Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-08-09
ECLI:NL:RBLIM:2024:5549
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
16,566 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03.098441.23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 augustus 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1970,
momenteel gedetineerd in [P.I.] .
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 juli 2024. De verdachte heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht hierbij aanwezig te zijn. Wel is zijn raadsvrouw verschenen, mr. A.J.M. Mertens, advocaat kantoorhoudende te Weert, die verklaart door de verdachte bepaaldelijk te zijn gemachtigd namens hem op te treden. De rechtbank stemt daarmee in.
Het slachtoffer [naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de terechtzitting gehoord [naam 2] , medewerker van Slachtofferhulp Nederland. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
Ter terechtzitting zijn als deskundigen gehoord psychiater M. Fluit en GZ-psycholoog N.P.A. van der Weegen, beide verbonden aan het Pieter Baan Centrum.
2De tenlastelegging
De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte in de periode van 18 februari 2023 tot en met 12 april 2023 [naam 1] heeft belaagd.
Beoordeling
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het aan de verdachte tenlastegelegde feit.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte meermaals contact met [naam 1] heeft gezocht via e-mail, alsmede dat hij twee keer bij haar woning is geweest en heeft aangebeld. In zijn beleving was hierbij geen sprake van belaging, omdat hij slechts antwoorden wil(de) op de vraag of [naam 3] zijn zoon is en of [naam 1] wel zijn biologische moeder is. De verdachte dient volgens haar partieel te worden vrijgesproken van het veelvuldig plaatsen van berichten op de sociale media pagina’s van [naam 1] en haar familie.
3.3
Beoordeling
Inleiding
Uit het dossier blijkt dat [naam 1] al eerder aangifte van belaging (stalking) tegen de verdachte heeft gedaan. De verdachte is terzake van deze belaging vervolgens bij vonnis van 3 mei 2018 door de rechtbank Limburg veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Hierbij heeft de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden aan de verdachte opgelegd, waaronder de verplichting zich te laten behandelen voor zijn psychische problemen. Op 10 april 2019 heeft de rechtbank de voorwaardelijk opgelegde straf op verzoek van het openbaar ministerie geheel ten uitvoer gelegd omdat de veroordeelde zich niet hield aan de opgelegde voorwaarden. Hierdoor eindigde de proeftijd en verplichting tot nakomen van de bijzondere voorwaarden en dus ook van het beoogde behandeltraject. De verdachte heeft [naam 1] inmiddels opnieuw benaderd, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot een nieuwe aangifte van belaging door [naam 1] . Deze verdenking van belaging is het onderwerp dat in dit vonnis besproken wordt.
Bewijsmiddelen
In het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 17 april 2023 wordt onder meer het volgende gerelateerd:
Ik doe klacht c.q. aangifte van stalking, gepleegd door [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1970 te [geboorteplaats 1] .
Op woensdag 12 april 2023, omstreeks 9.30 uur, belde mijn zoon, [naam 4] , mij op. Mijn man, [naam 5] , mijn zoon [naam 3] en ik waren op dit moment in Italië.
[naam 4] vroeg of ik een klant verwachtte want er stond een man met een grijze baard voor de deur van mijn woning in [plaats] . [naam 4] belde mij terug en zei: " Ja, dat is die gek weer. Hij staat hier voor de deur." Ik zei tegen [naam 4] dat hij 112 moest bellen. Ik ben de hele tijd met [naam 4] in gesprek gebleven tot dat de politie kwam.
In de periode van 26 maart 2023 tot en met 12 april 2023 ontving ik in totaal 185
mails van [verdachte] . De mails zijn afkomstig van [e-mailadres 1] en worden verzonden naar mijn zakelijke emailadres [e-mailadres 2] De inhoud van de berichten was onsamenhangend. Hij stuurde soms alleen maar berichten met smileys, punten of getallen. De berichten met teksten waren wisselend, de ene keer waren ze met een boze, dwingende of zelfs dreigende inhoud. De andere keer verklaarde hij mij weer de liefde en schreef hij dat hij mijn hulp nodig had. In een bericht schreef hij dat hij mij kwam pakken. Ik ben zo ontzettend bang voor hem. Mijn hele leven wordt door hem bepaald. Ik, maar ook mijn gezin lijden hier onder.
