Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-05-19
ECLI:NL:RBLIM:2025:4755
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,176 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/2158
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Mous),
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister
(gemachtigden: mr. J.A. ter Schure-Borghouts en [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Eiser heeft in het verleden op grond van de Subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg 2015-2019 (de SOIT) een subsidie van € 100.000,- toegekend gekregen om als vrijgevestigd medisch specialist over te stappen in loondienst bij een ziekenhuis. Verweerder heeft de toegekende subsidie gewijzigd tot € 0,- en het aan eiser betaalde geld teruggevorderd omdat eiser na zijn overstap niet alleen in loondienst zou hebben gewerkt. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de wijziging van de vaststelling van de subsidie op nihil en de terugvordering van de uitgekeerde subsidie.
1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank zal dat hieronder nader toelichten.
Achtergrond van de SOIT
2. Met de invoering van integrale tarieven voor medisch specialistische zorg met ingang van 1 januari 2015 geldt er nog maar één tarief voor elke zorgprestatie waarin alle kosten zijn verrekend die een ziekenhuis maakt. Door de invoering van de integrale tarifering veranderde de verhouding tussen vrijgevestigde medisch specialisten en het ziekenhuis/zelfstandig behandelcentrum. Beide partijen moesten nieuwe afspraken maken over de positie van de vrijgevestigd medisch specialist in het ziekenhuis. Ze konden daarbij kiezen uit het samenwerkingsmodel, waarin de vrijgevestigde specialist zijn ondernemerschap behoudt of ervoor kiezen dat de specialist in loondienst treedt. Om de overstap van vrije vestiging naar loondienst destijds een reële optie te laten zijn voor medisch specialisten, introduceerde de toenmalige minister de SOIT. De SOIT is een ministeriële regeling die gebaseerd is op de Kaderwet VWS-subsidies.
2.1.
Als uitgangspunt geldt dat de minister bij het opstellen van een subsidieregeling zoals de SOIT veel beslissingsruimte heeft. De SOIT is het resultaat van een politiek-bestuurlijke afweging om voor een bepaalde activiteit subsidie te verlenen. Die activiteit betreft de overstap van vrijgevestigde medisch specialisten naar loondienst, waarbij duurzame arbeidsverhoudingen tussen zorgaanbieders en de medisch specialisten ontstaan. Vrijgevestigde medisch specialisten die vrijwillig overstapten naar loondienst bij een ziekenhuis ontvingen een geldelijke tegemoetkoming van maximaal € 100.000,- als (gedeeltelijke) compensatie van de gederfde goodwill.
Procesverloop
3. Eiser, inmiddels gepensioneerd, was tot 1 januari 2015 werkzaam als vrijgevestigd medisch specialist in het Maasziekenhuis Pantein B.V. in Boxmeer (het ziekenhuis). Hij maakte als internist-intensivist deel uit van een maatschap van zestien specialisten.
Op 26 februari 2015 heeft het ziekenhuis namens eiser een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de SOIT. Om aan die regeling mee te kunnen doen heeft eiser zijn praktijk als vrijgevestigd medisch specialist beëindigd en is hij per 1 januari 2015 bij het ziekenhuis in loondienst getreden.
3.1.
Bij besluit van 11 september 2015 heeft de minister de aanvraag van eiser ingewilligd en is aan eiser, via het ziekenhuis, een subsidie verleend van € 100.000,-.
3.2.
Op 1 augustus 2016 is eiser wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd met pensioen gegaan. Na zijn pensionering is eiser nog kort in het ziekenhuis blijven werken. Omdat daar op een gegeven moment de werkzaamheden minder werden, is hij ook werkzaamheden gaan verrichten voor DC Klinieken (vanaf 30 november 2018 tot
30 november 2019) en PoliDirect Klinieken (vanaf 19 april 2019 tot 19 april 2020).
3.3.
Op 26 juni 2019 heeft het ziekenhuis namens eiser een aanvraag tot vaststelling van de subsidie ingediend.
3.4.
Op 21 november 2019 heeft de minister de subsidie vastgesteld op € 100.000,-. In dat besluit heeft de minister gemotiveerd dat uit de ontvangen verantwoording blijkt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden. In het besluit is verder vermeld dat eiser in verband met een mogelijke nacontrole van de subsidievaststelling op een later tijdstip verzocht kan worden om de nog niet ingediende belastingaangiften en vastgestelde aanslagen aan te leveren.
