er dan in het geheel geen omgangsregeling is overeengekomen, loopt de al bestaande omgangsregeling door. [gedaagde] had het recht niet deze omgangsregeling eenzijdig stop te zetten. Alleen als er zwaarwegende redenen aanwezig zijn kan de omgang exclusief aan één partij worden toegekend. Dat er zwaarwegende redenen waren is niet gesteld en ook niet gebleken. Het enkele feit dat [eiser] in strijd met de afspraak in de woning aanwezig was bij de overdracht is daarvoor onvoldoende.
4.13.
Verder heeft [gedaagde] nog gesteld inmiddels geen omgangsregeling meer te willen maar toedeling van [de hond] aan één van beide partijen. Zolang die toedeling er nog niet is, is [gedaagde] echter gebonden aan de door haar zelf overeengekomen omgangsregeling.
4.14.
De voorzieningenrechter vindt het daarom waarschijnlijk dat in een gewone rechtszaak de beslissing in het voordeel van eiser [eiser] zal zijn. Dat betekent dat de door [eiser] gevorderde nakoming van de omgangsregeling, zal worden toegewezen.
4.15.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en begrensd zoals in de beslissing wordt weergegeven.
De vordering tot afgifte van de persoonlijke spullen
4.16.
Partijen hebben ter zitting hun geschil over de persoonlijke bezittingen van [eiser] die [gedaagde] onder zich heeft beëindigd doordat [gedaagde] deze bezittingen aan [eiser] heeft overhandigd. Daarmee hoeft dit onderwerp verder niet meer te worden besproken.
Proceskosten
4.17.
[gedaagde] is de grotendeels in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om de overeengekomen zorgregeling voor de hond [de hond] na te komen en [de hond] op dinsdag 13 mei 2025 om 19:00 uur aan [eiser] over te dragen op de parkeerplaats van Burger King te [plaatsnaam] voor de duur van 14 dagen,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.764,86, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2025.
Productie 1 dagvaarding.
Gerechtshof Leeuwarden 11 oktober 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BT7456.
Inleiding
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/340492 / KG ZA 25-121
Vonnis in kort geding van 6 mei 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. W.G.A. van Hoogstraten,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. F. van den Heuvel.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de producties van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagde]- de producties van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 24 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de ter zitting overgelegde pleitnota van [eiser] .
Feiten
2.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad van 2015 tot en met 2023. Sindsdien strijden zij over de verdeling van hun gezamenlijke eigendommen en over allerlei verrekeningsposten. Zij zijn samen eigenaar van hun hond, [naam hond] . Met ingang van januari 2024 hebben zij [de hond] wisselend bij zich gehad in het kader van een omgangsregeling die zij waren overeengekomen. Sinds september 2024 heeft [gedaagde] [de hond] echter bij zich gehouden en heeft [eiser] [de hond] niet meer gezien. Met dit kort geding wil [eiser] bewerkstelligen dat de omgangsregeling wordt hervat. Daarnaast houdt [gedaagde] persoonlijke eigendommen van [eiser] onder zich die hij terug wil hebben.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - nakoming van de omgangsregeling over hond [de hond] en afgifte van persoonlijke eigendommen, op straffe van een dwangsom.
3.2.
[gedaagde] voert verweer hiertegen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Juridisch kader kort geding
4.1.
In een kort geding procedure wordt aan de voorzieningenrechter gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat er na de kort geding procedure ook een gewone rechtszaak zal komen. In een kort geding procedure beoordeelt de voorzieningenrechter of het waarschijnlijk is dat in de gewone rechtszaak een beslissing zal worden genomen die in het voordeel van de eisende partij is. Als dat voldoende waarschijnlijk is, kan de maatregel die daarop vooruit loopt in een kort geding procedure worden toegewezen.
Spoedeisend belang
4.2.
Verder moet de eisende partij spoedeisend belang bij de spoedmaatregel hebben. Volgens [eiser] heeft hij spoedeisend belang bij zijn vordering dat [gedaagde] de omgangsregeling voor [de hond] moet nakomen omdat hij [de hond] al met ingang van oktober 2024 niet meer heeft gezien. De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang hiermee inderdaad gegeven is.
De stellingen van partijen ten aanzien van [de hond]
4.3.
[eiser] stelt dat partijen een omgangsregeling voor [de hond] zijn overeengekomen die inhoudt dat [de hond] om de twee weken bij de een en bij de ander is. Volgens [eiser] houdt [gedaagde] [de hond] echter al sinds september 2024 bij hem weg. Hij vordert in dit kort geding nakoming van de regeling.
4.4.
[gedaagde] erkent met [eiser] te zijn overeengekomen dat [de hond] om de twee weken bij de een en bij de ander zou zijn. Zij stelt de regeling eenzijdig te hebben stopgezet omdat [eiser] tegen de afspraak in aanwezig was in de gemeenschappelijke woning bij de overdracht van [de hond] . Volgens [gedaagde] zijn partijen daarna weer overeengekomen dat [de hond] om de twee weken bij de een en de ander zal zijn, maar dat de overdracht van [de hond] zou plaatsvinden op dinsdag om 19:00 uur bij de Burger King in [plaatsnaam] . Volgens [gedaagde] zijn partijen daarbij echter ook overeengekomen dat die regeling pas zou ingaan nadat de gehele verdeling van alle geschilpunten tussen partijen zou zijn afgerond.
4.5.
[eiser] betwist dit laatste. Hij stelt inhoudelijk met de door [gedaagde] voorgestelde regeling akkoord te zijn gegaan maar niet het uitstellen van de ingangsdatum. Hij stelt zich er van meet af aan ertegen te hebben verzet dat [gedaagde] [de hond] bij hem weghoudt.