Op zaterdag 18 februari 2023, omstreeks 19.00 uur, stond [verdachte] voor de
voordeur van mijn woning in [plaats] . De bel ging en ik opende de deur. Ik zag dat [verdachte] aan de voorkant voor de woning op de stoep zat. [verdachte] antwoordde nergens op. Uiteindelijk is [verdachte] vertrokken.
In het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 13 april 2023 verklaart hij – zakelijk weergegeven – het volgende:
Ik ben dinsdagavond vertrokken uit [geboorteplaats 1] en ben toen naar [plaats] gegaan. Ik heb zonder na te denken, rond 9.00 uur of iets later, aangebeld. Ik belde twee keer aan en toen opende een jongen de deur. Ik zei: " Ik zoek [naam 1] ". Hij zei eerst niks, liep even weg, kwam toen weer terug. Toen zei ik dat ik niet eerder wegging voordat ik weet wat er gebeurd is en of ik een kind heb. Ik heb tegen hem gezegd dat ik [naam 1] nodig had. Dit was de tweede keer dit jaar. Ik was er ook in februari met carnaval. [naam 3] was er niet en [naam 1] ook niet. [naam 4] en een meisje van ongeveer 17 jaar oud waren er wel.
U heeft in de periode van 26 maart 2023 tot en met 12 april 2023 185 e-mails gestuurd naar [naam 1] ? Dat klopt. Ik schrijf en wat ik doe ik doe niks. Ik heb haar trut genoemd.
Juridisch kader
De rechtbank dient te beoordelen of de verdachte wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, met het oogmerk haar te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of vrees aan te jagen. Bij de beantwoording van deze vraag moet in aanmerking worden genomen de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Bewijsoverweging en partiële vrijspraak
Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte in de periode van 18 februari 2023 tot en met 12 april 2023 tweemaal bij de woning van [naam 1] in [plaats] is geweest en daar heeft aangebeld. Bovendien heeft hij 185 e-mails naar haar gestuurd en heeft hij berichten op sociale media geplaatst. Uit het dossier blijkt voorts dat sommige van de e-mails mogelijk als dreigend kunnen worden aangemerkt.
Uit het dossier (en met name het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 6] ) blijkt echter ook dat de mails die als bedreigend opgevat zouden kunnen worden en de berichten geplaatst op/over de sociale media buiten de tenlastegelegde periode vallen.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan belaging van [naam 1] door twee keer bij haar aan te bellen en veelvuldig e-mails te sturen. De verdachte zal partieel worden vrijgesproken van het versturen van dreigende mails en het plaatsten van berichten op/over de sociale media pagina’s.
Dat de verdachte zelf meent dat er geen sprake is van belaging, omdat hij niets doet en slechts een vraag wil stellen, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank betrekt bij haar oordeel niet alleen de twee bezoeken van de verdachte en de gestuurde e-mails, maar tevens de voorgeschiedenis van de verdachte met betrekking tot de belaging van [naam 1] . Verdachte is eerder veroordeeld voor de belaging van [naam 1] . Bovendien is een in verband hiermee eerdere door de rechtbank opgelegde voorwaardelijke straf, ten uitvoer gelegd. Verdachte moet dus hebben geweten dat zijn gedrag niet gewenst is en als zeer beangstigend voor [naam 1] wordt ervaren. Met zijn gedragingen onder de genoemde omstandigheden heeft de verdachte dan ook opnieuw wederrechtelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [naam 1] . Daarnaast is, gelet op de hoeveelheid en intensiteit van de berichten, in samenhang bezien met de eerdere veroordeling van de verdachte, er sprake van stelselmatigheid.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
in de periode van 18 februari 2023 tot en met 12 april 2023 te [plaats] wederrechtelijk, stelselmatig, opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam 1] , door:
- meermaals aan te bellen bij de woning van genoemde [naam 1] en
- het veelvuldig e-mails sturen en contact zoeken naar/met die [naam 1]
met het oogmerk die [naam 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
belaging
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
Ten aanzien van de verdachte is door de psychiater drs. S.
