Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-02-06
ECLI:NL:RBLIM:2024:582
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
3,932 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak : 6 februari 2024
Zaaknummer : C/03/323465 / KG ZA 23-392
De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen
in de zaak van
[eiseres]
,
wonend te [woonplaats 1] ,
eiseres, hierna te noemen: de oudtante,
advocaat mr. I.F.H. Nelissen, kantoorhoudend te Valkenburg aan de Geul,
tegen:
[gedaagde]
,
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde, hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M.H.J.M. Stassen, kantoorhoudend te Valkenburg aan de Geul.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De oudtante heeft de vader bij deurwaardersexploot van 26 oktober 2023 gedagvaard in kort geding. Op de dag van de mondelinge behandeling, 21 november 2023, heeft de oudtante gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vorderingen met verwijzing naar de aan de dagvaarding gehechte producties nader heeft toegelicht.
1.2.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling aan de hand van een ‘conclusie van antwoord, tevens pleitaantekeningen’ verweer gevoerd, daarbij verwijzend naar de op voorhand per e-mail van 20 november 2023 toegezonden producties 1 tot en met 8.
1.3.
Partijen hebben tijdens de mondeling behandeling vervolgens nog op elkaar stellingen gereageerd.
1.4.
Dictum
1.5.
Mr. Stassen heeft de voorzieningenrechter bij e-mail van 18 december 2023 bericht dat de vader om hem moverende redenen geen medewerking meer kan verlenen aan mediation. Daarbij verzoekt mr. Stassen namens de vader om vonnis.
1.6.
Mr. Nelissen heeft bij e-mail van 18 december 2023 namens de oudtante gereageerd op voormeld bericht van de zijde van de vader en daarbij eveneens verzocht om vonnis.
1.7.
Vervolgens is vonnis bepaald op heden.
Feiten
2.1.
De vader was gehuwd met [de moeder] , hierna te noemen: de moeder. Op [overlijdensdatum] 2022 is de moeder overleden. Het huwelijk van de vader en de moeder is daardoor van rechtswege geëindigd.
2.2.
Uit huwelijk van de vader en de moeder zijn de volgende (thans nog minderjarige) kinderen geboren:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] .
2.3.
Sinds het moment van overlijden van de moeder, oefent de vader van rechtswege alleen het gezag uit over de kinderen.
2.4.
De oudtante is een tante van de moeder en derhalve een oudtante van de kinderen.
2.5.
De vader en kinderen wonen vanaf juli 2023 samen met de nieuwe partner van de vader en diens vijf kinderen, aanvankelijk in de woning van de vader en vanaf augustus 2023 in de woning van de nieuwe partner.
Geschil
3.1.
De oudtante vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vader:
I. te veroordelen om, binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zijn medewerking te verlenen aan de jarenlang lopende omgangsregeling, waarbij de oudtante de kinderen elke schooldag (behalve op woensdag) uit school haalt en de kinderen bij de oudtante verblijven tot 17.45 uur, waarbij [minderjarige 2] op maandag en vrijdag de dansles bij de oudtante inclusief optredens en toernooien kan doen, alsmede een à twee dagen omgang in de schoolvakanties, op verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag, voor iedere dag dat de vader, na betekening van het in deze te wijzen vonnis, geen uitvoering hieraan geeft;
II. te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2.
De vader voert verweer tegen de vorderingen van de oudtante en hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de oudtante in haar vorderingen althans tot afwijzing daarvan, onder compensatie van kosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
De onderhavige zaak heeft een internationaal karakter omdat de oudtante in België woont en de kinderen in België zijn geboren. De voorzieningenrechter dient daarom eerst te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en zo ja, welk recht van toepassing is.
4.2.
De voorzieningenrechter is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland gelegen is. Gelet op dit laatste feit is Nederlands recht op de vorderingen van de oudtante van toepassing.
Spoedeisend belang
4.3.
De spoedeisendheid van de zaak vloeit voort uit het gevorderde en is bovendien niet door de vader betwist. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat tussen partijen overigens niet in geschil is dat de vader sinds 11 september 2023 de tot dan toe gebruikelijke (frequente) omgangsmomenten tussen de oudtante en de kinderen heeft opgeschort en dat de oudtante en de kinderen sindsdien geen contact meer met elkaar hebben gehad. Dit gegeven is als zodanig al voldoende om spoedeisend belang bij het gevorderde aan te nemen.
Beoordeling
4.4.
Gelet op het vorenstaande is de oudtante ontvankelijk in haar vorderingen en komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling daarvan.
