Rechtspraak Rechtbank Limburg 2025-09-16
ECLI:NL:RBLIM:2025:10625
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 23/279, ROE 23/281, ROE 23/335, ROE 24/2828, ROE 24/2829 en ROE 24/3248 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 september 2025 in de zaken tussen [eiser 1] , uit [woonplaats] , eiser 1, [eiseres 1] , uit [vestigingsplaats 1] , eiseres, en [eiser 2] , uit [vestigingsplaats 2] , eiser 2, gezamenlijk te noemen: eisers (gemachtigde: mr. P.R. Botman), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas , verweerder (gemachtigden: E.N.H. Heijnen, A.J.H. Verkooijen en G.J.J. van den Beuken). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Geodis Benelux Holding B.V. uit Rotterdam, vergunninghoudster (gemachtigde: mr. R.J. de Heer). Procesverloop 1.1. Bij besluit van 12 juli 2022 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een distributiecentrum aan de [adres] in [plaats] . 1.2. Bij besluiten van 20 december 2022 (de bestreden besluiten I) heeft verweerder de daartegen ingediende bezwaren van eisers, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard en het primaire besluit I in stand gelaten. Eisers hebben tegen deze besluiten beroepen ingesteld (zaaknummers: ROE 23/279, ROE 23/281 en ROE 23/335). 1.3. Verweerder heeft bij besluit van 28 december 2023 (het primaire besluit II) aan vergunninghoudster een nieuwe omgevingsvergunning verleend voor een aantal bouwkundige aanpassingen van het distributiecentrum. 1.4. Bij besluiten van 16 april 2024 (de bestreden besluiten II) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen deze besluiten beroepen ingesteld (zaaknummers: ROE 24/2828, ROE 24/2829 en ROE 24/3248). 1.5. Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Eisers hebben bij brief van 28 mei 2025 nadere beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft hierop gereageerd op 12 juni 2025. Vergunninghoudster heeft op verschillende momenten schriftelijk haar standpunten naar voren gebracht. 1.6. De rechtbank heeft de beroepen op 24 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 1 en [belanghebbende 1] , de echtgenote van eiser 1, [belanghebbende 2] , de echtgenoot van eiseres, [belanghebbende 3] , namens eiser 2, de gemachtigde van eisers, [belanghebbende 4] , deskundige van eisers, de gemachtigden van verweerder, [belanghebbende 5] , [belanghebbende 6] , [belanghebbende 7] en [belanghebbende 8] namens vergunninghoudster en de gemachtigde van vergunninghoudster. Beoordeling door de rechtbank (Totstandkoming van) de bestreden besluiten 2. Op 17 februari 2022 heeft vergunninghoudster een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een distributiecentrum op het adres [adres] . Het distributiecentrum bestaat uit twee gebouwen en ten tijde van de aanvraag, de primaire besluiten en de bestreden besluiten golden hiervoor de bestemmingsplannen “Klaver 5, fase 2” (hierna: het bestemmingsplan 2) en “Klaver 5 fase 1, herziening” (hierna: het bestemmingsplan 1). Op grond van het bestemmingplan 2 heeft een deel van de locatie de bestemming ‘Bedrijventerrein’, de functieduiding ‘Bedrijf tot en met categorie 3.2’ en de maatvoeringen ‘maximum bouwhoogte 25 m’ (gedeeltelijk) en ‘maximum bouwhoogte 15 m’ (gedeeltelijk). Op grond van het bestemmingsplan 1 heeft het andere deel van de locatie dezelfde bestemming en functieduiding en bedraagt de maximale bouwhoogte voor dat deel in beginsel 25 meter. De aanvraag is ingediend voor de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Verweerder heeft de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, omdat de overstek van het gebouw in de noordwesthoek op minder dan de minimale afstand van vijf meter van de perceel- en bestemmingsgrens komt en de brand Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen . Omvang van het geding 10. De beroepsgronden van eisers zien hoofdzakelijk op de bouw van het distributiecentrum als zodanig, de gevolgen daarvan voor de omgeving en de wijze waarop zij bij de procedure tot vergunningverlening zijn betrokken. Daarnaast wordt aangevoerd dat met de omgevingsvergunning is afgeweken van het bestemmingsplan 2 in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Dat de afwijking van het bestemmingsplan 2 enkel ziet op de hoogte van de bebouwing en dat het distributiecentrum voor het overige binnen de bestemmingsplannen past, is niet in geschil. Omgevingsdialoog 11. Eisers voeren, samengevat weergegeven en met verschillende voorbeelden en argumenten, aan dat de verplichte omgevingsdialoog niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, omdat zij onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken. De vergunning kan pas verleend worden na het volledig afronden van de dialoog op de hoofdbezwaren, aldus eisers. 