Beoordeling
Bij de vraag of de verdachte straf en/of een maatregel of wellicht een zorgmachtiging moet worden opgelegd, dient de rechtbank te letten op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte.
Tav de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan
De verdachte heeft [naam 1] in het verleden belaagd en is daar nu, na zijn eerste veroordeling en een eerdere tenuitvoerlegging, weer opnieuw mee begonnen. De verdachte was (en is) ervan overtuigd dat de oudste zoon van [naam 1] niet haar eigen zoon is, maar in werkelijkheid de zoon van een andere vrouw. Deze andere vrouw zou [naam 7] heten. De verdachte stelt lang geleden een relatie met deze [naam 7] te hebben gehad en hij is er van overtuigd dat hij de biologische vader van deze zoon is. Hij wilde (en wil) dat [naam 1] hem hierin gelijk geeft. De verdachte heeft niet alleen mails naar [naam 1] gestuurd, maar is ook meerdere keren bij haar woning langsgegaan, hetgeen als zeer beangstigend is ervaren voor haar en haar gezinsleden. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat [naam 1] zich tot de dag van vandaag onveilig voelt, constant angstig is en al tijden in een voortdurende staat van spanning en onzekerheid leeft door de belaging. De verdachte geeft er geen blijk van zich enige voorstelling te kunnen, maar ook niet te willen maken van de gevolgen van zijn handelen voor haar, aangezien hij niet bereid is geweest zich in het kader van de eerdere veroordeling te laten behandelen. Gebleken is dat de verdachte zich nog steeds de ernst van deze gedragingen niet realiseert, hetgeen de rechtbank zeer zorgelijk acht.
Tav de persoon van de verdachte en de adviezen van de gedragsdeskundigen en de reclassering
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een reclasseringsrapport van 8 juli 2024. Daarin heeft de reclassering gerapporteerd dat het risico op recidive en het risico op onttrekken aan voorwaarden ingeschat wordt als hoog. Het is volgens de reclassering van belang dat er interventies ingezet worden ten aanzien de psychiatrische problematiek van verdachte, teneinde recidive te voorkomen. Gezien de aanwezige psychiatrische problematiek worden interventies of toezicht vanuit de reclassering in een ambulant kader ontoereikend geacht.
Ook de psychiater en de psycholoog schatten het recidiverisico in als hoog. De kans op het aanklampend gedrag en de gefixeerde intentie om [naam 1] en ‘zijn’ zoon op te zoeken zoals ten laste gelegd, wordt ook op de korte termijn als hoog beoordeeld. De gedragsdeskundigen zien vooralsnog geen beschermende factoren die de kans op een herhaling matigen. Het gevaar van escalerend geweld en agressie wordt daarentegen als laag beschouwd.
De gedragsdeskundigen benadrukken dat het behandelen van de psychopathologie een uiterst moeilijke opgave zal zijn. De complexe problematiek van de verdachte vraagt een langdurende klinische en gesloten aanpak; een snelle succesvolle oplossing is niet mogelijk. Een behandeling binnen een ambulant kader wordt niet aangewezen of haalbaar geacht vanwege het gebrek aan inzicht, het ontbreken van elke motivatie voor behandeling en het feit dat de verdachte niet bereid is zich aan voorwaarden te houden. Volgens de gedragsdeskundigen moet gedacht worden aan een behandeling binnen een gedwongen kader. Omdat het eerdergenoemde risico op escalatie laag is en er geen noodzaak tot een hoog beveiligingsniveau bestaat, is nog het meest voor de hand liggend om de verdachte een zorgmachtiging te verlenen en geen tbs-maatregel aan hem op te leggen.