3.5.
Bij brief van 4 oktober 2021 heeft de minister eiser laten weten dat zijn aanvraag tot vaststelling van de subsidie is geselecteerd voor een nacontrole. Eiser heeft ten behoeve van die nacontrole op 22 november 2021 de aangiftes Inkomstenbelasting 2018 en 2019 en de definitieve aanslagen Inkomstenbelasting 2018 en 2019 verstrekt.
3.6.
Vervolgens heeft de minister bij besluit van 25 april 2022 (het primaire besluit) met toepassing van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de subsidievaststelling gewijzigd door het subsidiebedrag op nihil te stellen en met toepassing van artikel 4:57 van de Awb de subsidie van € 100.000, - van eiser terug te vorderen. Aan dit besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat de werkzaamheden die eiser voor DC Klinieken en PoliDirect Klinieken heeft verricht respectievelijk onder een samenwerkingsovereenkomst en een overeenkomst van opdracht zijn uitgevoerd. Deze overeenkomsten zijn niet aan te merken als een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Daarmee voldoet eiser volgens de minister niet aan artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de SOIT waarin is opgenomen dat de subsidieontvanger op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders als medisch specialist werkzaam is.
3.7.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat hij bevoegd was om de subsidievaststelling te wijzigen en vast te stellen op nihil en de verleende subsidie terug te vorderen. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is in de visie van de minister geen sprake.
3.8.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
3.9.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.10.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben als partij deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt of de in de SOIT genoemde “vierjaarsregeling” in het algemeen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, en, als dat niet zo is, of deze regeling in het specifieke geval van eiser in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Verder zal zij beoordelen of de minister bevoegd was om de subsidievaststelling te wijzigen tot nihil en tot terugvordering van de subsidie over te gaan, en als dat zo is of dit geen strijd oplevert met het evenredigheidsbeginsel.
4.1.
De toepasselijke wet- en regelgeving is als bijlage opgenomen in deze uitspraak.
Is de in de SOIT genoemde “vierjaarsregeling” in zijn algemeenheid in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
5. Primair stelt eiser zich op het standpunt dat de vierjaarsregeling in strijd is met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel en daarom (deels) buiten toepassing moet blijven. Anders dan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 10 maart 2021 heeft overwogen, is eiser van mening dat de focus niet moet liggen op het binnen vier jaar laten ontstaan van een duurzame arbeidsrelatie. Immers, door de wijziging van de SOIT in november 2014 kan ook bij een algehele stopzetting van de werkzaamheden als medisch-specialist (als gevolg van een pensionering) binnen vier jaar, toch sprake zijn van behoud van subsidie. Het doel van de SOIT is volgens eiser de overstap van de vrijgevestigde medisch specialisten naar loondienst te faciliteren waarbij de oude onderneming c.q. vrijgevestigde praktijk gestaakt wordt en blijft gedurende vier jaar. Het doel van de SOIT ziet, naar de mening van eiser, niet op het gedurende vier jaar laten bestaan van een duurzame arbeidsrelatie. In dat kader is volgens eiser de vraag wat de ratio is van het toepassen van de vierjaarsregeling op (ook) het verrichten van werkzaamheden voor andere zorgaanbieders. Naar de mening van eiser valt niet in te zien waarom een specialist in de vierjaarstermijn niet ook voor andere zorgaanbieders werkzaamheden mag verrichten op een andere basis dan via een arbeidsovereenkomst. Dat geldt volgens eiser zeker wanneer deze nieuwe werkzaamheden niet aan te merken zijn als een voorzetting van de oude vrijgevestigde praktijk.
