Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-11-19
ECLI:NL:RBLIM:2025:13235
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,243 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2025:13235 text/xml public 2026-03-13T11:07:57 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2025-11-19 C/03/336374 / HA ZA 24-518 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Maastricht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:13235 text/html public 2026-03-13T11:07:50 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2025:13235 Rechtbank Limburg , 19-11-2025 / C/03/336374 / HA ZA 24-518 Civiel recht. Bodemzaak. Eindvonnis. Rechtspersonenrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/336374 / HA ZA 24-518 Vonnis van 19 november 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eiser, advocaat: mr. J. Evers, tegen 1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HUMAN CARE BENELUX B.V. , gevestigd te Ittervoort, gemeente Leudal, 2. [gedaagde sub 2] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagden, advocaat: mr. J.H.M. Daniëls. Partijen zullen hierna [eiser] en Human Care c.s. (afzonderlijk Human Care en [gedaagde sub 2] ) genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met producties 1 tot en met 19, - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de mondelinge behandeling van 11 september 2025, - de spreekaantekeningen van mr. Evers, - de spreekaantekeningen van mr. Daniëls, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] is op 23 april 1990 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Christoffel Vastgoed B.V. (hierna: Christoffel) in de functie van onderhoudsmedewerker. 2.2. Human Care is enig bestuurder en enig aandeelhouder van Christoffel. [gedaagde sub 2] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van Human Care en indirect bestuurder van Christoffel. 2.3. Daarnaast is [gedaagde sub 2] de uiteindelijk bestuurder en aandeelhouder van een groot concern met tenminste zestien vennootschappen. [eiser] heeft tijdens zijn dienstverband werkzaamheden uitgevoerd voor verschillende vennootschappen binnen het concern. 2.4. Op 22 augustus 2022 heeft [eiser] zich ziek gemeld. 2.5. Sinds juni 2023 heeft Christoffel het salaris van [eiser] niet meer uitbetaald. 2.6. De kantonrechter van de rechtbank Limburg heeft Christoffel bij vonnis van 24 mei 2023 veroordeeld om het achterstallig salaris van [eiser] over november 2022, december 2022 en januari 2023 en het verschuldigde salaris vanaf februari 2023 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst eindigt vermeerderd met de wettelijke verhoging, te voldoen. 2.7. Bij beschikking van 21 februari 2024 heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg de arbeidsovereenkomst van [eiser] per datum van de beschikking ontbonden. Christoffel is veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, het achterstallig salaris vanaf 1 juni 2023 tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, openstaande vakantie-uren en achterstallig vakantiegeld. De kantonrechter heeft daartoe (onder meer) het volgende overwogen: “(…) 4.9. [eiser] wijst er opdat Christoffel Vastgoed van een positief vermogen van ongeveer € 77.000,00 in 2020 en 2021 naar een negatief vermogen van ongeveer € 318,00 in 2022 is gegaan. Een verschil van € 60.000,00, wat wijst op een onttrekking uit de onderneming. Dat is ernstig verwijtbaar naar [eiser] . Christoffel Vastgoed heeft ter zitting hiervoor een verklaring gegeven. Volgens Christoffel Vastgoed was er sprake van een oninbare vordering en heeft de accountant daarom een correctie toegepast. Deze verklaring heeft [eiser] niet weerlegt. De kantonrechter kan, op basis van de cijfers die in het dossier aanwezig zijn, niet vaststellen dat Christoffel Vastgoed vermogen aan de vennootschap heeft onttrokken. Om redenen die hierna zullen worden toegelicht ziet de kantonrechter ten aanzien van deze stelling geen aanleiding om Christoffel Vastgoed op grond van dc verzwaarde stelplicht tot nadere bewijslevering opdracht te geven. De conclusie is dat de kantonrechter op deze grond niet kan concluderen tot een ernstig verwijt aan het adres van Christoffel Vastgoed. 4.10. Als onweersproken staat vast dat Christoffel Vastgoed haar re- integratieverplichtingen jegens [eiser] niet is nagekomen. Dit wordt gezien als een vorm van ernstig verwijtbaar handelen van een werkgever. Door Christoffel Vastgoed is niet gesteld dat zij door overmacht – bijvoorbeeld geldgebrek – geen uitvoering aan die verplichting heeft kunnen geven. Overigens zou een dergelijk verweer ook geen doel treffen om de rede dat aan de re-integratieverplichting al geen uitvoering werd gegeven toen het loon wel nog werd betaald. Dus ook toen er kennelijk nog geld was werd al niet aan deze verplichting voldaan. Op die grond komt de kantonrechter daarom tot het oordeel dat er sprake is van een ernstige verwijtbaarheid door Christoffel Vastgoed (en hoeft het argument van de bewuste onttrekking aan de vennootschap niet nader onderzocht te worden). (…)” 2.8. [eiser] heeft Human Care en [gedaagde sub 2] bij brieven van 3 juni 2024 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade en hen gesommeerd om aan de veroordeling(en) te voldoen door een bedrag van € 69.865,14 aan [eiser] te betalen. Bij e-mail van 5 juli 2024 heeft [eiser] hen opnieuw gesommeerd om dit bedrag te voldoen. 