Met de verplichte zorg in het kader van een zorgmachtiging kan binnen een langer durende klinische start op een FPA binnen de GGZ nader onderzoek en bewerking/behandeling van de problematiek plaatsvinden. In een behandeling zal uitgebreid onderzoek verricht moeten worden naar de etiologie van de realiteitstoetsingsproblematiek van de verdachte. Vervolgens zal daar een adequate behandeling op ingezet moeten worden. Dit dient te bestaan uit psycho-educatie (gericht op ziektebesef en -inzicht en paranoïde assumpties) en het ontwikkelen van behandelmotivatie. Het voorschrijven en beoordelen van de effecten van medicatie wordt geacht centraal te staan in de behandeling. Nader uitgebreid neuropsychiatrisch onderzoek dient te worden ingezet om de invloed van hersenorganische oorzaken van de problematiek verder in kaart te brengen.
Waarschijnlijk zal een onderzoeks- en behandeltermijn niet binnen een half jaar (zijnde de duur van een eerste/initiële zorgmatiging) gerealiseerd zijn. Overigens is niet uitgesloten dat het inzetten van medicatie gunstige effecten bij de verdachte tot stand brengt. De gedragsdeskundigen verwachten dat bij het verlenen van een zorgmachtiging de forensisch psychiatrische expertise dusdanig zal zijn dat verlenging van de zorgmachtiging net zolang kan voorduren tot een voldoende gunstig behandelingsresultaat is bereikt.
Beide gedragsdeskundigen hebben ter terechtzitting van 26 juli 2024 hun advies herhaald.
Conclusie
Geen tbs met dwangverpleging
Gelet op voorgaande adviezen acht de rechtbank interventies noodzakelijk teneinde recidive te voorkomen. Ambulante hulpverlening is ontoereikend gebleken, waardoor hulpverlening binnen een gedwongen kader geboden is. Uit het dossier en met name het deskundigenrapport, is de rechtbank gebleken dat een tbs met voorwaarden weinig kans van slagen heeft, omdat de verdachte geen inzicht heeft in zijn eigen situatie, ontkent hulp nodig te hebben en ook niet bereid is hulp te aanvaarden. Verdachte zal zich bovendien niet conformeren aan de voorwaarden. Een tbs-maatregel met voorwaarden acht de rechtbank daarom niet opportuun, aangezien dit zonder meer tot een omzetting naar een onvoorwaardelijke tbs zal leiden.
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een onvoorwaardelijke tbs-maatregel met dwangverpleging echter ook niet aan de orde, aangezien uit de deskundigenrapporten naar voren komt dat ook een minder verstrekkend kader – te weten een zorgmachtiging - voldoende is om de verdachte de vereiste behandeling te laten ondergaan, hetgeen voor wat betreft de risicobeheersing volgens de deskundigen ook verdedigbaar is en volgens de deskundigen de voorkeur verdient
Uit het wettelijk systeem dat geldt bij het opleggen van de tbs maatregel volgt dat dient te worden nagegaan in hoeverre het gevaar met andere, minder ingrijpende sancties kan worden beteugeld. Gelet op het hier van toepassing zijnde subsidiariteitsbeginsel gaat de rechtbank dan ook niet over tot het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging, maar zal zij ambtshalve een zorgmachtiging afgeven. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit laatste ten overvloede nog het volgende.
Ambtshalve afgegeven van een zorgmachtiging
Op grond van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (hierna: Wfz) is het voor de strafrechter mogelijk om met toepassing van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) een zorgmachtiging tot verplichte zorg, waaronder opname, af te geven om ernstig nadeel af te wenden. Op grond van dit artikel komt de rechter de bevoegdheid toe ambtshalve een zorgmachtiging af te geven. Dat kan zelfs tegen het standpunt van de officier van justitie in, hoewel dat –zo volgt ook de wetsgeschiedenis– zich slechts in uitzonderingssituaties zal voordoen.
Naar het oordeel van de rechtbank doet een dergelijke uitzonderingsituatie zich hier voor. De verdachte is inmiddels al meer dan de helft van de maximaal toelaatbare straf van drie jaar in het kader van de voorlopige hechtenis gedetineerd. Indien de rechtbank eerst opdracht geeft aan de officier van justitie om het zorgmachtigingstraject in gang te zetten/te laten onderzoeken, zullen daar nog minstens drie maanden bij komen. Bovendien heeft de officier van justitie ter terechtzitting te kennen gegeven hoe dan ook geen verzoek te willen toen tot verlenen van een zorgmachtiging, aangezien zij ter genoegdoening van het slachtoffer enkel een tbs met dwangverpleging passend vindt.