6. De rechtbank overweegt dat de medisch specialist, om aanspraak te maken op subsidie op grond van de SOIT, na 31 december 2014, maar voor 1 juli 2015 zijn vrijgevestigde praktijk moet hebben beëindigd. Vanaf dat tijdstip moet de medisch specialist tot en met 31 mei 2019 uitsluitend op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders als medisch specialist werkzaam zijn. Zoals hiervoor al is weergegeven heeft eiser zijn werkzaamheden als vrijgevestigd medisch specialist per 1 januari 2015 beëindigd door vanaf die datum in loondienst te treden bij het ziekenhuis. Dat betekende dat hij vanaf die datum tot en met 31 mei 2019 uitsluitend op basis van één of meerdere arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders medisch specialistische zorg mocht verrichten.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat ter zitting is gebleken dat door eiser niet wordt bestreden dat hij niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de SOIT. Door eiser wordt enkel bestreden dat de SOIT in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat uit de toelichting op de SOIT volgt dat de SOIT tot doel heeft de overstap van de vrijgevestigde medisch specialist naar loondienst een reële optie te laten zijn, waarbij een duurzame arbeidsverhouding tussen de zorgaanbieder en de medisch specialist wordt gerealiseerd. De voorwaarden die in de SOIT worden gesteld zijn op deze duurzame arbeidsverhouding gericht. Dat het volgens eiser enkel gaat om het staken en het gedurende vier jaar gestaakt houden van de vrijgevestigde praktijk, volgt de rechtbank daarom niet. De rechtbank verwijst daartoe naar de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021, waarin de Afdeling heeft overwogen dat zonder het tot stand komen van een duurzame arbeidsverhouding geen sprake is van een overstap zoals de SOIT die beoogt. Dat de Afdeling, zoals eiser stelt, hierbij een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd, volgt de rechtbank niet. Eiser doelt daarbij op de omstandigheid dat de SOIT in november 2014 in die zin is gewijzigd dat ook bij een algehele stopzetting van de werkzaamheden binnen vier jaar in het geval van een pensionering, de subsidie op grond van de SOIT behouden kan blijven en dat geldt volgens eiser ook als de medisch specialist na één dag in loondienst te hebben gewerkt met pensioen zou gaan. Daarin heeft eiser inderdaad gelijk, maar daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat het doel van een gehele overstap niet wordt bereikt op het moment van pensionering, zoals eiser stelt, maar na voltooiing van de vierjaarstermijn.
6.3.
Verder is door de wijziging van de SOIT niet de doelstelling van de SOIT gewijzigd, zoals eiser stelt, maar is voor medisch specialisten die voor 1 juni 2019 met pensioen wilden gaan de mogelijkheid gecreëerd om toch aanspraak te maken op subsidie op grond van de SOIT, zodat een overstap van de gehele maatschap naar loondienst een reële optie zou zijn. Een overstap die mogelijk geen doorgang zou vinden als één of meerdere medisch specialisten tussentijds (binnen de termijn van vier jaar) de werkzaamheden zouden staken als gevolg van een pensionering. Van belang dat de medisch specialist tijdens de termijn van vier jaar uitsluitend werkzaamheden bij een zorgaanbieder verricht op basis van een arbeidsovereenkomst. Wanneer hij deze werkzaamheden verricht op een andere basis dan een arbeidsovereenkomst dan heeft er geen gehele overstap plaatsgevonden in de zin van de SOIT. Dit wordt onderschreven door de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak. De achterliggende gedachte is dat met het uitsluitend verrichten van werkzaamheden op basis van een arbeidsovereenkomst ook voor de toekomst gewaarborgd is dat goede en toegankelijke zorg verleend kan worden aan iedereen die dat nodig heeft. De rechtbank volgt verder de ter zitting gegeven toelichting van de minister dat een overstap van medisch specialisten van een vrijgevestigde praktijk naar loondienst ook zorgt voor meer gelijkgerichtheid tussen het bestuur en de medisch specialisten. In loondienst staan de neuzen dezelfde kant op bij het nemen van bepaalde beleidsbeslissingen. Dat is volgens de minister anders bij vrijgevestigde praktijken waar andere belangen een rol kunnen spelen.
6.4.
