Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-03-21
ECLI:NL:RBLIM:2025:2926
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
6,802 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 25/517, 25/523 en 25/524
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
21 maart 2025 in de zaken tussen
[naam] en [naam] , uit Roosteren,
[naam] en [naam], uit Roosteren,
[naam]
, uit Schipperskerk,
[naam]
, uit Schipperskerk,
verzoekers,
(gemachtigde: mr. P.R. Botman)
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg, verweerder,
(gemachtigden: mr. K. Germs-van de Pol, D.A.L. Trienekens, R.J. van Lieverloo, A.M.A.G. Maessen, B.E.H. Bovens en J.L. van der Veer).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Consortium Grensmaas B.V., te Born, vergunninghouder,
(gemachtigden: mr. J.J. Molenaar en mr. J.P.H. de Bruijn).
Procesverloop
Bij besluiten van 27 november 2024, 18 december 2024 en 8 januari 2025 heeft verweerder aan vergunninghouder respectievelijk een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit (bestreden besluit I), voor een milieubelastende activiteit (bestreden besluit II) en voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en een omgevingsplanactiviteit (bestreden besluit III) verleend.
Verzoekers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 27 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met toepassing van artikel 8:81, eerste lid, in verbinding met artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegewezen en de bestreden besluiten I, II en III bij wijze van ordemaatregel geschorst. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat ambtshalve tot opheffing van of wijziging van de getroffen voorlopige voorziening kan worden overgegaan. Met het oog daarop heeft de voorzieningenrechter de zaak verwezen naar zitting en iedere verdere beslissing aangehouden.
Verzoekers, verweerder en vergunninghouder hebben een nadere toelichting gegeven en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2025. Van verzoekers is [naam] in persoon verschenen en [naam] en [naam] via digitale beeldverbinding, bijgestaan door hun gemachtigde die tevens namens de overige verzoekers is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. Molenaar en door mr. D.R. de Poorter en F.M.J. Wijnants.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Dictum
De voorzieningenrechter heft de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorlopige voorziening op en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarmee alsnog af.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering, die in dit proces-verbaal – zoals bij het doen van de mondelinge uitspraak al aangekondigd – uitgebreider is weergegeven dan mondeling is uitgesproken.
Karakter van deze uitspraak in relatie tot de ordemaatregel
2. Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen. Wijziging of opheffing van een reeds getroffen voorlopige voorziening is doorgaans alleen aan de orde indien er sprake is van een wijziging van feiten en/of omstandigheden die na de datum waarop die voorziening is getroffen, maar vóór de datum waarop op het bezwaar is beslist, bekend zijn geworden maar, waren zij eerder bekend geweest, wellicht niet tot het treffen van een voorziening, dan wel tot het treffen van een andere voorziening hadden geleid.
3. Gelet op de omstandigheid dat de in deze zaak bij uitspraak van 27 februari 2025 getroffen voorlopige voorziening een ordemaatregel betrof vanwege mogelijk onomkeerbare gevolgen indien geen onmiddellijke schorsing van de bestreden besluiten zou volgen, is de bij voormelde uitspraak getroffen voorziening niet terug te voeren op een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Dit betekent dat het antwoord op de vraag of er sprake is van (gewijzigde, dan wel nieuwe) feiten en omstandigheden op grond waarvan ambtshalve tot opheffing of wijziging van de reeds getroffen voorlopige voorziening zou moeten worden overgegaan, afhankelijk is van het alsnog beoordelen van het oorspronkelijke verzoek om een voorlopige voorziening. Voor zover de voorzieningenrechter nu een oordeel geeft over de in geding zijnde besluiten en daartegen aangevoerde bezwaren heeft die beoordeling een voorlopig karakter en bindt dat oordeel de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Reikwijdte van de beoordeling
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de bestreden besluiten alleen zien op de twee gebieden ter plaatse van de geluidswallen, aan de zuid- en noordzijde van de projectlocatie Koeweide/Trierveld. Onder meer op 31 oktober 2006 zijn voor deze locatie in het kader van het Grensmaasproject al diverse vergunningen verleend, waaronder een vergunning op grond van de Ontgrondingenwet en de Wet milieubeheer. De milieuvergunning uit 2006 geldt als omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en de desbetreffende aanvraag die tot het bestreden besluit II heeft geleid, betreft een verandering van die vergunning in verband met de grindwinning onder de geluidswallen (die vervangen worden door andere geluidwerende voorzieningen). De kernactiviteit, te weten het exploiteren van een IPPC-installatie voor het storten van afvalstoffen, wijzigt niet. Daaruit volgt dat een beoordeling van de al vergunde activiteiten ter plaatse van het overige deel van de locatie Koeweide/Trierveld niet voorligt. Het gaat nu enkel om de vergunde (tijdelijke) activiteiten op de twee genoemde gebiedsdelen.