Uiteraard is het ambtshalve gebruik maken van de bevoegdheid tot verlenen van een zorgmachtiging alleen mogelijk als de rechtbank beschikt over de gegevens die zij nodig heeft voor die beoordeling. In onderhavige zaak ontbreekt enkel een zorg-/behandelplan en een zorgkaart. De rechtbank acht zich echter op grond van de Pro Justitia rapportage van de gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum en hun mondelinge toelichting hieromtrent ter terechtzitting voldoende voorgelicht.
De rechtbank is op grond van voorgaande van oordeel dat het geboden is om van haar ambtshalve bevoegdheid tot het verlenen van een zorgmachtiging gebruik te maken. Aan de voorwaarden ex artikel 3:3 en 3:4 Wvggz ter verlening van de zorgmachtiging is voldaan. Het zorg-/behandelplan zal overeenkomstig het advies van de gedragsdeskundigen worden vastgesteld.
De rechtbank verleent hierom ambtshalve een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, Wfz voor de duur van zes maanden. Van die beslissing is een separate beschikking opgemaakt welke aan dit vonnis is gehecht.
Gevangenisstraf
Daarnaast acht de rechtbank, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Gelet op de eerdere belaging en de hardnekkigheid en intensiteit van de gedragingen van de verdachte, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest (op datum uitspraak 486 dagen) passend en geboden. Omdat de rechtbank het, gelet op de psychische toestand van de verdachte onwenselijk acht dat hij na de datum van de uitspraak zonder behandeling terug de maatschappij in gaat, acht de rechtbank het aangewezen de op te leggen straf te verhogen met 14 dagen, zodat er voldoende tijd zal zijn om tijdig een plek te vinden waar de verdachte krachtens de te verlenen zorgmachtiging kan verblijven en een behandeling kan ondergaan. Gelet hierop legt de rechtbank aan de verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 500 dagen met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
De rechtbank heft, met voorgaande in ogenschouw genomen, op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.
Maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank zal, zoals door [naam 1] verzocht en door de officier van justitie is gevorderd, aan de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr opleggen, ter voorkoming van strafbare feiten gericht tegen [naam 1] . De maatregel bestaat uit een contactverbod met [naam 1] en een gebiedsverbod voor de gemeente [naam 8] waar [naam 1] woonachtig is voor de duur van vijf jaren en voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet twee weken hechtenis, waarbij de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt. Ter bescherming van [naam 1] zal de rechtbank de maatregel ook dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er, gelet op de door rapporteurs en reclassering ingeschatte hoge kans op recidive, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt richting [naam 1] .
7De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
7.1
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 3.500,-, bestaande uit immateriële schade. De benadeelde partij verzoekt hierbij de toekenning van de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding.
De raadsvrouw is primair van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Dat sprake zou zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is gesteld noch gebleken uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken. Subsidiair is de raadsvrouw van oordeel dat het gevorderde bedrag gelet op vergelijkbare zaken gematigd dient te worden tot een bedrag van maximaal € 1.000,-.
7.3
Beoordeling
Artikel 6:106, aanhef en onder b, BW geeft recht op vergoeding van andere schade dan vermogensschade in geval van aantasting in de persoon “op andere wijze” dan door fysiek letsel. Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept moet voldoende concrete gegevens aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending reeds meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij geen concrete gegevens heeft aangevoerd waaruit de rechtbank geestelijk letsel in de vorm van een erkend psychiatrisch ziektebeeld kan vaststellen. De rechtbank is wel van oordeel dat de aard en de ernst van het feit met zich brengt dat nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verdachte reeds eerder veroordeeld is voor belaging jegens de benadeelde partij. Desondanks heeft hem dat niet doen stoppen en is hij doorgegaan met het stelselmatig inbreuk maken op haar persoonlijke levenssfeer. Dit deed de verdachte niet alleen via de mail, maar hij is ook daadwerkelijk bij haar woning langsgegaan. Het ligt voor de hand dat dit een grote impact heeft gehad op de benadeelde partij en dat haar gevoel van vrijheid en veiligheid ernstig is aangetast, zodat sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.