Voor het oordeel dat de vierjaarsregeling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel bestaat geen aanleiding. De rechtbank sluit daarbij aan bij wat de Afdeling hierover heeft overwogen in haar uitspraak van 10 maart 2021. Volgens de Afdeling is de vierjaarsregeling van artikel 9, eerste lid van de SOIT niet onredelijk en niet in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb waardoor er geen aanleiding is dit onderdeel van de SOIT onverbindend te verklaren of te oordelen dat dit buiten toepassing moet blijven. De Afdeling kent daarbij vooral gewicht toe aan de doelstelling van de SOIT, te weten de overstap van vrijgevestigde medisch specialisten naar loondienst, waarbij duurzame arbeidsverhoudingen tussen zorgaanbieders en de medisch specialisten ontstaan. Ook kent zij betekenis toe aan de hoogte van het subsidiebedrag, te weten € 100.000,-. Verder is de Afdeling van oordeel dat er geen sprake is van een beperking van het recht op vrije arbeid, omdat het een vrije keuze is om subsidie aan te vragen en voor de medisch specialist de mogelijkheid bestaat om zonder verlies van subsidie een andere arbeidsovereenkomst, met bijvoorbeeld een ander ziekenhuis, aan te gaan. De Afdeling is verder van oordeel dat een duurzame arbeidsverhouding geen afgeleide doelstelling is of, zoals eiser stelt een nevendoel, maar een integraal onderdeel is van de SOIT.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de subsidievaststelling heeft mogen wijzigen naar nihil en de ten onrechte verstrekte subsidie heeft mogen terugvorderen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, voorzitter, en mr. M.E.J. Sprakel en
mr. E.M.J. Hardy, leden, in aanwezigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2025.
griffier
voorzitter
De griffier is niet in de gelegenheid
om deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 19 mei 2025.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 4:49
1. Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;
b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of
c. indien de subsidie-ontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen.
2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
3. De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sedert de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, sedert de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.
Artikel 4:57
Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen.
Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen.
Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag verrekenen met een aan dezelfde subsidie-ontvanger voor dezelfde activiteiten verstrekte subsidie voor een ander tijdvak.
Terugvordering van een subsidiebedrag of een voorschot vindt niet plaats voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handeling, bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, heeft plaatsgevonden, vijf jaren zijn verstreken.
Subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg 2015-2019
Artikel 3. Voorwaarden aanspraak op subsidie
1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een natuurlijk persoon die:
a. het gehele jaar 2014 een vrijgevestigde medisch specialist was die op basis van de voor hem voor dat jaar geldende één of meer toelatingsovereenkomsten ten minste twintig uren per week in de instelling aanwezig was ter uitoefening van zijn beroep;
b. met ingang van een na 31 december 2014 doch voor 1 juli 2015 gelegen tijdstip zijn hoedanigheid als vrijgevestigd medisch specialist heeft beëindigd;
c. zonder dat sprake is of zal zijn van een andere vergoeding daarvoor dan een onmiddellijke of middellijke vergoeding in de vorm van een geldsom van een zorgaanbieder waarmee hij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten:
1°. zijn ondernemersactiviteiten als vrijgevestigd medisch specialist als bedoeld
in artikel 3.4 onderscheidenlijk 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft gestaakt;
2°. de ondernemingsactiviteiten als vrijgevestigd medisch specialist in een
rechtspersoon heeft beëindigd, en
d. met ingang van het tijdstip, bedoeld in onderdeel b, uitsluitend op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders als medisch specialist werkzaam is en zal zijn.
2. De minister verstrekt per medisch specialist slechts één subsidie op grond van deze regeling.
Artikel 5. Subsidiebedrag
1. Het bedrag van de subsidie is € 100.000.
2. Het bedrag van de subsidie is in afwijking van het eerste lid, nihil indien:
a. de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 4 niet of niet geheel hebben plaatsgevonden, of
b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, bedoeld in artikel 9.
3. De minister kan in afwijking van het eerste lid, de subsidie op een lager bedrag vaststellen indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan:
a. de in deze regeling aan de subsidie verbonden verplichtingen anders dan bedoeld in artikel 9, of
b. de verplichtingen die de minister krachtens artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht, aan de subsidie-ontvanger heeft opgelegd.
Artikel 9. Aanvullende doelverplichtingen
De subsidie-ontvanger is vanaf het tijdstip, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, tot en met 31 mei 2019 uitsluitend op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders, als medisch specialist werkzaam.
Er wordt voor de beëindiging van de hoedanigheid als vrijgevestigd medisch specialist, geen vergoeding door een derde verleend anders dan een onmiddellijke of middellijke vergoeding in de vorm van een geldsom van een zorgaanbieder waarmee hij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten.
De subsidie-ontvanger doet in de periode, bedoeld in het eerst lid, onverwijld een schriftelijke melding aan de Minister van een nieuwe met een zorgaanbieder afgesloten arbeidsovereenkomst of van een wijziging van een met een zorgaanbieder afgesloten arbeidsovereenkomst met betrekking tot de arbeidsduur.
Zie de toelichting bij de SOIT, Stc. 2014, nr. 26413.