5. Verzoekers voeren aan dat zij al vanaf de start van de werkzaamheden in 2016 ernstige overlast ondervinden en dat schade aan hun woningen is ontstaan. Gelet op hetgeen onder 4 is overwogen, kan dat in deze procedure niet worden beoordeeld, nu dit niet het gevolg is van de bestreden besluiten. Ten aanzien van de vrees voor verergering van schade aan woningen, moet bij de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen – in dit geval: of de getroffen voorlopige voorziening moet worden gecontinueerd – in aanmerking worden genomen dat een beslissing op verzoekers bezwaren binnen een relatief korte periode is te verwachten. De voorzieningenrechter moet beoordelen of het belang van verzoekers om in de periode tot de beslissingen op bezwaar gevrijwaard te blijven van overlast en mogelijke verergering van schade zodanig zwaar weegt dat het belang van verweerder en vergunninghouder bij verdere uitvoering en tijdige afronding van het project daarvoor moet wijken. Bij de belangenafweging moet worden betrokken de vraag of op voorhand gerede twijfel bestaat dat de bestreden besluiten in de bezwaarprocedure niet in stand kunnen blijven en in verband daarmee of als gevolg van de werkzaamheden in de twee gebieden in redelijkheid in deze periode (verergering van) schade te verwachten is.
6. Het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter kan daarnaast niet verder strekken dan de met de voorzieningenprocedure connexe bezwaarprocedure. In de bezwaarprocedure is op 17 april 2025 een hoorzitting gepland en na ontvangst van het advies van de bezwaaradviescommissie zal verweerder op de bezwaren van verzoekers beslissen. De vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden is of het nodig is een voorlopige voorziening te treffen (inhoudende schorsing van de bestreden besluiten voor de genoemde gebieden) gedurende de periode tot de beslissing op bezwaar.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel en belangenafweging
7. Verzoekers hebben diverse, meer formele gronden aan hun bezwaar en daarmee aan hun verzoek om voorlopige voorziening ten grondslag gelegd. De voorzieningenrechter gaat hieraan voorbij omdat, als al sprake is van gebreken, deze in de bezwaarfase hersteld kunnen worden en onvoldoende reden zijn voor een voorlopige voorziening. Dat geldt bijvoorbeeld voor de stelling dat sprake zou zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering omdat vergunninghouder geen rechthebbende zou zijn op de grond, waardoor ook geen sprake zou zijn van een aanvraag waarop een besluit kan worden genomen.
8. Naar aanleiding van de bezwaargrond dat ten onrechte geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is gevraagd omdat onder andere de vrachtwagenbewegingen veel stikstofuitstoot veroorzaken die op grond van de vigerende vergunningen niet is toegestaan, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
8.1.
De voorzieningenrechter ziet, in het kader van onderhavige voorlopige beoordeling, geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van verweerders standpunt dat de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, waaronder de Grensmaas, als gevolg van de ontgronding onder de geluidswallen blijft binnen de kaders van de omgevingsvergunning van 26 oktober 2015. Destijds is de natuurtoestemming op grond van de toen geldende Natuurbeschermingswet 1998 aangehaakt. Verweerder heeft toereikend onderbouwd dat de ontgronding onder de geluidswallen binnen de begrenzing van de voormalige inrichting op grond van de Wet milieubeheer valt en er niet meer grondverzet (en opvulling) gaat plaatsvinden dan bij de natuurtoestemming uit 2015 is vergund. In zoverre is dan ook geen sprake van een gewijzigd of nieuw project. Onderdeel van bestreden besluit III (de buitenplanse omgevingsplanactiviteit) is een ruimtelijke motivering waarin dit aspect met het oog op een evenwichtige toedeling van functies is beoordeeld. Verder is in het kader van bestreden besluit II (milieubelastende activiteit) beoordeeld en vastgesteld dat de emissies in verband met de uitbreiding van de grindwinning blijft binnen de in 2015 vergunde ruimte. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerders standpunt onjuist is. Voor het laten voortduren van de schorsing van de bestreden besluiten omdat de vereiste natuurtoestemming ontbreekt, bestaat daarom geen aanleiding.