2.9. Tot op heden hebben Human Care en [gedaagde sub 2] niet voldaan aan de veroordeling in het vonnis van 24 mei 2023 en de veroordeling uit de beschikking van 21 februari 2024. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. Human Care c.s. hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [eiser] de hoofdsom van € 69.865,14 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2024 tot de datum van algehele voldoening, II. Human Care c.s. hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 1.783,12 (voor zover de betalende partij geen btw kan verrekenen) en € 1.473,65 (indien de betalende partij de btw wel kan verrekenen), III. Human Care c.s. hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen, de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de advocaat van [eiser] , te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, – en voor het geval de voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede de nakosten. 3.2. Human Care c.s. voeren verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Bevoegdheid en toepasselijk recht 4.1.1. Nu [gedaagde sub 2] woonachtig is in België, heeft deze zaak een internationaal karakter. Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I-bis is de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd om van het geschil kennis te nemen. In afwijking van de hiervoor geschetste hoofdregel, geeft Brussel I-bis enkele bijzondere bevoegdheidsregels die tot alternatieve bevoegdheidsgronden kunnen leiden, waaronder artikel 8 lid 1 Brussel I-bis, indien sprake is van meerdere gedaagden, zoals in casu . 4.1.2. De rechtbank is van oordeel dat zij op grond van artikel 8 lid 1 Brussel-I bis bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen. Uit dit artikel volgt dat [gedaagde sub 2] ook voor de Nederlandse rechter kan worden opgeroepen indien er een (andere) gedaagde is die wel woonplaats heeft in Nederland. Dit is het geval, omdat Human Care is gevestigd in Nederland (artikel 63 lid 1 Brussel I-bis). Daarvoor geldt de voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijke behandeling en berechting.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2025:13235 text/xml public 2026-03-13T11:07:57 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2025-11-19 C/03/336374 / HA ZA 24-518 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Maastricht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:13235 text/html public 2026-03-13T11:07:50 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2025:13235 Rechtbank Limburg , 19-11-2025 / C/03/336374 / HA ZA 24-518 Civiel recht. Bodemzaak. Eindvonnis. Rechtspersonenrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/336374 / HA ZA 24-518 Vonnis van 19 november 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eiser, advocaat: mr. J. Evers, tegen 1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HUMAN CARE BENELUX B.V. , gevestigd te Ittervoort, gemeente Leudal, 2. [gedaagde sub 2] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagden, advocaat: mr. J.H.M. Daniëls. Partijen zullen hierna [eiser] en Human Care c.s. (afzonderlijk Human Care en [gedaagde sub 2] ) genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met producties 1 tot en met 19, - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de mondelinge behandeling van 11 september 2025, - de spreekaantekeningen van mr. Evers, - de spreekaantekeningen van mr. Daniëls, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] is op 23 april 1990 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Christoffel Vastgoed B.V. (hierna: Christoffel) in de functie van onderhoudsmedewerker. 2.2. Human Care is enig bestuurder en enig aandeelhouder van Christoffel. [gedaagde sub 2] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van Human Care en indirect bestuurder van Christoffel. 2.3. Daarnaast is [gedaagde sub 2] de uiteindelijk bestuurder en aandeelhouder van een groot concern met tenminste zestien vennootschappen. [eiser] heeft tijdens zijn dienstverband werkzaamheden uitgevoerd voor verschillende vennootschappen binnen het concern. 2.4. Op 22 augustus 2022 heeft [eiser] zich ziek gemeld. 2.5. Sinds juni 2023 heeft Christoffel het salaris van [eiser] niet meer uitbetaald. 2.6. De kantonrechter van de rechtbank Limburg heeft Christoffel bij vonnis van 24 mei 2023 veroordeeld om het achterstallig salaris van [eiser] over november 2022, december 2022 en januari 2023 en het verschuldigde salaris vanaf februari 2023 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst eindigt vermeerderd met de wettelijke verhoging, te voldoen. 