ECLI:NL:RVS:2021:507.
Zie de toelichting bij Stc. 2014, nr. 805.
Dat volgt uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de SOIT.
Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de SOIT.
Zie rechtsoverweging 6.1 van deze uitspraak.
Artikel 2 van de SOIT.
Het betreft zorg als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, van de Aanwijzing integrale tarifering medisch specialistische zorg 2015.
Maag-, darm- en leverartsen.
Zie artikel 5, tweede lid, van de SOIT.
Beoordeling
6.5.
De rechtbank acht in dat kader tot slot nog van belang dat de subsidie van
€ 100.000,- uit gemeenschapsgeld bestaat waar verhoudingsgewijs een beperkte prestatie, het voldoen aan de voorwaarden van de SOIT, van de medisch specialist tegenover staat. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Is de in de SOIT genoemde “vierjaarsregeling” ten aanzien van eiser in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
7. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat de vierjaarsregeling ten aanzien van hem persoonlijk in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb waardoor de SOIT daarom (deels) buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Eiser voert daartoe aan dat de overstap van vrijgevestigd specialist naar specialist in loondienst, duurzaam is geweest. Vanwege eisers pensionering was dit van korte duur, maar dat was acceptabel voor de wetgever. Het had namelijk niet tot gevolg dat de subsidie zou worden ingetrokken. Sterker nog, eiser had de subsidie volledig kunnen behouden als hij na zijn pensionering geen werkzaamheden meer zou hebben verricht. Ook in die situatie zou er dan geen duurzame arbeidsrelatie van vier jaar zijn ontstaan. Verder stelt eiser dat hij de vrijgevestigde praktijk evident niet heeft voortgezet. Het ziekenhuis is nog altijd eigenaar van de praktijk. De werkzaamheden van eiser na zijn pensionering – die betrekking hadden op bevolkingsonderzoeken en een geheel ander karakter hadden dan de werkzaamheden die hij heeft verricht als vrijgevestigd specialist – hebben geen afbreuk gedaan aan de doelstellingen van de SOIT. De verrichte werkzaamheden in het kader van de bevolkingsonderzoeken zijn volgens eiser bovendien ook niet te kwalificeren als werkzaamheden als medisch specialist in de zin van de SOIT. De medisch-specialistische zorg ingevolge de SOIT ziet op zorg als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Werkzaamheden in het kader van bevolkingsonderzoeken vallen daar niet onder, volgens eiser. Die werkzaamheden vallen onder de Subsidieregeling publieke gezondheid.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de “vierjaarsregeling” ten aanzien van hem in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat er geen duurzame overstap is geweest. Eiser is weliswaar gestopt met zijn werkzaamheden als gevolg van zijn pensionering, maar binnen een periode van vier jaar is hij (weer) gaan werken op basis van een andere overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst. Van een duurzame overstap op grond van de SOIT is, zoals hiervoor al is overwogen, geen sprake geweest. Dat de verrichte werkzaamheden – na zijn pensionering – in het kader van het bevolkingsonderzoek geen medisch specialistische zorg waren in de zin van de SOIT, volgt de rechtbank niet. De rechtbank sluit daarbij aan bij de ter zitting gegeven uitleg van de minister dat de bevolkingsonderzoeken wellicht de aanleiding vormden voor de door eiser verrichte werkzaamheden, maar de daaruit voortgekomen vervolgonderzoeken die door eiser als medisch specialist werden verricht, wel degelijk vallen onder medisch specialistische zorg in de zin van de SOIT. Door eiser is dit op zitting verder niet weersproken anders dan dat hij in de veronderstelling was dat deze werkzaamheden vielen onder de publieke zorg en niet onder de SOIT. Nog los daarvan staat vast dat eiser de verrichte werkzaamheden voor PoliDirect Klinieken en DC Klinieken heeft verricht op basis van een andere overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor eisers motief dat hij deze werkzaamheden (mede) heeft verricht vanwege een tekort aan MDL-artsen, leidt dit er niet toe dat de “vierjaarsregeling” ten aanzien van hem onevenredig uitpakt. Niet valt in te zien dat eiser deze werkzaamheden niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij deze klinieken had kunnen verrichten. De enkele stelling van eiser op zitting dat dit niet kon, betekent niet dat er sprake was van een absolute onmogelijkheid. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Was de subsidievaststelling onjuist?
9. Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of voldaan is aan de voorwaarden voor de bevoegdheid van de minister om het besluit van 21 oktober 2019 waarbij de subsidie is vastgesteld, te wijzigen en vast te stellen op nihil. Volgens de minister is die bevoegdheid op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb ontstaan, omdat de subsidievaststelling onjuist was en eiser dit wist of behoorde te weten. De rechtbank zal aan de hand van de beroepsgronden die eiser hiertegen heeft aangevoerd, beoordelen of aan deze cumulatieve voorwaarden is voldaan.
10. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister het wijzigingsbesluit niet heeft kunnen baseren op artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Hij doet daarbij een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel. Hij verwijst daartoe naar het vaststellingsbesluit van 21 november 2019 waarin de minister het standpunt heeft ingenomen dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn verricht en dat eiser heeft voldaan aan zijn subsidieverplichting. Naar de mening van eiser is het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om de subsidievaststelling tweeënhalf jaar later alsnog tot nihil te wijzigen. Eiser vertrouwde erop dat de zaak was afgerond. Verder voert eiser aan dat de minister artikel 4:49, eerste lid, onder b, van de Awb niet heeft kunnen toepassen omdat deze bepaling ziet op kennelijke vergissingen van het bestuursorgaan, zoals reken- en typfouten. Zo’n situatie doet zich hier niet voor. Eiser heeft na zijn pensionering gewerkt op basis van een samenwerkingsovereenkomst met het karakter van een “nul-urencontract” zonder garantie-uren en zonder vaste aanstelling. Ook was hij niet betrokken bij de organisatie van PoliDirect Klinieken en DC Klinieken. Dat de minister bij het vaststellingsbesluit had aangegeven dat hij aan zijn subsidieverplichtingen had voldaan en de subsidie had vastgesteld op € 100.000,- kwam hem dan ook logisch voor. Hij had zijn vrijgevestigde praktijk immers niet voortgezet. Van een situatie dat de subsidievaststelling onjuist was en eiser dit “wist of behoorde te weten”, was geen sprake.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister er terecht op gewezen dat uit artikel 4:49, derde lid, van de Awb volgt dat de subsidie niet meer kan worden ingetrokken of in het nadeel van eiser kan worden gewijzigd na vijf jaar. In dit geval waren er nog geen vijf jaar voorbij. Eiser is verder in het vaststellingsbesluit van 21 november 2019 gewezen op de mogelijkheid van een nacontrole. Daarnaar gevraagd ter zitting is namens de minister naar voren gebracht dat de definitieve aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2015-2017 bij de vaststelling van de subsidie zijn betrokken. De aanslagen over de jaren 2018-2019 (de periode waarin eiser voor PoliDirect Klinieken en DC Klinieken heeft gewerkt), zijn daar niet bij betrokken omdat deze aanslagen nog niet definitief waren. Een termijn van vijf jaar, die ook duidelijk is vermeld in artikel 4:49, derde lid, van de Awb geeft eiser voldoende rechtszekerheid. Als die vijf jaar nog niet zijn verstreken, moet eiser er rekening mee houden dat de subsidie, na een nacontrole, nog kan worden gewijzigd.
11.1.
De stelling van eiser dat de minister artikel 4:49, eerste lid, onder b, van de Awb niet heeft kunnen toepassen omdat deze bepaling ziet op kennelijke vergissingen van het bestuursorgaan, zoals reken- en typefouten, volgt de rechtbank niet. De minister was ten tijde van de subsidievaststelling van 19 november 2021 niet op de hoogte van eisers werkzaamheden voor PoliDirect Klinieken en DC Klinieken of dat deze werkzaamheden onder een samenwerkingsovereenkomst en een overeenkomst van opdracht werden verricht.
Beoordeling
Als de minister ten tijde van de subsidievaststelling al had geweten dat eiser binnen de periode van vier jaar werkzaamheden had verricht op basis van een andere overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst, had hij toen al kunnen besluiten de subsidie vast te stellen op nihil. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister bevoegd was om de subsidievaststelling te wijzigen naar nihil en de onterecht verleende subsidie terug te vorderen op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b van de Awb.
Is de gewijzigde subsidievaststelling naar nihil en de terugvordering van de subsidie in strijd met het evenredigheidsbeginsel waardoor de minister geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid?