8.2.
Bij het voorgaande heeft de voorzieningenrechter nog in aanmerking genomen dat, zoals op zitting is besproken, de grensmaas in de nabijheid van de woningen van verzoekers niet als stikstofgevoelig is aangewezen. Bij een aanwijzingsbesluit van 22 november 2022 zijn weliswaar bij de plassen bij Maasbracht alsnog stikstofgevoelige gebieden aangewezen, maar deze liggen op ruime afstand van de woningen van verzoekers.
Conclusie
11. Er is geen reden om de bestreden besluiten nog langer te schorsen, dus het verzoek om voorlopige voorziening wordt alsnog afgewezen onder opheffing van de getroffen ordemaatregel. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.
Mededeling rechtsmiddel
Bij de uitspraak heeft de rechtbank medegedeeld dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2025.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal,
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 28 maart 2025
Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB936.
Categorie 5.4 van bijlage I bij de RIE (artikel 3.84, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving).
Zie in dit verband overigens voorschrift 1.3 dat aan het bestreden besluit I (ontgrondingsactiviteit) is verbonden en de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB9936, r.o. 2.14.2.
Besluit van 26 oktober 2015 met kenmerk 2015/79370.
Motivering
Artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Bijlage 6 (stikstofdepositieonderzoek) bij de omgevingsvergunning Z2024-00007815: Memo 2024/049 d.d. 24 september 2024.
Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5252, r.o. 6.5 en 6.6.
Rapport Cauberg Huygen van 3 juli 2024, referentie 00494-57222-06v2 (akoestisch onderzoek) en memo van 21 maart 2023, nummer 2023/027 met rapport Witteveen + Bos van 23 september 2011 ‘Hinderaspecten geluid en trillingen, Grevenbicht – Koeweide’, referentie: HEEL14-24/mome/013 en van 21 oktober 2013, kenmerk: HEEL14-26/mome/019.
O.a. het rapport ‘Consortium Grensmaas’ van 11 september 2024, Memo 2023/023.
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 25/517, 25/523 en 25/524
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
21 maart 2025 in de zaken tussen
[naam] en [naam] , uit Roosteren,
[naam] en [naam], uit Roosteren,
[naam]
, uit Schipperskerk,
[naam]
, uit Schipperskerk,
verzoekers,
(gemachtigde: mr. P.R. Botman)
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg, verweerder,
(gemachtigden: mr. K. Germs-van de Pol, D.A.L. Trienekens, R.J. van Lieverloo, A.M.A.G. Maessen, B.E.H. Bovens en J.L. van der Veer).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Consortium Grensmaas B.V., te Born, vergunninghouder,
(gemachtigden: mr. J.J. Molenaar en mr. J.P.H. de Bruijn).
Procesverloop
Bij besluiten van 27 november 2024, 18 december 2024 en 8 januari 2025 heeft verweerder aan vergunninghouder respectievelijk een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit (bestreden besluit I), voor een milieubelastende activiteit (bestreden besluit II) en voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en een omgevingsplanactiviteit (bestreden besluit III) verleend.
Verzoekers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 27 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met toepassing van artikel 8:81, eerste lid, in verbinding met artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegewezen en de bestreden besluiten I, II en III bij wijze van ordemaatregel geschorst. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat ambtshalve tot opheffing van of wijziging van de getroffen voorlopige voorziening kan worden overgegaan. Met het oog daarop heeft de voorzieningenrechter de zaak verwezen naar zitting en iedere verdere beslissing aangehouden.
Verzoekers, verweerder en vergunninghouder hebben een nadere toelichting gegeven en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2025. Van verzoekers is [naam] in persoon verschenen en [naam] en [naam] via digitale beeldverbinding, bijgestaan door hun gemachtigde die tevens namens de overige verzoekers is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. Molenaar en door mr. D.R. de Poorter en F.M.J. Wijnants.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Dictum
De voorzieningenrechter heft de bij wijze van ordemaatregel getroffen voorlopige voorziening op en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarmee alsnog af.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering, die in dit proces-verbaal – zoals bij het doen van de mondelinge uitspraak al aangekondigd – uitgebreider is weergegeven dan mondeling is uitgesproken.