2.7. Bij beschikking van 21 februari 2024 heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg de arbeidsovereenkomst van [eiser] per datum van de beschikking ontbonden. Christoffel is veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, het achterstallig salaris vanaf 1 juni 2023 tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, openstaande vakantie-uren en achterstallig vakantiegeld. De kantonrechter heeft daartoe (onder meer) het volgende overwogen: “(…) 4.9. [eiser] wijst er opdat Christoffel Vastgoed van een positief vermogen van ongeveer € 77.000,00 in 2020 en 2021 naar een negatief vermogen van ongeveer € 318,00 in 2022 is gegaan. Een verschil van € 60.000,00, wat wijst op een onttrekking uit de onderneming. Dat is ernstig verwijtbaar naar [eiser] . Christoffel Vastgoed heeft ter zitting hiervoor een verklaring gegeven. Volgens Christoffel Vastgoed was er sprake van een oninbare vordering en heeft de accountant daarom een correctie toegepast. Deze verklaring heeft [eiser] niet weerlegt. De kantonrechter kan, op basis van de cijfers die in het dossier aanwezig zijn, niet vaststellen dat Christoffel Vastgoed vermogen aan de vennootschap heeft onttrokken. Om redenen die hierna zullen worden toegelicht ziet de kantonrechter ten aanzien van deze stelling geen aanleiding om Christoffel Vastgoed op grond van dc verzwaarde stelplicht tot nadere bewijslevering opdracht te geven. De conclusie is dat de kantonrechter op deze grond niet kan concluderen tot een ernstig verwijt aan het adres van Christoffel Vastgoed. 4.10. Als onweersproken staat vast dat Christoffel Vastgoed haar re- integratieverplichtingen jegens [eiser] niet is nagekomen. Dit wordt gezien als een vorm van ernstig verwijtbaar handelen van een werkgever. Door Christoffel Vastgoed is niet gesteld dat zij door overmacht – bijvoorbeeld geldgebrek – geen uitvoering aan die verplichting heeft kunnen geven. Overigens zou een dergelijk verweer ook geen doel treffen om de rede dat aan de re-integratieverplichting al geen uitvoering werd gegeven toen het loon wel nog werd betaald. Dus ook toen er kennelijk nog geld was werd al niet aan deze verplichting voldaan. Op die grond komt de kantonrechter daarom tot het oordeel dat er sprake is van een ernstige verwijtbaarheid door Christoffel Vastgoed (en hoeft het argument van de bewuste onttrekking aan de vennootschap niet nader onderzocht te worden). (…)” 2.8. [eiser] heeft Human Care en [gedaagde sub 2] bij brieven van 3 juni 2024 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade en hen gesommeerd om aan de veroordeling(en) te voldoen door een bedrag van € 69.865,14 aan [eiser] te betalen. Bij e-mail van 5 juli 2024 heeft [eiser] hen opnieuw gesommeerd om dit bedrag te voldoen. 2.9. Tot op heden hebben Human Care en [gedaagde sub 2] niet voldaan aan de veroordeling in het vonnis van 24 mei 2023 en de veroordeling uit de beschikking van 21 februari 2024. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. Human Care c.s. hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [eiser] de hoofdsom van € 69.865,14 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2024 tot de datum van algehele voldoening, II. Human Care c.s. hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 1.783,12 (voor zover de betalende partij geen btw kan verrekenen) en € 1.473,65 (indien de betalende partij de btw wel kan verrekenen), III. Human Care c.s. hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen, de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de advocaat van [eiser] , te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, – en voor het geval de voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede de nakosten. 3.2. Human Care c.s. voeren verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Bevoegdheid en toepasselijk recht 4.1.1. Nu [gedaagde sub 2] woonachtig is in België, heeft deze zaak een internationaal karakter. Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I-bis is de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd om van het geschil kennis te nemen. In afwijking van de hiervoor geschetste hoofdregel, geeft Brussel I-bis enkele bijzondere bevoegdheidsregels die tot alternatieve bevoegdheidsgronden kunnen leiden, waaronder artikel 8 lid 1 Brussel I-bis, indien sprake is van meerdere gedaagden, zoals in casu . 4.1.2. De rechtbank is van oordeel dat zij op grond van artikel 8 lid 1 Brussel-I bis bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen. Uit dit artikel volgt dat [gedaagde sub 2] ook voor de Nederlandse rechter kan worden opgeroepen indien er een (andere) gedaagde is die wel woonplaats heeft in Nederland. Dit is het geval, omdat Human Care is gevestigd in Nederland (artikel 63 lid 1 Brussel I-bis). Daarvoor geldt de voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijke behandeling en berechting.
