Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-02-19
ECLI:NL:RBLIM:2025:1678
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,304 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11288183 \ CV EXPL 24-4373
Vonnis van 19 februari 2025
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- [gedaagde] heeft geen conclusie van dupliek genomen
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Tussen CZ en [gedaagde] bestaat een zorgverzekeringsovereenkomst.
2.2.
[gedaagde] blijft in gebreke met betaling van de zorgpremie, het eigen risico en/of de eigen bijdrage.
Geschil
3.1.
CZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 403,40, bestaande uit € 534,66 aan hoofdsom (onbetaald gelaten zorgpremie, eigen risico en eigen bijdrage), € 36,76 aan vervallen wettelijke rente tot 9 augustus 2024, € 60,87 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten, minus het door [gedaagde] betaalde bedrag van € 228,89, vermeerderd met de wettelijke rente over € 403,40 vanaf 9 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling en vermeerderd met de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en stelt dat de vordering van CZ niet klopt. De zorgpremie van mei en juni 2023 zou betaald zijn. Verder heeft [gedaagde] bankafschriften en transactiedetails overgelegd en geeft zij te kennen dat CZ haar administratie niet op orde zou hebben. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van CZ, met veroordeling van CZ in de kosten van deze procedure.
3.3.
CZ overlegt in de conclusie van repliek een overzicht van de openstaande posten van [gedaagde] en stelt dat de van [gedaagde] ontvangen betalingen in mei en juni 2023 op oudere openstaande posten zijn afgeboekt. Ten aanzien van de andere door [gedaagde] bij antwoord overgelegde bankafschriften en transactiedetails geeft CZ een uitleg op welke posten zij die betalingen heeft afgeboekt. CZ voert aan dat deze posten geen betrekking hebben op de openstaande posten van deze procedure.
3.4.
Op de conclusie van repliek van CZ is door [gedaagde] niet meer gereageerd.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
CZ heeft in productie 1 bij haar dagvaarding de componenten van haar vordering op [gedaagde] gespecificeerd, namelijk bestaande uit de (deels) onbetaald gelaten zorgpremie van de maanden april, mei, juni en juli 2023 en de in rekening gebrachte zorgkosten ten aanzien van het eigen risico en de eigen bijdrage over de periode 7 november 2022 tot en met 21 maart 2023, totaal zijnde een bedrag van € 534,66. Als productie 2 bij de dagvaarding heeft CZ overzichten overgelegd van het in rekening gebrachte eigen risico en de eigen bijdrage. [gedaagde] betwist de vorderingen niet, maar stelt dat zij betalingen heeft verricht waardoor het openstaande bedrag niet klopt. Zij heeft bankafschriften en transactiedetails als producties overgelegd waaruit dit op te maken zou zijn. Zij stelt specifiek dat de zorgpremie van mei en juni 2023 is voldaan omdat zij twee keer € 128,12 heeft overgemaakt.
4.2.
Bij repliek heeft CZ gesteld dat er behoudens de vorderingen in deze procedure nog meerdere openstaande posten zijn. De wet schrijft voor dat een betaling moet worden afgeboekt op de verbintenis die de schuldenaar bij betaling aanwijst. Wijst de schuldenaar geen verbintenis bij zijn betaling aan dan geldt dat de betaling in mindering moet worden gebracht op de oudste vordering. De betalingen die CZ in mei en in juni 2023 heeft ontvangen van elk € 128,12 zijn door haar afgeboekt op oudere posten, omdat een omschrijven bij de betaling ontbrak en er meerdere oudere openstaande premies waren. Ten aanzien van de door [gedaagde] overgelegde bankafschriften en transactiedetails waarop betalingen te zien zijn, heeft CZ gedetailleerde uitleg gegeven op welke posten zij deze betalingen heeft afgeboekt. Bij (de gemachtigde van) CZ liepen meerdere dossiers van [gedaagde] en de betalingen die [gedaagde] rechtstreeks aan deze gemachtigde heeft verricht zijn naar rato van de hoogte van de vorderingen verdeeld over deze dossiers. Voor het overgrote deel zijn de betalingen afgeboekt op andere openstaande posten dan de vorderingen uit deze procedure. Wel heeft CZ in deze procedure rekening gehouden met de betalingen van 26 februari 2024 van € 100,00 en van 26 maart 2024 van € 100,00 en heeft zij deze bij de dagvaarding in mindering gebracht op de vordering, zodat deze betalingen niet nogmaals als betaling kunnen worden aangemerkt.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat CZ de betalingen waarvan [gedaagde] bankafschriften en transactiedetails heeft overgelegd, heeft verwerkt. Daarmee heeft CZ bij repliek het verweer van [gedaagde] gedetailleerd weersproken. [gedaagde] heeft haar verweer dat zij (een deel) van de openstaande posten al heeft voldaan en dat de administratie van CZ niet klopt, gelet op het voorgaande onvoldoende onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om aan te tonen dat zij meer betalingen heeft verricht dan de betalingen die zij met de transactiedetails en bankafschriften heeft aangetoond of dat de afboekingen van CZ niet correct waren. Dit heeft zij nagelaten en zij heeft de juistheid van de vorderingen van CZ, anders dan de betwisting dat zij al (een deel) betaald zou hebben, verder niet bestreden. Daardoor wordt uitgegaan van de juistheid van de door CZ overgelegde specificatie en zal de hoofdsom worden toegewezen.