De inhoud van de overeenkomst
4.6.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat [de hond] gemeenschappelijke eigendom van partijen is, wat meebrengt dat ieder van hen recht heeft op het gebruik en genot van [de hond] , zoals dat juridisch heet. Omdat partijen het erover eens zijn dat zij hiervoor een omgangsregeling met [de hond] zijn overeengekomen, hoeft de voorzieningenrechter niet zelf de belangen af te wegen om tot een regeling te komen, maar neemt de voorzieningenrechter de overeengekomen regeling tot uitgangspunt.
4.7.
Partijen zijn het erover eens zijn dat de omgangsregeling in ieder geval inhoudt dat [de hond] om de twee weken bij de een en bij de ander verblijft en dinsdag om 19 uur bij de Burger King in [plaatsnaam] zal worden overgedragen. Zij twisten echter over de vraag of deze omgangsregeling al is ingegaan of pas zal ingaan nadat de verdeling is afgerond.
4.8.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het voldoende waarschijnlijk dat de omgangsregeling loopt. Dit oordeel is op het volgende gebaseerd.
4.9.
Partijen zijn het erover eens dat de omgangsregeling van twee weken bij de een en twee weken bij de ander liep toen [gedaagde] de regeling eenzijdig stopzette. Zij had niet het recht om dat eenzijdig te doen en [eiser] heeft daar ook meteen tegen geprotesteerd.
4.10.
In een brief 29 oktober 2024 heeft de toenmalige advocaat van [gedaagde] in het kader van een voorstel over de algehele verdeling en verrekening ook het voorstel gedaan de bestaande omgangsregeling te hervatten waarbij de overdracht in het vervolg op dinsdag om 19:00 uur bij de Burger King in [plaatsnaam] zou kunnen plaatsvinden. Dit zou dan kunnen ingaan zodra alle onderwerpen van de verdeling zouden zijn afgerond. De toenmalige advocaat van [eiser] heeft daarop gereageerd bij brief van 26 november 2024. Deze brief is niet overgelegd maar wordt wel geciteerd in de pleitnotities van [gedaagde] . De reactie in de brief houdt in dat [eiser] kan instemmen met deze omgangsregeling: “Cliënt kan instemmen met het voorstel voor wat betreft de omgangsregeling van [de hond] , de regels gelden uiteraard over en weer. Hij zit echter niet in wat de reden is dat hij zijn nieuwe adres aan uw cliente moet doorgeven”. Hieruit leidt [gedaagde] af dat [eiser] ook zou hebben ingestemd met het ingaan van de omgangsregeling nadat de verdeling geheel was afgerond.
4.11.
[gedaagde] mocht er echter niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat [eiser] hiermee akkoord ging met het ingaan van de regeling nadat de algehele verdeling was afgerond. Er staat immers niet dat [eiser] akkoord gaat met de ingangsdatum van de regeling en dit past ook niet bij de omstandigheden van het geval: er liep al een omgangsregeling, die [gedaagde] eenzijdig had stopgezet, waartegen [eiser] had geprotesteerd. Bovendien is niet aannemelijk dat [eiser] met het starten van de omgangsregeling zou willen wachten totdat de gehele verdeling zou zijn afgerond omdat dat nog heel lang kan duren. Het moest voor [gedaagde] duidelijk zijn dat dat [eiser] belang hechtte aan de omgang met [de hond] , alleen al omdat hij de omgangsregeling voordat [gedaagde] die eenzijdig stopzette trouw is nagekomen.
4.12.
Voor zover [gedaagde] stelt dat er dan in het geheel geen omgangsregeling is overeengekomen, loopt de al bestaande omgangsregeling door. [gedaagde] had het recht niet deze omgangsregeling eenzijdig stop te zetten. Alleen als er zwaarwegende redenen aanwezig zijn kan de omgang exclusief aan één partij worden toegekend. Dat er zwaarwegende redenen waren is niet gesteld en ook niet gebleken. Het enkele feit dat [eiser] in strijd met de afspraak in de woning aanwezig was bij de overdracht is daarvoor onvoldoende.
4.13.
Verder heeft [gedaagde] nog gesteld inmiddels geen omgangsregeling meer te willen maar toedeling van [de hond] aan één van beide partijen. Zolang die toedeling er nog niet is, is [gedaagde] echter gebonden aan de door haar zelf overeengekomen omgangsregeling.
4.14.
De voorzieningenrechter vindt het daarom waarschijnlijk dat in een gewone rechtszaak de beslissing in het voordeel van eiser [eiser] zal zijn. Dat betekent dat de door [eiser] gevorderde nakoming van de omgangsregeling, zal worden toegewezen.
4.15.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en begrensd zoals in de beslissing wordt weergegeven.
De vordering tot afgifte van de persoonlijke spullen
4.16.
Partijen hebben ter zitting hun geschil over de persoonlijke bezittingen van [eiser] die [gedaagde] onder zich heeft beëindigd doordat [gedaagde] deze bezittingen aan [eiser] heeft overhandigd. Daarmee hoeft dit onderwerp verder niet meer te worden besproken.
Proceskosten
4.17.
[gedaagde] is de grotendeels in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om de overeengekomen zorgregeling voor de hond [de hond] na te komen en [de hond] op dinsdag 13 mei 2025 om 19:00 uur aan [eiser] over te dragen op de parkeerplaats van Burger King te [plaatsnaam] voor de duur van 14 dagen,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.764,86, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2025.
Productie 1 dagvaarding.
Gerechtshof Leeuwarden 11 oktober 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BT7456.