Volledig
Dit om te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Aan die voorwaarde is voldaan. Nu [eiser] dezelfde vorderingen instelt tegen Human Care als direct bestuurder en [gedaagde sub 2] als indirect bestuurder van Christoffel om hen hoofdelijk te veroordelen, is het van belang dat de zaken niet afzonderlijk worden beslist. Deze rechtbank is dus bevoegd om kennis te nemen van het geschil. 4.1.3. Verder moet worden beoordeeld welk recht van toepassing is. [eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 2] en Human Care onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. Op grond van artikel 4 lid 1 van de Rome II-verordening is daarop van toepassing het recht van het land waar de schade zich voordoet. Nu [eiser] woonachtig is in Nederland en schade lijdt als gevolg van het onbetaald laten van de veroordelingen, is Nederlands recht van toepassing. 4.2. Bestuurdersaansprakelijkheid Standpunten partijen 4.2.1. [eiser] stelt dat Human Care als direct bestuurder en [gedaagde sub 2] als indirect bestuurder van Christoffel jegens [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld, omdat zij er niet voor hebben gezorgd dat Christoffel aan de veroordelingen uit het vonnis van 24 mei 2023 en de beschikking van 21 februari 2024 heeft voldaan. [eiser] voert aan dat Human Care c.s. zich onterecht op het standpunt stellen dat hun aansprakelijkheid pas kan worden aangenomen indien zowel Human Care als [gedaagde sub 2] persoonlijk een ernstig verwijt te maken is. Volgens [eiser] geldt deze aanvullende eis alleen voor Human Care, als direct bestuurder, waarvan in dit geval sprake is. [eiser] betoogt dat Human Care wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de door haar bewerkstelligde of toegelaten handelwijze tot gevolg had dat Christoffel niet aan de veroordelingen kon voldoen. Van betalingsonmacht is niet gebleken, aldus [eiser] . 4.2.2. Human Care c.s. betwisten dat zij onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld. Volgens Human Care c.s. kan hun niet worden verweten dat Christoffel niet aan de veroordelingen heeft kunnen voldoen, omdat sprake is van betalingsonmacht aan de zijde van Christoffel. Dit heeft de kantonrechter bij beschikking van 21 februari 2024 volgens Human Care c.s. beslist. Human Care c.s. stellen dat hun beiden om die reden persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, waardoor zij niet aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en te lijden schade. Het oordeel van de rechtbank 4.2.3. Als een vennootschap toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap (artikel 2:9 BW). Elke bestuurder is tegenover de vennootschap namelijk gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. 4.2.4. Indien de bestuurder die aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad, een rechtspersoon-bestuurder is, rust de aansprakelijkheid ook hoofdelijk op ieder die bestuurder is van die rechtspersoon-bestuurder op het tijdstip van het ontstaan van de aansprakelijkheid (artikel 2:11 BW). Voor vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder geldt niet de aanvullende eis dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank is het dan ook met [eiser] eens dat in de onderhavige procedure alleen voor Human Care, als (direct) rechtspersoon-bestuurder van Christoffel, als aanvullende eis voor het aannemen van aansprakelijkheid geldt dat haar persoonlijk een ernstig verwijt dient te worden gemaakt. Voor de vestiging van de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] als (indirect) bestuurder van Christoffel geldt, in tegenstelling tot het standpunt van Human Care c.s., deze aanvullende eis dus niet. 4.2.5. Human Care c.s. stellen dat de kantonrechter in de beschikking van 21 