12. De rechtbank stelt voorop dat verweerder de juiste juridische procedure heeft gevolgd voor de omgevingsvergunning en dat het voeren van een (omgevings)dialoog in deze procedure wettelijk gezien geen verplichting is. Voor zover eisers verwijzen naar de richtlijnen die de gemeente Horst aan de Maas op haar website deelt of deelde over de omgevingsdialoog, zien die richtlijnen op het omgevingsgesprek als bedoeld in artikel 16.55, zesde lid, van de Omgevingswet. De Omgevingswet is echter niet van toepassing op deze aanmvraag, waardoor verweerder die richtlijnen, ongeacht de status daarvan, niet in acht hoefde te nemen. Reeds om die reden kan eisers beroepsgrond niet leiden tot de conclusie dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden. De beroepsgrond slaagt dus niet. De beroepsgronden die zien op het gehele bouwplan en de gevolgen daarvan 13. Op grond van de destijds geldende bestemmingsplannen (thans overgenomen in het omgevingsplan gemeente Horst aan de Maas) is het distributiecentrum grotendeels rechtstreeks toegestaan. Dat betekent dat er voor verweerder wettelijk gezien in zoverre geen ruimte is voor weigering van de aangevraagde omgevingsvergunning voor de bouw van dat distributiecentrum. Het college heeft geen ruimte om daarbij een belangenafweging te maken. De afweging om een distributiecentrum zoals dat van vergunninghoudster toe te staan, is immers al gemaakt door de gemeenteraad bij de vaststelling van de bestemmingsplannen. Die bestemmingsplannen zijn onherroepelijk geworden. Dit brengt met zich dat in het kader van deze procedure ervan uitgegaan dient te worden dat de bestemmingsplannen op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en inhoudelijk juist zijn. In hetgeen eisers naar voren hebben gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding de bestemmingsplannen aan een exceptieve toetsing te onderwerpen. Eisers hadden hun bezwaren tegen de komst van een distributiecentrum in het kader van de bestemmingsplanprocedures naar voren kunnen brengen. Het voorgaande betekent dat de beroepsgronden van eisers over het feit dat hier een distributiecentrum wordt toegestaan, de bouwmassa van dat distributiecentrum en de gevolgen die dat distributiecentrum voor de omgeving heeft – behoudens voor zover die beroepsgronden verband houden met de afwijking van het bestemmingsplan 2 – reeds om die reden niet kunnen slagen. Hieronder gaat de rechtbank daarop nader in. 14. De afwijking van het bestemmingsplan 2 behelst enkel de 0,75 meter extra hoogte (bovenop de toegestane 15 meter) van de brandwerende muren, daknokken en lichtstraten. De belangenafweging die verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunning dient te verrichten, kan dan ook slechts betrekking hebben op aspecten die gerelateerd zijn aan het onderdeel van het bouwplan waarvoor wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Dat aspect betreft in dit geval alleen de vergunde bouwhoogte (15,75 meter) in af Verweerder stelt dat de hoogte van 15,75 meter voldoet aan de voorwaarden voor binnenplanse afwijking. Uit de onderbouwing van de bouwhoogte door vergunninghoudster blijkt dat met de hoogte van 15,75 meter geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge het bestemmingsplan 2 gegeven gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. 20. De rechtbank overweegt hierover als volgt. 