Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-01-08
ECLI:NL:RBLIM:2025:120
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,640 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11118146 \ CV EXPL 24-2658
Vonnis van 8 januari 2025
in de zaak van
[eiser] , H.O.D.N. [handelsnaam],
wonende en kantoorhoudend te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S.E.G.N. Schnabel,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [gedaagde sub 2] , vennoot van gedaagde sub 1,
wonend te [woonplaats 2] ,
3. [gedaagde sub 3] , vennoot van gedaagde sub 1,
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. J.H.M. Daniëls.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- de door [eiser] ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding gebrachte aanvullende producties 12 tot en met 19
- de mondelinge behandeling van 11 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiser] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagden] juridische bijstand verleend in verband met een huurgeschil tussen United Colours Vastgoed B.V. en [gedaagden] met betrekking tot een bedrijfsruimte, waarin [gedaagden] een restaurant exploiteert. [eiser] heeft werkzaamheden verricht in verband met het voeren van verweer in de door de advocaat van verhuurder aangekondigde en tevens inmiddels alhier aanhangige gerechtelijke procedure. De kosten van de in verband hiermee verrichte werkzaamheden zijn middels diverse facturen bij [gedaagden] in rekening gebracht. De factuur met declaratienummer 20240106 van € 4.235,00 inclusief btw is, ondanks herhaalde aanmaning, onbetaald gebleven.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van:
- € 4.235,00 inclusief btw aan onbetaald gelaten factuur, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
- € 635,25 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 april 2024 tot de dag van volledige betaling,
- de proceskosten en nakosten.
3.2.
[gedaagden] voert verweer, kort samengevat erop neerkomend dat [eiser] toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitvoering van de gegeven opdracht.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De rechtsverhouding tussen advocaat en opdrachtgever is gebaseerd op een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW. Die rechtsverhouding wordt beheerst door de Advocatenwet, met name artikel 46 van die wet, en de gedragsregels voor advocaten. Op de advocaat die een opdracht aanneemt rust een inspanningsverplichting; hij dient de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen en daarbij de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht ten opzichte van degene wiens belangen hij behartigt. De advocaat heeft bij de uitvoering een zekere mate van vrijheid om, in overleg met zijn cliënt, te bezien welke strategie in een procedure wordt gekozen, welke stellingen naar voren zullen worden gebracht, welke stukken worden overgelegd, welke (proces-) handelingen zullen worden verricht etc. Er kan pas gesproken worden van een toerekenbare tekortkoming indien een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden anders gehandeld zou hebben dan wel een advies niet zou hebben gegeven.
4.2.
Voor zover sprake is van wanprestatie ontslaat die enkele wanprestatie - anders dan [gedaagden] onder randnummer 18 van haar conclusie van antwoord stelt - [gedaagden] niet van haar betalingsverplichting. Vereist is dat er aan het beroep op wanprestatie uitdrukkelijk een rechtsgevolg wordt verbonden, waarbij onder andere kan worden gedacht aan ontbinding van de overeenkomst en/of (vervangende) schadevergoeding. De kantonrechter kan die keuze niet - ambtshalve - voor een partij maken. Omdat [gedaagden] heeft nagelaten een rechtsgevolg aan haar beroep op wanprestatie te verbinden, is haar betalingsverplichting reeds daarom in stand gebleven en komt de kantonrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of de klachten van [gedaagden] terecht zijn.
4.3.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ligt de vordering ter zake van de onbetaald gelaten declaratie voor toewijzing gereed.
4.4.
De gevorderde wettelijke rente is door het enkele betalingsverzuim verschuldigd. De als productie 6 bij dagvaarding in het geding gebrachte declaratie mag dan een zogeheten ‘vervaldatum’ bevatten, maar gesteld noch gebleken is dat die datum tevens een fatale termijn is in de zin van artikel 6:83 aanhef en sub a BW. Uit de stukken blijkt dat pas op 11 april 2024 een aanmaning met ingebrekestellend effect verzonden is (productie 11 dagvaarding). Vanaf 17 april 2024 is in concreto pas sprake van verzuim als bedoeld in artikel 6:81 BW, zodat de gevorderde wettelijke rente slechts toewijsbaar is vanaf deze datum.
4.5.
[eiser] maakt verder aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Hij baseert zich op een van artikel 6:96 BW en Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) afwijkend beding in de toepasselijke algemene voorwaarden. De door [eiser] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten - welk bedrag hoger is dan het in het Besluit bepaald tarief - komt op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst in beginsel voor toewijzing in aanmerking. In dit geval acht de kantonrechter echter termen aanwezig om deze vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Rv te matigen, aangezien niet is gesteld of gebleken dat de werkelijke kosten van [eiser] hoger zijn dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten daarom toewijzen tot het wettelijke tarief. In dit geval is dat een bedrag van € 548,50.
4.6.
[gedaagden] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
116,46
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.041,46
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen:
- € 4.235,00 inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 april 2024 tot de dag van volledige betaling,
- € 548,50 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 april 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 1.041,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op
8 januari 2025.