februari 2024 heeft beslist dat aan de zijde van Christoffel sprake is van betalingsonmacht en dat hun om die reden niet kan worden verweten dat Christoffel niet aan de veroordelingen heeft kunnen voldoen. De rechtbank is echter van oordeel dat de kantonrechter dit niet met zoveel woorden heeft overwogen. De kantonrechter heeft namelijk slechts geoordeeld dat Christoffel niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen jegens [eiser] en dat reeds op grond daarvan sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Christoffel. De kantonrechter kwam dus niet meer toe aan de beoordeling van het argument van [eiser] dat Christoffel bewust gelden heeft onttrokken en daarmee haar betalingsonmacht zelf zou hebben veroorzaakt, in welk geval sprake zou zijn van betalingsonwil (en daarmee van ernstig verwijtbaar handelen). Dat de vraag of sprake was van betalingsonmacht door de kantonrechter niet nader onderzocht is, betekent dus niet dat hier geen sprake van was. In de onderhavige procedure zal de vraag of aan de zijde van Christoffel sprake is van betalingsonmacht of betalingsonwil wel worden beantwoord. Daartoe het volgende. 4.2.6. De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat aan de zijde van Christoffel sprake is van betalingsonwil. Uit de door [eiser] overgelegde jaarrekeningen van Christoffel blijkt dat het eigen vermogen van Christoffel in 2021 nog € 77.954,00 (positief) was en in 2022 € 35.733,00 (negatief), zonder dat Human Care c.s. hiervoor een deugdelijke verklaring hebben gegeven. Human Care c.s. hebben tijdens de mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat de mutatie ziet op een oninbare vordering op – kennelijk – een zekere [naam 2] , maar zij hebben nagelaten dit met stukken te onderbouwen. Dat had wel op hun weg gelegen en was ook relatief eenvoudig geweest ten behoeve van de mondelinge behandeling. De enkele, algemene verwijzing naar pagina 11 van de jaarrekeningen van Christoffel werpt hier geen ander licht op, omdat hieruit onvoldoende concreet kan worden afgeleid waarom de gestelde vordering op deze [naam 2] tot gevolg had dat Christoffel op enig moment niet meer aan haar loondoorbetalingsverplichting kon voldoen. Bovendien stelt [eiser] terecht dat evenmin is gebleken dat Human Care c.s. een ‘melding betalingsonmacht’ bij de belastingdienst hebben gedaan, terwijl dat wel op hun weg had gelegen en zij dat eenvoudig hadden kunnen aantonen met een document. Als (direct en indirect) bestuurders zijn zij immers bij uitstek degenen die inzicht hebben in en toegang hebben tot relevante stukken met betrekking tot de financiële situatie en boekhouding van Christoffel ter ontkrachting van de gemotiveerde stellingen van [eiser] . Dit hebben Human Care c.s. niet gedaan, terwijl zij daartoe zowel in de conclusie van antwoord als tijdens de mondelinge behandeling ruimschoots de gelegenheid hebben gehad. Dit mag van hen als bestuurders ook worden verwacht. [gedaagde sub 2] heeft als (indirect) bestuurder van Cristoffel die gelegenheid aan zich voorbij laten gaan door niet te verschijnen ter zitting, waardoor de rechtbank ook geen vragen aan hem zelf kon stellen om hierover meer helderheid te krijgen. De rechtbank neemt bij al het voorgaande tevens in aanmerking dat Human Care c.s. na de gerechtelijke uitspraken geen contact heeft opgenomen met [eiser] om, als de situatie zo precair was als zij heeft gesteld, deze als goed werkgever met [eiser] te bespreken en een mogelijke oplossing te onderzoeken. Het volstrekt uitblijven van enig initiatief van de zijde van Human Care c.s. duidt er dan ook op dat zij geen enkele bereidheid dan wel intentie hebben getoond om ervoor te zorgen dat Christoffel aan haar verplichting jegens [eiser] kon voldoen.
