Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-10-22
ECLI:NL:RBLIM:2024:7450
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,648 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/4248
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. B.H.S. Brinkman),
en
de Burgemeester van de gemeente Heerlen, de burgemeester
(gemachtigde: S. Quadvlieg en K. Koelen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker over het bezwaar dat verzoeker heeft gemaakt tegen het besluit van de burgemeester van 25 september 2024 (het bestreden besluit).
1.1.
Met het bestreden besluit van 25 september 2024 heeft de burgemeester aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd die ertoe strekt dat hij de woning aan de [adres] in [plaats] op 7 oktober 2024 moet sluiten en voor de duur van drie maanden gesloten moet houden.
1.2.
De burgemeester heeft de voorzieningenrechter desgevraagd laten weten dat hij bereid is om in afwachting van de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening geen uitvoering te geven aan het bestreden besluit.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter beoordeelt of de burgemeester verzoeker in redelijkheid mocht gelasten de woning te sluiten en voor drie maanden gesloten te houden. De voorzieningenrechter doet dat aan de hand van de gronden die verzoeker in deze procedure en in de procedure in bezwaar heeft aangevoerd.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.Is er sprake van spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter kan een voorziening treffen, als is voldaan aan de vereisten die in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan vermeld. In dit artikel is bepaald dat als tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste is voldaan, nu verzoeker op 1 oktober 2024 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het bestreden besluit ten aanzien waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de bestuursrechter bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.
6. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat spoedeisend belang voldoende aannemelijk is. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, dan heeft verzoeker gedurende drie maanden geen toegang tot de huurwoning.
Waar gaat deze zaak over?
7. Uit de bestuurlijke rapportage van 30 augustus 2024 blijkt dat toezichthouders van de gemeente Heerlen op 29 augustus 2024 in de woning van verzoeker een bestuurlijke controle hebben uitgevoerd. Dit voor het toezicht op naleving van de bepalingen in hoofdstuk 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), specifiek toezicht op grond van artikel 3:33 lid 1 van de APV. Deze controle werd gedaan naar aanleiding van eerdere MMA-meldingen en een gemaakte seksafspraak op dit adres via de website [naam] . In de woning waren twee dames aanwezig, waarvan een dame bevestigde de seksafspraak te hebben gemaakt. Hierdoor heeft verweerder het bestreden besluit genomen om illegale thuisprostitutie tegen te gaan.
Heeft verzoeker de APV overtreden?
8. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder niet bevoegd was om tot sluiting van de woning over te gaan. Er is namelijk geen sprake van een situatie waarin in de woning bedrijfsmatig of in omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden aangeboden zonder de daartoe vereiste vergunning. Uit de situatie ter plaatse kan niet worden afgeleid dat verzoeker niet woonachtig was op het adres. Daarnaast is de enkele constatering op 29 augustus 2024 niet voldoende om te spreken van een seksinrichting. Verzoeker heeft enkel en alleen op verzoek van een vriend de aangetroffen dame onderdak geboden. Hij heeft dan ook op goed vertrouwen de vrouw onderdak geboden en hier geen geld voor ontvangen. Verzoeker wist niets van de intenties van de vrouw. Tevens is verzoeker van mening dat de besluitvorming onzorgvuldig tot stand is gekomen.
9. De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester op goede gronden heeft geconcludeerd dat in de huurwoning van verzoeker een illegale seksinrichting werd uitgeoefend. Vast staat dat er vanuit het adres van verzoeker seksuele handelingen werden aangeboden tegen betaling. Er is immers in het kader van de bestuurlijke controle via [naam] een afspraak gemaakt voor seksuele handelingen en vervolgens werd in de woning van verzoeker de afspraak (door één van de twee aangetroffen vrouwen genaamd ‘ [naam] ’) bevestigd. Daarbij volgt uit de bestuurlijke rapportage dat er eerdere MMA-meldingen waren over illegale prostitutie in de woning. Het voorgaande samen met de waarnemingen van de politie, inclusief de verklaring(en) van de aangetroffen vrouw ‘ [naam] ’ en het feit dat de aangetroffen vrouw haar diensten aanbood via [naam] , zijn voldoende om aan te nemen dat verzoeker bedrijfsmatig gelegenheid gaf tot prostitutie in de woning en er sprake is(/was) van een illegale seksinrichting.
Is er een noodzaak tot sluiten?
10. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.
10.1.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het niet noodzakelijk is om de woning te sluiten. Er zijn minder ingrijpende middelen voorhanden waarmee verweerder had kunnen volstaan, zoals bijvoorbeeld een waarschuwing. Daarnaast is het niet aan verzoeker aan te rekenen nu hij niet op de hoogte was van de diensten die de vrouw ‘ [naam] ’ aanbood via het internet. Aan verzoeker kan alleen verweten worden dat hij niet voldoende toezicht heeft gehouden.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat sluiting in dit geval ook noodzakelijk was ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij deze woning en het herstel van de openbare orde. Er is sprake van eerdere meldingen (vanaf december 2023) van mogelijke prostitutie op het adres. Dat ‘ [naam] ’ meerdere malen heeft verbleven in de huurwoning van verzoeker, heeft hij zelf ter zitting bevestigd. Verzoeker heeft verklaard dat hij zijn huurwoning meerdere malen ter beschikking heeft gesteld aan zijn vriend [naam] om een vriendin onderdak te bieden. De burgemeester mocht zich dan ook op het standpunt stellen dat de sluiting noodzakelijk is omdat er al langere tijd sprake zou van een illegale seksinrichting. Een zichtbare sluiting van de woning is een signaal voor mogelijke criminelen, klanten en buurtbewoners dat de overheid optreedt tegen illegale seksinrichtingen. De stelling van verzoeker dat hij niet wist wat er in de woning gebeurde, maakt het voorgaande niet anders en is onvoldoende om deze conclusies te bestrijden. Gelet op de duur ervan is ook aannemelijk dat sluiting voor drie maanden noodzakelijk is, omdat het pand kennelijk al geruime tijd met prostitutie in verband wordt gebracht. Gezien het gevaar van mensenhandel en de aantrekkingskracht op het criminele milieu, mocht verweerder aannemen dat een dergelijke periode nodig is om de bekendheid van het pand in dit circuit te doorbreken.
Is de sluiting evenwichtig?
12. Als verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, moet hij zich ervan vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verweerder een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
12.1.
Verzoeker is van mening dat het onevenredig is om over te gaan tot sluiting van de woning. Sluiting van de woning heeft namelijk tot gevolg dat verzoeker zijn huurwoning verliest. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van verzoeker desgevraagd bevestigd dat aan verzoeker de optie is geboden om vrijwillig de huurovereenkomst op te zeggen en anders er over zal worden gegaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst.
Conclusie
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verweerder de woning voor de duur van drie maanden mag sluiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2024. .
griffier
de voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 22 oktober 2024.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.