De rechtbank schat de omvang van de immateriële schade als gevolg van deze aantasting naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegewezen, op een bedrag van € 1.500,-. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 12 april 2023. Voor het meerdere zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank daarnaast de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte tot slot worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 500 dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
- legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende dat verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1069 te [geboorteplaats 2] , wonende te [adres] en dat de verdachte zich gedurende vijf jaren niet zal bevinden in de gemeente [naam 8] ;
- beveelt dat vervangende hechtenis van twee weken wordt toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
- beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 1], van een bedrag van € 1.500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil en veroordeelt de verdachte in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van deze benadeelde partij van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom, dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
Voorlopige hechtenis
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.
De beschikking tot verlening van een zorgmachtiging zal separaat worden opgemaakt en aan het vonnis worden gehecht.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. H.E.G. Peters en mr. drs. M.A.M. Pijnenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.R.C. Custers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 augustus 2024.
Buiten staat
Mr. Pijnenburg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij in of omstreeks de periode van 18 februari 2023 tot en met 12 april 2023 te [plaats] , Gemeente [naam 8] , althans in Nederland, wederrechtelijk, stelselmatig, opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam 1] , door:
- ( meermaals) aan te bellen bij de woning van genoemde [naam 1] en/of
- het veelvuldig (dreigende) berichten en/of emails sturen en/of contact zoeken naar/met die [naam 1] en/of
- het veelvuldig en plaatsen van berichten op/over de sociale media pagina('s) van die [naam 1] en/of de moeder en/of man van [naam 1]
met het oogmerk die [naam 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03.098441.23
Proces-verbaal van de openbare zitting van 9 augustus 2024 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1970,
momenteel gedetineerd in de [P.I.] .
Raadsvrouw is mr. A.J.M. Mertens, advocaat, kantoorhoudende te Weert.
Tegenwoordig:
mr. , rechter,
mr. , officier van justitie,
, griffier.
De rechter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is wel/niet in de zittingzaal aanwezig.
De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.
Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.
Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023055389, gesloten d.d. 27 mei 2023, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 74.
Proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 17 april, pagina 34 tot en met 35.
Proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 13 april 2023, pagina 69 tot en met 71.
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03.098441.23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 augustus 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1970,
momenteel gedetineerd in [P.I.] .
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 juli 2024. De verdachte heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht hierbij aanwezig te zijn. Wel is zijn raadsvrouw verschenen, mr. A.J.M. Mertens, advocaat kantoorhoudende te Weert, die verklaart door de verdachte bepaaldelijk te zijn gemachtigd namens hem op te treden. De rechtbank stemt daarmee in.
Het slachtoffer [naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de terechtzitting gehoord [naam 2] , medewerker van Slachtofferhulp Nederland. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
Ter terechtzitting zijn als deskundigen gehoord psychiater M. Fluit en GZ-psycholoog N.P.A. van der Weegen, beide verbonden aan het Pieter Baan Centrum.
2De tenlastelegging
De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte in de periode van 18 februari 2023 tot en met 12 april 2023 [naam 1] heeft belaagd.
Beoordeling
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het aan de verdachte tenlastegelegde feit.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte meermaals contact met [naam 1] heeft gezocht via e-mail, alsmede dat hij twee keer bij haar woning is geweest en heeft aangebeld. In zijn beleving was hierbij geen sprake van belaging, omdat hij slechts antwoorden wil(de) op de vraag of [naam 3] zijn zoon is en of [naam 1] wel zijn biologische moeder is. De verdachte dient volgens haar partieel te worden vrijgesproken van het veelvuldig plaatsen van berichten op de sociale media pagina’s van [naam 1] en haar familie.
