Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-04-30
ECLI:NL:RBLIM:2025:4226
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,600 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11360268 \ CV EXPL 24-5240
Vonnis van 30 april 2025
in de zaak van:
[eiseres]
,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 26 september 2024 met producties 1 tot en met 5;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Tussen [eiseres] en [gedaagde] is een overeenkomst van opdracht gesloten met betrekking tot het voorbereiden van een bestemmingswijziging van een door [gedaagde] aan te kopen perceel aan de [adres] te [plaats] .
2.2.
In de offerte, gedateerd 30 maart 2021 (productie 2 bij dagvaarding), is opgenomen onder het kopje kostenoverzicht respectievelijk onder 1 en 2 een bedrag van € 3.448,50 inclusief BTW met betrekking tot bestemmingsplan en een bedrag van € 1.815,00 met betrekking tot een verkennend bodem- en asbestonderzoek.
2.3.
Bij e-mail van 29 maart 2021 (productie 2 bij dagvaarding) reageert [gedaagde] naar aanleiding van de offerte:
Geachte mevrouw [naam 1] ,
Het spijt me zeer voor de moeite die u in deze offerte gestoken heeft maar een bodemonderzoek lijkt me niet de bedoeling.
Daarvoor had ik u ter informatie ook verwezen naar de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] van de gemeente omdat zij precies weten wat verwacht wordt.
2.4.
Bij e-mail van 30 maart 2021 laat Arjan [naam 4] namens [eiseres] (onder andere) weten:
(…)
Het betreft een offerte voor de werkzaamheden voor het opstellen van een bestemmingsplan. Onze ervaring is dat als de bestemming wordt gewijzigd naar ‘Wonen’, dat dan ook een verkennend bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd om te kijken of de gronden daarvoor milieuhygiënisch zijn geschikt. Ik heb daarom bij mijn collega’s van [eiseres] ECO een offerte voor een bodemonderzoek opgevraagd.
Voordat we de werkzaamheden zullen oppakken, zal met dhr. [naam 2] en mevr. [naam 3] worden afgestemd of een verkennend bodemonderzoek aan de orde is. Als dat niet het geval is, zal deze uiteraard niet worden uitgevoerd.
2.5.
In Bijlage 2: toelichting (technische) onderzoeken behorende bij de aangeboden offerte (productie 2 bij dagvaarding) is het volgende opgenomen:
(…)
Hierna wordt ingegaan op de naar onze mening uit te voeren onderzoek(en).
A. Verkennend bodem- en asbestonderzoek
Ter plekke is sprake van een planologische functiewijziging naar een gevoeligere functie. Derhalve dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Voor onderhavige voornemen is derhalve een verkennend bodem- en asbestonderzoek geoffreerd door [eiseres] .
Onderzoeken enkel indien daadwerkelijk vereist
Eventuele (technische) onderzoeken worden alleen verricht, indien daadwerkelijk noodzakelijk voor de ruimtelijke procedure en/of verlangd door de gemeente.
(…)
2.6.
[gedaagde] accepteert de offerte uitdrukkelijk onder toevoeging van een addendum met de volgende inhoud:
Addendum bij de opdracht voor een postzegelbestemmingsplan [adres] [plaats] aan de firma [eiseres]
1. Overeengekomen met de heer [naam 4] is dat de kosten van het postzegelbestemmingsplan in 12 gelijke termijnen wordt voldaan.
2. Aangedrongen wordt bij de gemeente om, zoals de wet mogelijk maakt, het voorontwerp van het bestemmingsplan niet ter inzage te leggen en ook voor het overige alleen die werkzaamheden uit te hoeven voeren die volgens de gemeente noodzakelijk zijn.
