Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-03-11
ECLI:NL:RBLIM:2025:2402
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,924 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Familierecht
Zaaknummer: C/03/335162 / FA RK 24-2943
Kinder- en partneralimentatie
Beschikking van 11 maart 2025
in de zaak van:
verzoeker,
wonende in [plaatsnaam],
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R.F. Cohen,
e n
verweerster,
wonende in [plaatsnaam],
hierna te noemen: de vrouw,
geen advocaat (voorheen mr. D.M. Gijzen).
Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de man met bijlagen 1 en 2, binnengekomen op 2 oktober 2024;
het verweerschrift van de vrouw met bijlagen 1 en 2;
het bericht namens de vrouw van 24 februari 2025;
het bericht namens de man van 26 februari 2025 met bijlage.
1.2.
Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van
26 februari 2025. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
de man, bijgestaan door zijn advocaat, en
de vrouw.
2Waar gaat het over?
Wat staat vast?
2.1.
De man en de vrouw zijn met elkaar getrouwd geweest van 28 maart 2018 tot 10 oktober 2019.
2.2.
Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], beiden geboren op [geboortedatum].
2.3.
De kinderen staan ingeschreven op het adres van de man. Tussen de vrouw en de kinderen bestaat er een zorgregeling.
2.4.
Bij beschikking van 26 juli 2019 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie afgewezen.
Wat ligt voor?
2.5.
De man wil dat de vrouw met ingang van 1 juli 2024 een bedrag van € 100,- per kind per maand aan kinderalimentatie en een bedrag van € 100,- per maand aan partneralimentatie aan de man gaat betalen. De gemeente heeft aan de man de verplichting opgelegd om een alimentatieprocedure te starten. De man is niet in staat om te werken en hij ontvangt een bijstandsuitkering. Voor zover bekend ontvangt de vrouw een uitkering via het UWV.
2.6.
De vrouw is het niet eens met het verzoek. Zij ontvangt een Wajong-uitkering en heeft geen enkele draagkracht om alimentatie te betalen. De vrouw draagt al bij in de kosten van de kinderen als de kinderen bij haar zijn. Zij wil dat de verzoeken van de man worden afgewezen, kosten rechtens.
Beoordeling
3.1.
Uit de stukken en hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard is gebleken dat de vrouw een Wajonguitkering ontvangt, alsmede een toeslag ingevolge de Toeslagenwet. De rechtbank leidt hieruit af dat de vrouw geen draagkracht heeft om een onderhoudsbijdrage te betalen. Voor zover de vrouw een minimale draagkracht kan worden toegerekend, voldoet zij al in de kosten van de kinderen op het moment dat de kinderen bij haar verblijven. De vrouw is om die reden niet in staat om daarnaast nog een onderhoudsbijdrage in de kosten van de kinderen aan de man te voldoen, laat staan een bijdrage in het levensonderhoud van de man.
3.2.
De rechtbank vindt het op grond van het voorgaande onbegrijpelijk dat de gemeente Sittard-Geleen de man heeft opgedragen een alimentatieprocedure jegens de vrouw te starten. Deze procedure brengt hoge maatschappelijke kosten met zich die verder nergens toe leiden. Het brengt ook het risico met zich dat deze procedure de relatie tussen de ouders verstoort, wat de rechtbank niet in het belang van de kinderen acht.
3.3.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verzoeken van de man worden afgewezen.
proceskosten
3.4.
Partijen moeten ieder de eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
wijst de verzoeken van de man af;
4.2.
bepaalt dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
Dit is de beslissing van rechter mr. K.M. Braun, tot stand gekomen in samenwerking met mr. C.E.M. Geertsma-van Ooijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Familierecht
Zaaknummer: C/03/335162 / FA RK 24-2943
Kinder- en partneralimentatie
Beschikking van 11 maart 2025
in de zaak van:
verzoeker,
wonende in [plaatsnaam],
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R.F. Cohen,
e n
verweerster,
wonende in [plaatsnaam],
hierna te noemen: de vrouw,
geen advocaat (voorheen mr. D.M. Gijzen).
Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de man met bijlagen 1 en 2, binnengekomen op 2 oktober 2024;
het verweerschrift van de vrouw met bijlagen 1 en 2;
het bericht namens de vrouw van 24 februari 2025;
het bericht namens de man van 26 februari 2025 met bijlage.
1.2.
Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van
26 februari 2025. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
de man, bijgestaan door zijn advocaat, en
de vrouw.
2Waar gaat het over?
Wat staat vast?
2.1.
De man en de vrouw zijn met elkaar getrouwd geweest van 28 maart 2018 tot 10 oktober 2019.
2.2.
Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], beiden geboren op [geboortedatum].
2.3.
De kinderen staan ingeschreven op het adres van de man. Tussen de vrouw en de kinderen bestaat er een zorgregeling.
2.4.
Bij beschikking van 26 juli 2019 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie afgewezen.
Wat ligt voor?
2.5.
De man wil dat de vrouw met ingang van 1 juli 2024 een bedrag van € 100,- per kind per maand aan kinderalimentatie en een bedrag van € 100,- per maand aan partneralimentatie aan de man gaat betalen. De gemeente heeft aan de man de verplichting opgelegd om een alimentatieprocedure te starten. De man is niet in staat om te werken en hij ontvangt een bijstandsuitkering. Voor zover bekend ontvangt de vrouw een uitkering via het UWV.
2.6.
De vrouw is het niet eens met het verzoek. Zij ontvangt een Wajong-uitkering en heeft geen enkele draagkracht om alimentatie te betalen. De vrouw draagt al bij in de kosten van de kinderen als de kinderen bij haar zijn. Zij wil dat de verzoeken van de man worden afgewezen, kosten rechtens.
Beoordeling
3.1.
Uit de stukken en hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard is gebleken dat de vrouw een Wajonguitkering ontvangt, alsmede een toeslag ingevolge de Toeslagenwet. De rechtbank leidt hieruit af dat de vrouw geen draagkracht heeft om een onderhoudsbijdrage te betalen. Voor zover de vrouw een minimale draagkracht kan worden toegerekend, voldoet zij al in de kosten van de kinderen op het moment dat de kinderen bij haar verblijven. De vrouw is om die reden niet in staat om daarnaast nog een onderhoudsbijdrage in de kosten van de kinderen aan de man te voldoen, laat staan een bijdrage in het levensonderhoud van de man.
3.2.
De rechtbank vindt het op grond van het voorgaande onbegrijpelijk dat de gemeente Sittard-Geleen de man heeft opgedragen een alimentatieprocedure jegens de vrouw te starten. Deze procedure brengt hoge maatschappelijke kosten met zich die verder nergens toe leiden. Het brengt ook het risico met zich dat deze procedure de relatie tussen de ouders verstoort, wat de rechtbank niet in het belang van de kinderen acht.
3.3.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verzoeken van de man worden afgewezen.
proceskosten
3.4.
Partijen moeten ieder de eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
wijst de verzoeken van de man af;
4.2.
bepaalt dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
Dit is de beslissing van rechter mr. K.M. Braun, tot stand gekomen in samenwerking met mr. C.E.M. Geertsma-van Ooijen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.