CJ
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11118146 \ CV EXPL 24-2658
Vonnis van 8 januari 2025
in de zaak van
[eiser] , H.O.D.N. [handelsnaam],
wonende en kantoorhoudend te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S.E.G.N. Schnabel,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [gedaagde sub 2] , vennoot van gedaagde sub 1,
wonend te [woonplaats 2] ,
3. [gedaagde sub 3] , vennoot van gedaagde sub 1,
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. J.H.M. Daniëls.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- de door [eiser] ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding gebrachte aanvullende producties 12 tot en met 19
- de mondelinge behandeling van 11 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiser] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagden] juridische bijstand verleend in verband met een huurgeschil tussen United Colours Vastgoed B.V. en [gedaagden] met betrekking tot een bedrijfsruimte, waarin [gedaagden] een restaurant exploiteert. [eiser] heeft werkzaamheden verricht in verband met het voeren van verweer in de door de advocaat van verhuurder aangekondigde en tevens inmiddels alhier aanhangige gerechtelijke procedure. De kosten van de in verband hiermee verrichte werkzaamheden zijn middels diverse facturen bij [gedaagden] in rekening gebracht. De factuur met declaratienummer 20240106 van € 4.235,00 inclusief btw is, ondanks herhaalde aanmaning, onbetaald gebleven.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van:
- € 4.235,00 inclusief btw aan onbetaald gelaten factuur, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
- € 635,25 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 april 2024 tot de dag van volledige betaling,
- de proceskosten en nakosten.
3.2.
[gedaagden] voert verweer, kort samengevat erop neerkomend dat [eiser] toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitvoering van de gegeven opdracht.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De rechtsverhouding tussen advocaat en opdrachtgever is gebaseerd op een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW. Die rechtsverhouding wordt beheerst door de Advocatenwet, met name artikel 46 van die wet, en de gedragsregels voor advocaten. Op de advocaat die een opdracht aanneemt rust een inspanningsverplichting; hij dient de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen en daarbij de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht ten opzichte van degene wiens belangen hij behartigt. De advocaat heeft bij de uitvoering een zekere mate van vrijheid om, in overleg met zijn cliënt, te bezien welke strategie in een procedure wordt gekozen, welke stellingen naar voren zullen worden gebracht, welke stukken worden overgelegd, welke (proces-) handelingen zullen worden verricht etc. Er kan pas gesproken worden van een toerekenbare tekortkoming indien een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden anders gehandeld zou hebben dan wel een advies niet zou hebben gegeven.
4.2.
Voor zover sprake is van wanprestatie ontslaat die enkele wanprestatie - anders dan [gedaagden] onder randnummer 18 van haar conclusie van antwoord stelt - [gedaagden] niet van haar betalingsverplichting. Vereist is dat er aan het beroep op wanprestatie uitdrukkelijk een rechtsgevolg wordt verbonden, waarbij onder andere kan worden gedacht aan ontbinding van de overeenkomst en/of (vervangende) schadevergoeding. De kantonrechter kan die keuze niet - ambtshalve - voor een partij maken. Omdat [gedaagden] heeft nagelaten een rechtsgevolg aan haar beroep op wanprestatie te verbinden, is haar betalingsverplichting reeds daarom in stand gebleven en komt de kantonrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of de klachten van [gedaagden] terecht zijn.
4.3.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ligt de vordering ter zake van de onbetaald gelaten declaratie voor toewijzing gereed.
4.4.
De gevorderde wettelijke rente is door het enkele betalingsverzuim verschuldigd. De als productie 6 bij dagvaarding in het geding gebrachte declaratie mag dan een zogeheten ‘vervaldatum’ bevatten, maar gesteld noch gebleken is dat die datum tevens een fatale termijn is in de zin van artikel 6:83 aanhef en sub a BW. Uit de stukken blijkt dat pas op 11 april 2024 een aanmaning met ingebrekestellend effect verzonden is (productie 11 dagvaarding). Vanaf 17 april 2024 is in concreto pas sprake van verzuim als bedoeld in artikel 6:81 BW, zodat de gevorderde wettelijke rente slechts toewijsbaar is vanaf deze datum.
4.5.
[eiser] maakt verder aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Hij baseert zich op een van artikel 6:96 BW en Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) afwijkend beding in de toepasselijke algemene voorwaarden. De door [eiser] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten - welk bedrag hoger is dan het in het Besluit bepaald tarief - komt op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst in beginsel voor toewijzing in aanmerking. In dit geval acht de kantonrechter echter termen aanwezig om deze vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Rv te matigen, aangezien niet is gesteld of gebleken dat de werkelijke kosten van [eiser] hoger zijn dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten daarom toewijzen tot het wettelijke tarief. In dit geval is dat een bedrag van € 548,50.
4.6.
[gedaagden] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
116,46
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.041,46
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen:
- € 4.235,00 inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 april 2024 tot de dag van volledige betaling,
- € 548,50 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 april 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 1.041,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op
8 januari 2025.
CJ