20.1. De rechtbank constateert dat niet in geschil is dat verweerder voor de afwijking van het bestemmingsplan 2 (verhoging van de maximale bouwhoogte met 0,75 meter) gebruik kon maken van de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 15 van dat bestemmingsplan. Evenmin is betwist dat de hoogte tot maximaal 17,28 meter het dak van het kantoor van gebouw 1 betreft. Dit deel van het gebouw is gelegen binnen het bestemmingsplan 1 waar 25 meter de maximale hoogte is. Gebouw 2 is op geen enkel punt hoger dan 15 meter. Wat wel ter discussie staat is of die afwijking in strijd is met de goede ruimtelijke ordening en of eisers door de afwijking onevenredig in hun belangen worden geschaad. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. 20.2. In de ‘onderbouwing bouwhoogtes GEODIS’ van Buro Werda van 11 mei 2022 is onder meer het volgende opgenomen: “ Het halgedeelte dat binnen de maximale bouwhoogte van 15 meter ligt overschrijdt plaatselijk met daknokken, lichtstraten en brandwanden en mogelijk de dakwand de 15 meter grens, maar overschrijdt nergens de 10% regel. De daknokken en lichtstraten liggen verhoogd, maar op afstand van de gevel. De brandwanden steken door het dakvlak heen en belemmeren zo effectief de mogelijkheid tot brandoverslag tussen verschillende brandcompartimenten. Van onevenredige afbreuk aan, de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van, aangrenzende gronden en bouwwerken is geen spraken, daar de overschrijdingen bijna geheel uit de gevel liggen en dus nauwelijks worden waargenomen, of invloed hebben op schaduwwerking. Temeer ook gezien de bestemming van de aangrenzende gronden de enkelbestemming groen hebben ”. 20.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, onder verwijzing naar bovenstaande onderbouwing, kunnen stellen dat de binnenplanse afwijking geen onevenredige afbreuk doet aan de aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. Eisers hebben gesteld, noch onderbouwd dat de verhoogde bouwhoogte een grotere ruimtelijke impact heeft op hun woon- en leefklimaat ten opzichte van een distributiecentrum dat volledig zou passen binnen de bestemmingsplannen. De enkele, niet onderbouwde, stelling dat de overschrijding van de bouwhoogte onevenredige afbreuk doet aan de bestemming is hiertoe onvoldoende. Eisers hebben geen mogelijke gevolgen van de overschrijding van de bouwhoogte voor hun woon- en leefklimaat aangegeven voor hun woningen/percelen. Voorts neemt, als gezegd, het volume niet toe door de afwijking van het bestemmingsplan 2. 20.4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op het voorgaande, in redelijkheid heeft gesteld dat de bouw van het distributiecentrum wat betreft de afwijking van bestemmingsplan 2 met betrekking tot de bouwhoogte niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog van eisers slaagt niet. Geurcirkel 21. Eisers stellen dat de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend, omdat de buitengevel van het gebouw en de uitbouw voor onder andere de laaddocks vallen in de geurcirkel (milieuzone-geurcirkel) van het stierenbedrijf aan de Venloseweg 38 wat niet is toegestaan. In deze uitbouw wordt fysiek geladen en gelost en werknemers worden hier structureel blootgesteld aan de geurnorm van 14 Ou, wat volgens eisers evenmin is toegestaan. Volgens eiser 2 dienen de stankcontouren exact te worden weergegeven en herberekend, omdat een rechte lijn tegen het gebouw aan zeer onwaarschijnlijk is. 22. De rechtbank overweegt hierover als volgt. 22.1. In artikel 8:69a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de gron Indien eisers van mening zijn dat de geldende normen voor geluid of verkeer worden overschreden, dan kunnen zij dat in het kader van handhaving aan de orde stellen. Redelijke termijn 25. Eisers hebben bij brief van 28 mei 2025 een verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het beslechten van het geschil ingediend. 26. De redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. De bezwaar- en beroepsprocedure mag in totaal maximaal twee jaar duren, waarvan de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen. Voor de overschrijding van de redelijke termijn moet per half jaar een bedrag van € 500,- aan immateriële schadevergoeding worden toegekend, waarbij een periode van minder dan een half jaar geacht moet worden ook een periode van een half jaar te bedragen. 