Volledig
Dit om te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Aan die voorwaarde is voldaan. Nu [eiser] dezelfde vorderingen instelt tegen Human Care als direct bestuurder en [gedaagde sub 2] als indirect bestuurder van Christoffel om hen hoofdelijk te veroordelen, is het van belang dat de zaken niet afzonderlijk worden beslist. Deze rechtbank is dus bevoegd om kennis te nemen van het geschil. 4.1.3. Verder moet worden beoordeeld welk recht van toepassing is. [eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 2] en Human Care onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. Op grond van artikel 4 lid 1 van de Rome II-verordening is daarop van toepassing het recht van het land waar de schade zich voordoet. Nu [eiser] woonachtig is in Nederland en schade lijdt als gevolg van het onbetaald laten van de veroordelingen, is Nederlands recht van toepassing. 4.2. Bestuurdersaansprakelijkheid Standpunten partijen 4.2.1. [eiser] stelt dat Human Care als direct bestuurder en [gedaagde sub 2] als indirect bestuurder van Christoffel jegens [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld, omdat zij er niet voor hebben gezorgd dat Christoffel aan de veroordelingen uit het vonnis van 24 mei 2023 en de beschikking van 21 februari 2024 heeft voldaan. [eiser] voert aan dat Human Care c.s. zich onterecht op het standpunt stellen dat hun aansprakelijkheid pas kan worden aangenomen indien zowel Human Care als [gedaagde sub 2] persoonlijk een ernstig verwijt te maken is. Volgens [eiser] geldt deze aanvullende eis alleen voor Human Care, als direct bestuurder, waarvan in dit geval sprake is. [eiser] betoogt dat Human Care wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de door haar bewerkstelligde of toegelaten handelwijze tot gevolg had dat Christoffel niet aan de veroordelingen kon voldoen. Van betalingsonmacht is niet gebleken, aldus [eiser] . 4.2.2. Human Care c.s. betwisten dat zij onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld. Volgens Human Care c.s. kan hun niet worden verweten dat Christoffel niet aan de veroordelingen heeft kunnen voldoen, omdat sprake is van betalingsonmacht aan de zijde van Christoffel. Dit heeft de kantonrechter bij beschikking van 21 februari 2024 volgens Human Care c.s. beslist. Human Care c.s. stellen dat hun beiden om die reden persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, waardoor zij niet aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en te lijden schade. Het oordeel van de rechtbank 4.2.3. Als een vennootschap toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap (artikel 2:9 BW). Elke bestuurder is tegenover de vennootschap namelijk gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. 4.2.4. Indien de bestuurder die aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad, een rechtspersoon-bestuurder is, rust de aansprakelijkheid ook hoofdelijk op ieder die bestuurder is van die rechtspersoon-bestuurder op het tijdstip van het ontstaan van de aansprakelijkheid (artikel 2:11 BW). Voor vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder geldt niet de aanvullende eis dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank is het dan ook met [eiser] eens dat in de onderhavige procedure alleen voor Human Care, als (direct) rechtspersoon-bestuurder van Christoffel, als aanvullende eis voor het aannemen van aansprakelijkheid geldt dat haar persoonlijk een ernstig verwijt dient te worden gemaakt. Voor de vestiging van de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] als (indirect) bestuurder van Christoffel geldt, in tegenstelling tot het standpunt van Human Care c.s., deze aanvullende eis dus niet. 4.2.5. Human Care c.s. stellen dat de kantonrechter in de beschikking van 21 februari 2024 heeft beslist dat aan de zijde van Christoffel sprake is van betalingsonmacht en dat hun om die reden niet kan worden verweten dat Christoffel niet aan de veroordelingen heeft kunnen voldoen. De rechtbank is echter van oordeel dat de kantonrechter dit niet met zoveel woorden heeft overwogen. De kantonrechter heeft namelijk slechts geoordeeld dat Christoffel niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen jegens [eiser] en dat reeds op grond daarvan sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Christoffel. De kantonrechter kwam dus niet meer toe aan de beoordeling van het argument van [eiser] dat Christoffel bewust gelden heeft onttrokken en daarmee haar betalingsonmacht zelf zou hebben veroorzaakt, in welk geval sprake zou zijn van betalingsonwil (en daarmee van ernstig verwijtbaar handelen). Dat de vraag of sprake was van betalingsonmacht door de kantonrechter niet nader onderzocht is, betekent dus niet dat hier geen sprake van was. In de onderhavige procedure zal de vraag of aan de zijde van Christoffel sprake is van betalingsonmacht of betalingsonwil wel worden beantwoord. Daartoe het volgende. 