4.4.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom zal worden toegewezen, nu onbetwist is dat de zorgpremie bij vooruitbetaling is verschuldigd en dat het in rekening gebrachte eigen risico en de eigen bijdrage binnen veertien dagen na factuurdatum moet zijn voldaan.
4.5.
CZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. CZ heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en gelet daarop is € 60,87 toewijsbaar.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom - rente tot dagvaarding
€€
534,6636,76
- buitengerechtelijke incassokosten
€
60,87
+
totaal
€
632,29
- betalingen
€
228,89
-/-
Totaal
€
403,40
4.7.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
136,72
- griffierecht
€
130,00
- salaris gemachtigde
€
164,00
(2 punten × € 82,00)
- nakosten
€
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
471,72
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 403,40, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 9 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 471,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2025.
VC
Artikel 6:43 lid 1 BW.
Artikel 6:43 lid 2 BW.
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11288183 \ CV EXPL 24-4373
Vonnis van 19 februari 2025
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- [gedaagde] heeft geen conclusie van dupliek genomen
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Tussen CZ en [gedaagde] bestaat een zorgverzekeringsovereenkomst.
2.2.
[gedaagde] blijft in gebreke met betaling van de zorgpremie, het eigen risico en/of de eigen bijdrage.
Geschil
3.1.
CZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 403,40, bestaande uit € 534,66 aan hoofdsom (onbetaald gelaten zorgpremie, eigen risico en eigen bijdrage), € 36,76 aan vervallen wettelijke rente tot 9 augustus 2024, € 60,87 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten, minus het door [gedaagde] betaalde bedrag van € 228,89, vermeerderd met de wettelijke rente over € 403,40 vanaf 9 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling en vermeerderd met de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en stelt dat de vordering van CZ niet klopt. De zorgpremie van mei en juni 2023 zou betaald zijn. Verder heeft [gedaagde] bankafschriften en transactiedetails overgelegd en geeft zij te kennen dat CZ haar administratie niet op orde zou hebben. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van CZ, met veroordeling van CZ in de kosten van deze procedure.
3.3.
CZ overlegt in de conclusie van repliek een overzicht van de openstaande posten van [gedaagde] en stelt dat de van [gedaagde] ontvangen betalingen in mei en juni 2023 op oudere openstaande posten zijn afgeboekt. Ten aanzien van de andere door [gedaagde] bij antwoord overgelegde bankafschriften en transactiedetails geeft CZ een uitleg op welke posten zij die betalingen heeft afgeboekt. CZ voert aan dat deze posten geen betrekking hebben op de openstaande posten van deze procedure.
3.4.