Karakter van deze uitspraak in relatie tot de ordemaatregel
2. Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen. Wijziging of opheffing van een reeds getroffen voorlopige voorziening is doorgaans alleen aan de orde indien er sprake is van een wijziging van feiten en/of omstandigheden die na de datum waarop die voorziening is getroffen, maar vóór de datum waarop op het bezwaar is beslist, bekend zijn geworden maar, waren zij eerder bekend geweest, wellicht niet tot het treffen van een voorziening, dan wel tot het treffen van een andere voorziening hadden geleid.
3. Gelet op de omstandigheid dat de in deze zaak bij uitspraak van 27 februari 2025 getroffen voorlopige voorziening een ordemaatregel betrof vanwege mogelijk onomkeerbare gevolgen indien geen onmiddellijke schorsing van de bestreden besluiten zou volgen, is de bij voormelde uitspraak getroffen voorziening niet terug te voeren op een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Dit betekent dat het antwoord op de vraag of er sprake is van (gewijzigde, dan wel nieuwe) feiten en omstandigheden op grond waarvan ambtshalve tot opheffing of wijziging van de reeds getroffen voorlopige voorziening zou moeten worden overgegaan, afhankelijk is van het alsnog beoordelen van het oorspronkelijke verzoek om een voorlopige voorziening. Voor zover de voorzieningenrechter nu een oordeel geeft over de in geding zijnde besluiten en daartegen aangevoerde bezwaren heeft die beoordeling een voorlopig karakter en bindt dat oordeel de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Reikwijdte van de beoordeling
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de bestreden besluiten alleen zien op de twee gebieden ter plaatse van de geluidswallen, aan de zuid- en noordzijde van de projectlocatie Koeweide/Trierveld. Onder meer op 31 oktober 2006 zijn voor deze locatie in het kader van het Grensmaasproject al diverse vergunningen verleend, waaronder een vergunning op grond van de Ontgrondingenwet en de Wet milieubeheer. De milieuvergunning uit 2006 geldt als omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en de desbetreffende aanvraag die tot het bestreden besluit II heeft geleid, betreft een verandering van die vergunning in verband met de grindwinning onder de geluidswallen (die vervangen worden door andere geluidwerende voorzieningen). De kernactiviteit, te weten het exploiteren van een IPPC-installatie voor het storten van afvalstoffen, wijzigt niet. Daaruit volgt dat een beoordeling van de al vergunde activiteiten ter plaatse van het overige deel van de locatie Koeweide/Trierveld niet voorligt. Het gaat nu enkel om de vergunde (tijdelijke) activiteiten op de twee genoemde gebiedsdelen.
5. Verzoekers voeren aan dat zij al vanaf de start van de werkzaamheden in 2016 ernstige overlast ondervinden en dat schade aan hun woningen is ontstaan. Gelet op hetgeen onder 4 is overwogen, kan dat in deze procedure niet worden beoordeeld, nu dit niet het gevolg is van de bestreden besluiten. Ten aanzien van de vrees voor verergering van schade aan woningen, moet bij de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen – in dit geval: of de getroffen voorlopige voorziening moet worden gecontinueerd – in aanmerking worden genomen dat een beslissing op verzoekers bezwaren binnen een relatief korte periode is te verwachten. De voorzieningenrechter moet beoordelen of het belang van verzoekers om in de periode tot de beslissingen op bezwaar gevrijwaard te blijven van overlast en mogelijke verergering van schade zodanig zwaar weegt dat het belang van verweerder en vergunninghouder bij verdere uitvoering en tijdige afronding van het project daarvoor moet wijken. Bij de belangenafweging moet worden betrokken de vraag of op voorhand gerede twijfel bestaat dat de bestreden besluiten in de bezwaarprocedure niet in stand kunnen blijven en in verband daarmee of als gevolg van de werkzaamheden in de twee gebieden in redelijkheid in deze periode (verergering van) schade te verwachten is.