4.2.6. De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat aan de zijde van Christoffel sprake is van betalingsonwil. Uit de door [eiser] overgelegde jaarrekeningen van Christoffel blijkt dat het eigen vermogen van Christoffel in 2021 nog € 77.954,00 (positief) was en in 2022 € 35.733,00 (negatief), zonder dat Human Care c.s. hiervoor een deugdelijke verklaring hebben gegeven. Human Care c.s. hebben tijdens de mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat de mutatie ziet op een oninbare vordering op – kennelijk – een zekere [naam 2] , maar zij hebben nagelaten dit met stukken te onderbouwen. Dat had wel op hun weg gelegen en was ook relatief eenvoudig geweest ten behoeve van de mondelinge behandeling. De enkele, algemene verwijzing naar pagina 11 van de jaarrekeningen van Christoffel werpt hier geen ander licht op, omdat hieruit onvoldoende concreet kan worden afgeleid waarom de gestelde vordering op deze [naam 2] tot gevolg had dat Christoffel op enig moment niet meer aan haar loondoorbetalingsverplichting kon voldoen. Bovendien stelt [eiser] terecht dat evenmin is gebleken dat Human Care c.s. een ‘melding betalingsonmacht’ bij de belastingdienst hebben gedaan, terwijl dat wel op hun weg had gelegen en zij dat eenvoudig hadden kunnen aantonen met een document. Als (direct en indirect) bestuurders zijn zij immers bij uitstek degenen die inzicht hebben in en toegang hebben tot relevante stukken met betrekking tot de financiële situatie en boekhouding van Christoffel ter ontkrachting van de gemotiveerde stellingen van [eiser] . Dit hebben Human Care c.s. niet gedaan, terwijl zij daartoe zowel in de conclusie van antwoord als tijdens de mondelinge behandeling ruimschoots de gelegenheid hebben gehad. Dit mag van hen als bestuurders ook worden verwacht. [gedaagde sub 2] heeft als (indirect) bestuurder van Cristoffel die gelegenheid aan zich voorbij laten gaan door niet te verschijnen ter zitting, waardoor de rechtbank ook geen vragen aan hem zelf kon stellen om hierover meer helderheid te krijgen. De rechtbank neemt bij al het voorgaande tevens in aanmerking dat Human Care c.s. na de gerechtelijke uitspraken geen contact heeft opgenomen met [eiser] om, als de situatie zo precair was als zij heeft gesteld, deze als goed werkgever met [eiser] te bespreken en een mogelijke oplossing te onderzoeken. Het volstrekt uitblijven van enig initiatief van de zijde van Human Care c.s. duidt er dan ook op dat zij geen enkele bereidheid dan wel intentie hebben getoond om ervoor te zorgen dat Christoffel aan haar verplichting jegens [eiser] kon voldoen.
Volledig
Het handelen van Christoffel, zo overweegt de rechtbank, verdient dan ook geen ander predikaat dan betalingsonwil. 4.2.7. Het voorgaande spreekt temeer, nu uit de e-mail van het UWV van 1 september 2023 blijkt dat Christoffel niet wordt opgeheven en dat Christoffel op zoek was naar een nieuwe medewerker voor klusopdrachten tegen betaling van loon. Tijdens de mondelinge behandeling hebben Human Care c.s. desgevraagd toegelicht dat Christoffel naast de mogelijkheid om een nieuwe medewerker aan te nemen ook de mogelijkheid open hield om [eiser] weer terug in dienst te nemen als hij hersteld zou zijn. Dit valt niet te rijmen met de stelling van Human Care c.s. dat sprake is van betalingsonmacht. 4.2.8. Uit al het voorgaande trekt de rechtbank de conclusie dat het feit dat Cristoffel de vorderingen van [eiser] uit hoofde van voormelde gerechtelijke uitspraken niet heeft voldaan, voorkomt uit betalingsonwil. Naar het oordeel van de rechtbank is dit zodanig onzorgvuldig dat Human Care daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake waarvan ook [gedaagde sub 2] op grond van artikel 2:11 BW aansprakelijk is. Dat betekent dat Human Care c.s. als bestuurders persoonlijk aansprakelijk dienen te worden gehouden voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van het niet betalen door Cristoffel van de vorderingen van [eiser] uit hoofde van de gerechtelijke beslissingen. Het andersluidende verweer van Human Care c.s. wordt dan ook verworpen. De rechtbank zal vordering I toewijzen. 4.2.9. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van de subsidiair door [eiser] gestelde concernaansprakelijkheid. 4.3. Buitengerechtelijke kosten 4.3.1. [eiser] vordert een bedrag van € 1.783,12 (voor zover de betalende partij geen btw kan verrekenen) en een bedrag van € 1.473,65 (indien de betalende partij de btw wel kan verrekenen) aan buitengerechtelijke incassokosten. Voor de hoogte van de toewijsbare buitengerechtelijke incassokosten zoekt de rechtbank aansluiting bij het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. Op grond hiervan liggen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten voor toewijzing gereed. 4.4. Proceskosten 4.4.1. Human Care c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 135,97 - griffierecht € 1.325,00 - salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten × € 1.214,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.066,97 4.4.2. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. veroordeelt Human Care c.s. hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [eiser] de hoofdsom van € 69.865,14 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2024 tot de datum van algehele voldoening, 5.2. veroordeelt Human Care c.s. hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 1.783,12 (voor zover de betalende partij geen btw kan verrekenen) en € 1.473,65 (indien de betalende partij de btw wel kan verrekenen), 5.3. veroordeelt Human Care c.s. in de proceskosten van € 4.066,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Human Care c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.4. veroordeelt Human Care c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025. type: FL coll: Productie 16 bij dagvaarding. Ter zitting verklaart [naam 1] als bij de KvK geregistreerd gevolmachtigde van Human Care: “De oninbare vordering ziet volgens mij op een vordering op de heer [naam 2] , dacht ik. Dit was een vordering die een lange tijd in de boeken stond (…).”