12. Eiser voert aan dat hij bij DC Klinieken en PoliDirect Klinieken veel minder heeft verdiend (zeker wanneer de inkomsten uit de bevolkingsonderzoeken buiten beschouwing zouden worden gelaten) dan de terug te betalen subsidie van € 100.000,-. Terugbetaling zou inhouden dat eiser 500 uur (daarbij zijn de werkzaamheden voor de bevolkingsonderzoeken meegerekend) zonder financiële beloning heeft gewerkt en daarbovenop nog een forse boete moet betalen, omdat hij tijdelijk heeft voorzien in de behoefte aan MDL-artsen ten behoeve van de bevolkingsonderzoeken. Dat maakt dat de wijziging van de vaststelling naar nihil en de terugvordering een punitief karakter heeft. Eiser stelt dat in deze zaak het doel van de SOIT niet is geschonden. Hij heeft zijn vrijgevestigde praktijk immers niet elders voortgezet. Hij heeft slechts – na zijn pensioen – vanaf april 2018 enkele werkzaamheden verricht ten behoeve van de uitvoering van bevolkingsonderzoeken. De gevolgen van de terugvordering drukken zwaar op eiser, terwijl het doel van de SOIT is behaald en geen enkel door de SOIT beschermd belang is gediend met intrekking van de subsidie. Voor zover eiser in zijn standpunt niet kan worden gevolgd, voert hij aan dat de minister de schending van de verplichting niet had kunnen laten terugwerken tot het moment van de subsidievaststelling, maar tot 19 april 2018, het moment van het schenden van het voorschrift.
13. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen heeft eiser niet voldaan aan zijn verplichtingen op grond van de SOIT waardoor de doelstelling van de SOIT niet is bereikt.
Dat leidt ertoe dat de subsidie wordt vastgesteld op nihil en dat op grond van de SOIT het gehele subsidiebedrag mocht worden teruggevorderd. Deze wijziging werkt op grond van artikel 4:49, tweede lid, van de Awb terug tot het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld. Dat de wijziging zou moeten terugwerken tot 19 april 2018, de datum waarop het voorschrift is geschonden, heeft eiser onvoldoende onderbouwd. Daarbij geldt dat eiser, nog los daarvan, niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van de SOIT en daarom in het geheel geen aanspraak kan maken op subsidie.
13.1.
De omstandigheid dat eiser met het terugbetalen van de subsidie, te weten
€ 100.000,-, meer moet terugbetalen dan hij verdiend heeft met zijn werkzaamheden bij PoliDirect Klinieken en DC Klinieken, heeft de minister mogen aanmerken als een inherent gevolg van de omstandigheid dat eiser zijn verplichtingen op grond van de SOIT niet is nagekomen. Door de subsidievaststelling te wijzigen naar nihil en de subsidie terug te vorderen wordt er recht gedaan aan de feitelijke situatie waarbij ten onrechte subsidie was verleend. Dat geeft het besluit geen punitief karakter, maar maakt het eerder herstellend van aard.
13.2.
Tot slot heeft eiser aangegeven dat de gevolgen van de terugvordering zwaar op hem drukken. Ter zitting heeft hij in dat kader toegelicht dat als hij niet voor de overstap van vrijgevestigd specialist naar specialist in loondienst zou hebben gekozen, hij op een later moment zijn praktijk zou hebben overgedragen aan een opvolger en daarvoor een hogere vergoeding zou hebben ontvangen dan de vergoeding in de vorm van de verstrekte subsidie van € 100.000,-. Hoewel de rechtbank geen inzicht heeft in de financiële afspraken tussen eiser en het ziekenhuis inzake de overname van zijn praktijk, wil de rechtbank aannemen dat dit achteraf gezien voor eiser een beter alternatief zou kunnen zijn geweest. Dat leidt op zichzelf echter niet tot een onevenredigheid. Eiser heeft gekozen voor het aanvragen van de subsidie, en draagt daarmee de verantwoordelijkheid zich over de subsidieafspraken te informeren en zich aan de subsidieafspraken te houden. Dat eiser ook iets anders had kunnen kiezen, maakt dat niet anders.
13.3.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat op grond van de vorige overwegingen geen aanleiding voor het oordeel dat de gewijzigde subsidievaststelling naar nihil en de terugvordering van de subsidie in strijd zijn met evenredigheidsbeginsel. De minister heeft dus gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 4:49, eerste en derde lid, van de Awb.