4.5.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de vader – in lijn met de gemotiveerde en onderbouwde stelling van de oudtante ter zake – erkent dat er sedert de geboorte van de kinderen omgang en contact tussen de oudtante en de kinderen heeft plaatsgevonden en dat zij in een nauwe persoonlijke betrekking tot elkaar staan als bedoeld in artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarbij stelt de voorzieningenrechter vast dat tussen partijen als zodanig niet in geschil is dat de oudtante de kinderen meest recent – vanaf het moment dat de vader na het overlijden van de moeder weer is gaan werken – iedere schooldag (behalve op woensdag) uit school haalde waarna zij tot 17.45 uur bij haar verbleven. Het uitgangspunt is nu dat de vader zich – in lijn met de vordering van de oudtante ter zake – in beginsel dient te houden aan deze meest recent tussen partijen (al dan niet stilzwijgend) overeengekomen c.q. geldende omgangregeling totdat daarover nader in rechte is beslist of partijen in onderling overleg daarover anders zijn overeengekomen. Van dit uitgangspunt kan enkel en alleen worden afgeweken als het belang van de kinderen zich daartegen verzet. De vader dient daartoe te stellen en bij betwisting te onderbouwen dat er sprake is van zodanig zwaarwichtige redenen dan wel zodanig gewijzigde omstandigheden op grond waarvan hij redelijkerwijs de geldende omgangsregeling mocht opschorten.
4.6.
Gelet op de stellingen van de vader begrijpt de voorzieningenrechter dat de vader zijn besluit om de geldende omgangsregeling niet langer na te komen en de omgang tussen de oudtante en de kinderen volledig op te schorten, heeft genomen om de rust voor zijn nieuwe gezin – meer in het bijzonder voor de kinderen – te waarborgen. In dat verband voert de vader een aantal voorvallen aan waaruit volgens hem blijkt dat er de afgelopen tijd niet alleen vanuit de familie van de moeder sprake is geweest van vergaande inmenging in de gang van zaken binnen het gezin van de vader en van onterechte meldingen bij Veilig Thuis over – kort gezegd – de veiligheid binnen het gezin van de vader, maar ook dat de kinderen door de familie van de moeder voortdurend zijn geconfronteerd met het verlies van hun moeder, waarbij de vader op zijn beurt werd verweten dat hij de moeder onvoldoende ‘levend’ houdt bij de kinderen. Op grond van deze voorvallen acht de vader omgang en contact tussen de oudtante en de kinderen op dit moment niet in het belang van de kinderen. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat een belangrijk deel van de door de vader gestelde voorvallen geen betrekking heeft op eigen gedragingen van de oudtante (en haar partner) maar op gedragingen van andere familieleden van de moeder. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen deze voorvallen dan ook niet, althans niet zonder meer, door de vader aan de oudtante worden tegengeworpen om zijn besluit om de omgang tussen de oudtante en de kinderen volledig op te schoren te rechtvaardigen. Nog daargelaten dat de oudtante de overige gestelde voorvallen, die wel betrekking hebben op eigen gedragingen van de oudtante (en haar partner), gemotiveerd heeft weersproken, acht de voorzieningenrechter deze voorvallen zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende zwaarwegend om te kunnen concluderen dat het aannemelijk is dat omgang tussen de oudtante en de kinderen nu ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijk ontwikkeling van de kinderen dan wel anderzijds in strijd zou zijn met zwaarwegende belangen van de kinderen. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat niet in geschil is dat dat de oudtante zowel bij leven van de moeder alsook na haar overlijden, altijd een belangrijke rol heeft gespeeld in het leven van de kinderen door een aanzienlijk deel van de zorg voor de kinderen op zich te nemen en dat de vader in het licht daarvan niet heeft gesteld noch heeft onderbouwd dat de kinderen de omgang met de oudtante (en haar partner) als zodanig in emotionele zin dan wel anderszins op enigerlei wijze als belastend dan wel onprettig hebben ervaren.
4.7.
Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen grond om te concluderen dat het belang van de kinderen zich verzet tegen omgang met de oudtante (en haar partner) als zodanig. De voorzieningenrechter acht het dan ook in het belang van de kinderen dat de omgang tussen hen en de oudtante spoedig zal worden hervat, nu de kinderen inmiddels al vijf maanden geen contact meer hebben gehad met de oudtante. Daarvan uitgaande dringt zich echter wel de vraag op of de frequentie en duur van de omgang zoals gevorderd door de oudtante – welke in lijn is met de meest recent tussen partijen overeengekomen c.q. geldende omgangregeling – op dit moment (nog) in het belang van de kinderen is. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft de oudtante altijd een belangrijke rol in het leven van de kinderen gespeeld door een aanzienlijk deel van de tijd voor hen te zorgen als de ouders dat vroegen, zowel bij leven van de moeder alsook na haar overlijden. Op grond van de overgelegde stukken en het hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling is de voorzieningenrechter duidelijk geworden dat de vader de oudtante daar erkentelijk voor is. Het is echter (helaas) een feit dat de moeder na een langdurige ziekteperiode is overleden en dat de vader als gevolg daarvan nu samen met de kinderen zijn leven opnieuw zal moeten gaan inrichten en vorm geven. Gebleken is dat de vader in dat kader inmiddels een belangrijke stap heeft gezet door met de kinderen te gaan samenwonen met zijn nieuwe partner en haar kinderen. Tegen de achtergrond van die nieuwe situatie, waarin de vader samen met de kinderen deel uitmaakt van een samengesteld gezin waarin regels en afspraken gelden voor alle gezinsleden en waarin de zorg voor alle kinderen door de vader en diens partner gedeeld wordt, acht de voorzieningenrechter het – in lijn met het subsidiaire standpunt van de vader – niet (langer) passend dat de kinderen nagenoeg iedere schooldag na school bij de oudtante verblijven. Het is de verantwoordelijkheid van de gezaghebbend vader om de zorg en opvang van de kinderen buiten schooltijd te organiseren. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat de beide kinderen inmiddels naar school gaan. Dit brengt met zich dat zij, zoals de vader ook aangeeft, met vriendjes afspreken en aan sport doen en daarbij past een dagelijkse omgang met oudtante niet.
4.8.
Alles overziend acht de voorzieningenrechter het in het gegeven omstandigheden nu passend en in het belang van de kinderen dat de frequentie en duur van de omgangsmomenten tussen de oudtante en de kinderen zal worden beperkt tot een middag per veertien dagen van 12.00 uur tot 16.00 uur, afwisselend op de zaterdag en de zondag. Daarbij zal de voorzieningenrechter bepalen dat de vader de kinderen bij aanvang van een omgangsmoment naar de oudtante brengt en dat de oudtante de kinderen na afloop van het omgangsmoment weer terugbrengt naar de vader. Verder zal de voorzieningenrechter bepalen dat de omgangsmomenten tijdens de schoolvakanties van de kinderen geen doorgang zullen vinden en dat in het geval een omgangsmoment op de sterfdag van de moeder valt, dat omgangsmoment bij wijze van uitzondering op de andere dag van het betreffende weekend dient plaats te vinden. Dit laatste geldt eveneens voor het geval de dag waarop het betreffende omgangsmoment zal plaatsvinden, een feestdag betreft. Indien beide dagen van het betreffende weekend een feestdag betreffen, dan vervalt het omgangsmoment tijdens dat weekend. Voor zover de oudtante verder nog vordert dat [minderjarige 2] – kort gezegd – bij haar dansles kan volgen, wijst de voorzieningenrechter het gevorderde af.
Dictum
De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt de vader om zijn medewerking te verlenen aan een voorlopige omgangsregeling – die geldt totdat in rechte anders zal zijn beslist dan wel partijen andere afspraken hebben gemaakt – waarbij de kinderen met ingang van zaterdag 24 februari 2024 gedurende een middag per veertien dagen van 12.00 uur tot 16.00 uur, afwisselend op de zaterdag en de zondag, bij de oudtante zullen verblijven en waarbij de vader de kinderen bij aanvang van het omgangsmoment naar de oudtante brengt en de oudtante de kinderen na afloop van het omgangsmoment weer terugbrengt naar de vader;
5.2
bepaalt dat tijdens de schoolvakanties van de kinderen de omgangmomenten geen doorgang vinden;
5.3.
bepaalt dat, in het geval een omgangsmoment op de sterfdag van de moeder valt, dat omgangsmoment bij wijze van uitzondering op de andere dag van het betreffende weekend zal plaatsvinden;
5.4.
bepaalt dat, in het geval een omgangsmoment op een feestdag valt, dat omgangsmoment bij wijze van uitzondering op de andere dag van het betreffende weekend zal plaatsvinden; indien beide dagen van het betreffende weekend een feestdag betreffen, dan vervalt het omgangsmoment tijdens dat weekend;
5.5.
verklaart de beslissingen onder 5.1. tot en met 5.4. uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.7.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Salemans-Wijnen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
OSK