3. Substantiële overschrijdingen van het in de offerte geraamde budget voor het postzegelbestemmingsplan van € 3500 worden goed gemotiveerd aan de opdrachtgever ter goedkeuring voorgelegd.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 1.491,17, zijnde het nog openstaande bedrag van factuur ROM230166, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom, en in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter begrijpt uit het debat tussen partijen dat de vordering van [eiseres] een nog openstaand deel van de kosten van een verkennend bodem- en asbestonderzoek betreft zoals opgenomen in de offerte (als hiervoor onder 2. aangehaald). [gedaagde] voert als meest verstrekkend verweer aan, daarbij eveneens verwijzend naar de hiervoor onder 2. geciteerde producties, dat hij voor dit bodemonderzoek nimmer opdracht heeft gegeven. Die opdracht was immers alleen voorwaardelijk gegeven, slechts in het geval bodemonderzoek ook door de gemeente vereist werd en na overleg met opdrachtgever [gedaagde] . Dat bleek niet het geval.
4.2.
De kantonrechter volgt [gedaagde] in diens verweer. [eiseres] stelt ook nergens dat bodemonderzoek voor de door de gemeente te nemen beslissing tot wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk was, noch heeft hierover enig overleg met [gedaagde] plaatsgevonden. Daarover zijn immers, zoals uit de door [eiseres] zelf overgelegde producties volgt, zeer duidelijke afspraken gemaakt. Dat het bodemonderzoek vervolgens daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, betekent nog niet dat dit noodzakelijk was en dat [gedaagde] daar vervolgens ook opdracht toe heeft gegeven. [eiseres] onderbouwt haar stellingen op dit punt ook geheel niet, zodat de kantonrechter ook aan het door haar gedane algemene bewijsaanbod voorbij zal gaan.
4.3.
Ook de stelling dat [gedaagde] de vordering zou hebben erkend, waarvan de deelbetalingen zouden doen blijken, houdt geen stand. [gedaagde] geeft aan dat hij op het verkeerde been is gezet door het incassobureau en dat hij zich eerst later realiseerde dat deze vordering onterecht was. Ook hierin volgt de kantonrechter [gedaagde] .
4.4.
Als laatste beroept [eiseres] zich eerst bij conclusie van repliek op artikel 9 van de toepasselijke algemene voorwaarden. [gedaagde] zou niet binnen 8 dagen na factuurdatum hebben gereclameerd. Nog los van de betwisting door [gedaagde] , gaat de kantonrechter hier aan voorbij om de volgende redenen. Dit beroep wordt door [eiseres] eerst bij repliek gedaan in plaats van reeds bij dagvaarding. Daarmee acht de kantonrechter dit in strijd met een goede procesorde, hetgeen al reden is om dit beroep te passeren.
4.5.
Verstrekkender is echter dat er in casu sprake is van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eiseres] van toepassing verklaard. De kantonrechter moet in beginsel ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over deze gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest (HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68) en het Gupfinger-arrest (HvJ EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971).
4.6.
[eiseres] stelt zich met betrekking tot het openstaande bedrag van factuur ROM230166 onder meer op het standpunt dat [gedaagde] niet-ontvankelijk is in zijn verweer omdat hij niet binnen acht dagen na factuurdatum bij [eiseres] heeft gereclameerd. De kantonrechter acht dit beding oneerlijk. De in dit beding overeengekomen vervaltermijn van acht dagen na verzenddatum van de factuur is namelijk verkort tot minder dan een jaar en komt voor op de zogenaamde zwarte lijst van artikel 6:236 onderdeel g BW. Door die korte termijn wordt het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten van partijen ten nadele van [gedaagde] aanzienlijk verstoord. Reden waarom deze bepaling dient te worden vernietigd en [eiseres] hierop geen beroep kan doen.
4.7.
De vorderingen van [eiseres] worden om deze redenen afgewezen. [eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, welke voor [gedaagde] worden bepaald op een (forfaitair) bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten.
4.8.
[gedaagde] heeft geen reconventionele vordering ingesteld met betrekking tot de reeds door hem onterecht gedane (deel)betalingen, zodat de kantonrechter dit ook niet kan toewijzen. Dit laat echter onverlet dat [gedaagde] dit in een aparte procedure alsnog kan doen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure van € 50,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op
30 april 2025.
CL