Op de conclusie van repliek van CZ is door [gedaagde] niet meer gereageerd.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
CZ heeft in productie 1 bij haar dagvaarding de componenten van haar vordering op [gedaagde] gespecificeerd, namelijk bestaande uit de (deels) onbetaald gelaten zorgpremie van de maanden april, mei, juni en juli 2023 en de in rekening gebrachte zorgkosten ten aanzien van het eigen risico en de eigen bijdrage over de periode 7 november 2022 tot en met 21 maart 2023, totaal zijnde een bedrag van € 534,66. Als productie 2 bij de dagvaarding heeft CZ overzichten overgelegd van het in rekening gebrachte eigen risico en de eigen bijdrage. [gedaagde] betwist de vorderingen niet, maar stelt dat zij betalingen heeft verricht waardoor het openstaande bedrag niet klopt. Zij heeft bankafschriften en transactiedetails als producties overgelegd waaruit dit op te maken zou zijn. Zij stelt specifiek dat de zorgpremie van mei en juni 2023 is voldaan omdat zij twee keer € 128,12 heeft overgemaakt.
4.2.
Bij repliek heeft CZ gesteld dat er behoudens de vorderingen in deze procedure nog meerdere openstaande posten zijn. De wet schrijft voor dat een betaling moet worden afgeboekt op de verbintenis die de schuldenaar bij betaling aanwijst. Wijst de schuldenaar geen verbintenis bij zijn betaling aan dan geldt dat de betaling in mindering moet worden gebracht op de oudste vordering. De betalingen die CZ in mei en in juni 2023 heeft ontvangen van elk € 128,12 zijn door haar afgeboekt op oudere posten, omdat een omschrijven bij de betaling ontbrak en er meerdere oudere openstaande premies waren. Ten aanzien van de door [gedaagde] overgelegde bankafschriften en transactiedetails waarop betalingen te zien zijn, heeft CZ gedetailleerde uitleg gegeven op welke posten zij deze betalingen heeft afgeboekt. Bij (de gemachtigde van) CZ liepen meerdere dossiers van [gedaagde] en de betalingen die [gedaagde] rechtstreeks aan deze gemachtigde heeft verricht zijn naar rato van de hoogte van de vorderingen verdeeld over deze dossiers. Voor het overgrote deel zijn de betalingen afgeboekt op andere openstaande posten dan de vorderingen uit deze procedure. Wel heeft CZ in deze procedure rekening gehouden met de betalingen van 26 februari 2024 van € 100,00 en van 26 maart 2024 van € 100,00 en heeft zij deze bij de dagvaarding in mindering gebracht op de vordering, zodat deze betalingen niet nogmaals als betaling kunnen worden aangemerkt.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat CZ de betalingen waarvan [gedaagde] bankafschriften en transactiedetails heeft overgelegd, heeft verwerkt. Daarmee heeft CZ bij repliek het verweer van [gedaagde] gedetailleerd weersproken. [gedaagde] heeft haar verweer dat zij (een deel) van de openstaande posten al heeft voldaan en dat de administratie van CZ niet klopt, gelet op het voorgaande onvoldoende onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om aan te tonen dat zij meer betalingen heeft verricht dan de betalingen die zij met de transactiedetails en bankafschriften heeft aangetoond of dat de afboekingen van CZ niet correct waren. Dit heeft zij nagelaten en zij heeft de juistheid van de vorderingen van CZ, anders dan de betwisting dat zij al (een deel) betaald zou hebben, verder niet bestreden. Daardoor wordt uitgegaan van de juistheid van de door CZ overgelegde specificatie en zal de hoofdsom worden toegewezen.
4.4.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom zal worden toegewezen, nu onbetwist is dat de zorgpremie bij vooruitbetaling is verschuldigd en dat het in rekening gebrachte eigen risico en de eigen bijdrage binnen veertien dagen na factuurdatum moet zijn voldaan.
4.5.
CZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. CZ heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en gelet daarop is € 60,87 toewijsbaar.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom - rente tot dagvaarding
€€
534,6636,76
- buitengerechtelijke incassokosten
€
60,87
+
totaal
€
632,29
- betalingen
€
228,89
-/-
Totaal
€
403,40
4.7.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
136,72
- griffierecht
€
130,00
- salaris gemachtigde
€
164,00
(2 punten × € 82,00)
- nakosten
€
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
471,72
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 403,40, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 9 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 471,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2025.
VC
Artikel 6:43 lid 1 BW.
Artikel 6:43 lid 2 BW.