Volledig
Het handelen van Christoffel, zo overweegt de rechtbank, verdient dan ook geen ander predikaat dan betalingsonwil. 4.2.7. Het voorgaande spreekt temeer, nu uit de e-mail van het UWV van 1 september 2023 blijkt dat Christoffel niet wordt opgeheven en dat Christoffel op zoek was naar een nieuwe medewerker voor klusopdrachten tegen betaling van loon. Tijdens de mondelinge behandeling hebben Human Care c.s. desgevraagd toegelicht dat Christoffel naast de mogelijkheid om een nieuwe medewerker aan te nemen ook de mogelijkheid open hield om [eiser] weer terug in dienst te nemen als hij hersteld zou zijn. Dit valt niet te rijmen met de stelling van Human Care c.s. dat sprake is van betalingsonmacht. 4.2.8. Uit al het voorgaande trekt de rechtbank de conclusie dat het feit dat Cristoffel de vorderingen van [eiser] uit hoofde van voormelde gerechtelijke uitspraken niet heeft voldaan, voorkomt uit betalingsonwil. Naar het oordeel van de rechtbank is dit zodanig onzorgvuldig dat Human Care daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake waarvan ook [gedaagde sub 2] op grond van artikel 2:11 BW aansprakelijk is. Dat betekent dat Human Care c.s. als bestuurders persoonlijk aansprakelijk dienen te worden gehouden voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van het niet betalen door Cristoffel van de vorderingen van [eiser] uit hoofde van de gerechtelijke beslissingen. Het andersluidende verweer van Human Care c.s. wordt dan ook verworpen. De rechtbank zal vordering I toewijzen. 4.2.9. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van de subsidiair door [eiser] gestelde concernaansprakelijkheid. 4.3. Buitengerechtelijke kosten 4.3.1. [eiser] vordert een bedrag van € 1.783,12 (voor zover de betalende partij geen btw kan verrekenen) en een bedrag van € 1.473,65 (indien de betalende partij de btw wel kan verrekenen) aan buitengerechtelijke incassokosten. Voor de hoogte van de toewijsbare buitengerechtelijke incassokosten zoekt de rechtbank aansluiting bij het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. Op grond hiervan liggen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten voor toewijzing gereed. 4.4. Proceskosten 4.4.1. Human Care c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 135,97 - griffierecht € 1.325,00 - salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten × € 1.214,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.066,97 4.4.2. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. veroordeelt Human Care c.s. hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [eiser] de hoofdsom van € 69.865,14 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2024 tot de datum van algehele voldoening, 5.2. veroordeelt Human Care c.s. hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 1.783,12 (voor zover de betalende partij geen btw kan verrekenen) en € 1.473,65 (indien de betalende partij de btw wel kan verrekenen), 5.3. veroordeelt Human Care c.s. in de proceskosten van € 4.066,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Human Care c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.4. veroordeelt Human Care c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025. type: FL coll: Productie 16 bij dagvaarding. Ter zitting verklaart [naam 1] als bij de KvK geregistreerd gevolmachtigde van Human Care: “De oninbare vordering ziet volgens mij op een vordering op de heer [naam 2] , dacht ik. Dit was een vordering die een lange tijd in de boeken stond (…).”