26.1. Voor de zaken met de nummers ROE 23/279, ROE 23/281 en ROE 23/335 betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van de pro forma bezwaarschriften op of omstreeks 26 augustus 2022 tot de datum van deze uitspraak zijn iets meer dan drie jaar verstreken. Daarmee is de redelijke termijn van twee jaar overschreden, te weten met ruim één jaar. Er zijn geen omstandigheden die deze langere behandelingsduur rechtvaardigen. Verweerder heeft binnen een half jaar na ontvangst van de vermelde bezwaarschriften op het bezwaar beslist. De overschrijding is derhalve volledig aan de rechtbank toe te rekenen. Eisers zouden daarom recht hebben op een immateriële schadevergoeding van ieder € 1.500,- (drie maal € 500,-). De rechtbank ziet evenwel in de omstandigheid dat eisers gezamenlijk als partij aan de procedure hebben deelgenomen, aanleiding dit bedrag te matigen in die zin dat het berekende bedrag aan schadevergoeding wordt verdeeld over hen. Dit betekent dat per eiser een bedrag van € 500,- moet worden toegekend. Deze matiging acht de rechtbank redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. Dit betekent dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een bedrag van in totaal € 1.500,- aan eisers gezamenlijk zal worden veroordeeld, als schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 26.2. Omdat het verzoek om schadevergoeding van eisers wordt toegewezen, komen zij tevens in aanmerking voor een vergoeding van hun proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Hiervoor kent de rechtbank eisers gezamenlijk één punt voor verleende rechtsbijstand toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde van € 907,- en een wegingsfactor 0,25 . De vergoeding bedraagt dus in totaal € 226,75, te betalen door de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid). 26.3. Ten aanzien van de zaken met de nummers ROE 24/2828, ROE 24/2829 en ROE 24/3248 overweegt de rechtbank dat vanaf de ontvangst van de pro forma bezwaarschriften op of omstreeks 8 januari 2024, dan wel 6 februari 2024 tot de datum van deze uitspraak nog geen twee jaar is verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn in deze zaken niet is overschreden en eisers daarom geen recht hebben op een immateriële schadevergoeding. Conclusie en gevolgen 27. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning (verleend bij het primaire besluit I en gewijzigd bij het primaire besluit II) in stand blijft. Eisers krijgen daarom het door hen betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten die zij in verband met het voeren van de bezwaar- en beroepsprocedures hebben gemaakt. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen ongegrond; veroordeelt de Staat der Ne het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend; e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm. 2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Artikel 2.12 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking. Besluit omgevingsrecht Artikel 2aa. Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen: a. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend; Bestemmingsplan 2 Op grond van het bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming ‘bedrijventerrein’ met de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’ met maatvoering ‘maximum bouwhoogte 15 meter’. Artikel 12 Bij een omgevingsvergunning kan – tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is – van de regels worden afgeweken van afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. Een zogenoemde binnenplanse afwijking, omdat deze bevoegdheid tot afwijking in het bestemmingsplan zelf gegeven is. Artikel 2.10 van de Wabo (het zogeheten limitatief-imperatieve stelsel, zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1532. Zie ook wat de rechtbank onder 9.1 heeft vermeld en zie de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:207. Waarbij beoordeeld wordt of het bestemmingsplan (deels) buiten toepassing moet blijven of onverbindend is, wegens strijd met hoger recht. Kamerstukken II , 2009/10, 32 450, nr. 3, p. 18 tot en met 20. Daargelaten de vraag of ter plaatse van het distributiecentrum sprake is van een geurgevoelige bestemming en daargelaten de verkleining van de geurcirkel die inmiddels heeft plaatsgevonden. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18