6. Het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter kan daarnaast niet verder strekken dan de met de voorzieningenprocedure connexe bezwaarprocedure. In de bezwaarprocedure is op 17 april 2025 een hoorzitting gepland en na ontvangst van het advies van de bezwaaradviescommissie zal verweerder op de bezwaren van verzoekers beslissen. De vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden is of het nodig is een voorlopige voorziening te treffen (inhoudende schorsing van de bestreden besluiten voor de genoemde gebieden) gedurende de periode tot de beslissing op bezwaar.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel en belangenafweging
7. Verzoekers hebben diverse, meer formele gronden aan hun bezwaar en daarmee aan hun verzoek om voorlopige voorziening ten grondslag gelegd. De voorzieningenrechter gaat hieraan voorbij omdat, als al sprake is van gebreken, deze in de bezwaarfase hersteld kunnen worden en onvoldoende reden zijn voor een voorlopige voorziening. Dat geldt bijvoorbeeld voor de stelling dat sprake zou zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering omdat vergunninghouder geen rechthebbende zou zijn op de grond, waardoor ook geen sprake zou zijn van een aanvraag waarop een besluit kan worden genomen.
8. Naar aanleiding van de bezwaargrond dat ten onrechte geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is gevraagd omdat onder andere de vrachtwagenbewegingen veel stikstofuitstoot veroorzaken die op grond van de vigerende vergunningen niet is toegestaan, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
8.1.
De voorzieningenrechter ziet, in het kader van onderhavige voorlopige beoordeling, geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van verweerders standpunt dat de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, waaronder de Grensmaas, als gevolg van de ontgronding onder de geluidswallen blijft binnen de kaders van de omgevingsvergunning van 26 oktober 2015. Destijds is de natuurtoestemming op grond van de toen geldende Natuurbeschermingswet 1998 aangehaakt. Verweerder heeft toereikend onderbouwd dat de ontgronding onder de geluidswallen binnen de begrenzing van de voormalige inrichting op grond van de Wet milieubeheer valt en er niet meer grondverzet (en opvulling) gaat plaatsvinden dan bij de natuurtoestemming uit 2015 is vergund. In zoverre is dan ook geen sprake van een gewijzigd of nieuw project. Onderdeel van bestreden besluit III (de buitenplanse omgevingsplanactiviteit) is een ruimtelijke motivering waarin dit aspect met het oog op een evenwichtige toedeling van functies is beoordeeld. Verder is in het kader van bestreden besluit II (milieubelastende activiteit) beoordeeld en vastgesteld dat de emissies in verband met de uitbreiding van de grindwinning blijft binnen de in 2015 vergunde ruimte. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerders standpunt onjuist is. Voor het laten voortduren van de schorsing van de bestreden besluiten omdat de vereiste natuurtoestemming ontbreekt, bestaat daarom geen aanleiding.
8.2.
Bij het voorgaande heeft de voorzieningenrechter nog in aanmerking genomen dat, zoals op zitting is besproken, de grensmaas in de nabijheid van de woningen van verzoekers niet als stikstofgevoelig is aangewezen. Bij een aanwijzingsbesluit van 22 november 2022 zijn weliswaar bij de plassen bij Maasbracht alsnog stikstofgevoelige gebieden aangewezen, maar deze liggen op ruime afstand van de woningen van verzoekers.
Conclusie
11. Er is geen reden om de bestreden besluiten nog langer te schorsen, dus het verzoek om voorlopige voorziening wordt alsnog afgewezen onder opheffing van de getroffen ordemaatregel. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.
Mededeling rechtsmiddel
Bij de uitspraak heeft de rechtbank medegedeeld dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2025.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal,
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 28 maart 2025
Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB936.
Categorie 5.4 van bijlage I bij de RIE (artikel 3.84, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving).
Zie in dit verband overigens voorschrift 1.3 dat aan het bestreden besluit I (ontgrondingsactiviteit) is verbonden en de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB9936, r.o. 2.14.2.
Besluit van 26 oktober 2015 met kenmerk 2015/79370.
Motivering
Artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Bijlage 6 (stikstofdepositieonderzoek) bij de omgevingsvergunning Z2024-00007815: Memo 2024/049 d.d. 24 september 2024.
Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5252, r.o. 6.5 en 6.6.
Rapport Cauberg Huygen van 3 juli 2024, referentie 00494-57222-06v2 (akoestisch onderzoek) en memo van 21 maart 2023, nummer 2023/027 met rapport Witteveen + Bos van 23 september 2011 ‘Hinderaspecten geluid en trillingen, Grevenbicht – Koeweide’, referentie: HEEL14-24/mome/013 en van 21 oktober 2013, kenmerk: HEEL14-26/mome/019.
O.a. het rapport ‘Consortium Grensmaas’ van 11 september 2024, Memo 2023/023.