3.3
Beoordeling
Inleiding
Uit het dossier blijkt dat [naam 1] al eerder aangifte van belaging (stalking) tegen de verdachte heeft gedaan. De verdachte is terzake van deze belaging vervolgens bij vonnis van 3 mei 2018 door de rechtbank Limburg veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Hierbij heeft de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden aan de verdachte opgelegd, waaronder de verplichting zich te laten behandelen voor zijn psychische problemen. Op 10 april 2019 heeft de rechtbank de voorwaardelijk opgelegde straf op verzoek van het openbaar ministerie geheel ten uitvoer gelegd omdat de veroordeelde zich niet hield aan de opgelegde voorwaarden. Hierdoor eindigde de proeftijd en verplichting tot nakomen van de bijzondere voorwaarden en dus ook van het beoogde behandeltraject. De verdachte heeft [naam 1] inmiddels opnieuw benaderd, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot een nieuwe aangifte van belaging door [naam 1] . Deze verdenking van belaging is het onderwerp dat in dit vonnis besproken wordt.
Bewijsmiddelen
In het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 17 april 2023 wordt onder meer het volgende gerelateerd:
Ik doe klacht c.q. aangifte van stalking, gepleegd door [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1970 te [geboorteplaats 1] .
Op woensdag 12 april 2023, omstreeks 9.30 uur, belde mijn zoon, [naam 4] , mij op. Mijn man, [naam 5] , mijn zoon [naam 3] en ik waren op dit moment in Italië.
[naam 4] vroeg of ik een klant verwachtte want er stond een man met een grijze baard voor de deur van mijn woning in [plaats] . [naam 4] belde mij terug en zei: " Ja, dat is die gek weer. Hij staat hier voor de deur." Ik zei tegen [naam 4] dat hij 112 moest bellen. Ik ben de hele tijd met [naam 4] in gesprek gebleven tot dat de politie kwam.
In de periode van 26 maart 2023 tot en met 12 april 2023 ontving ik in totaal 185
mails van [verdachte] . De mails zijn afkomstig van [e-mailadres 1] en worden verzonden naar mijn zakelijke emailadres [e-mailadres 2] De inhoud van de berichten was onsamenhangend. Hij stuurde soms alleen maar berichten met smileys, punten of getallen. De berichten met teksten waren wisselend, de ene keer waren ze met een boze, dwingende of zelfs dreigende inhoud. De andere keer verklaarde hij mij weer de liefde en schreef hij dat hij mijn hulp nodig had. In een bericht schreef hij dat hij mij kwam pakken. Ik ben zo ontzettend bang voor hem. Mijn hele leven wordt door hem bepaald. Ik, maar ook mijn gezin lijden hier onder.
Op zaterdag 18 februari 2023, omstreeks 19.00 uur, stond [verdachte] voor de
voordeur van mijn woning in [plaats] . De bel ging en ik opende de deur. Ik zag dat [verdachte] aan de voorkant voor de woning op de stoep zat. [verdachte] antwoordde nergens op. Uiteindelijk is [verdachte] vertrokken.
In het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 13 april 2023 verklaart hij – zakelijk weergegeven – het volgende:
Ik ben dinsdagavond vertrokken uit [geboorteplaats 1] en ben toen naar [plaats] gegaan. Ik heb zonder na te denken, rond 9.00 uur of iets later, aangebeld. Ik belde twee keer aan en toen opende een jongen de deur. Ik zei: " Ik zoek [naam 1] ". Hij zei eerst niks, liep even weg, kwam toen weer terug. Toen zei ik dat ik niet eerder wegging voordat ik weet wat er gebeurd is en of ik een kind heb. Ik heb tegen hem gezegd dat ik [naam 1] nodig had. Dit was de tweede keer dit jaar. Ik was er ook in februari met carnaval. [naam 3] was er niet en [naam 1] ook niet. [naam 4] en een meisje van ongeveer 17 jaar oud waren er wel.
U heeft in de periode van 26 maart 2023 tot en met 12 april 2023 185 e-mails gestuurd naar [naam 1] ? Dat klopt. Ik schrijf en wat ik doe ik doe niks. Ik heb haar trut genoemd.
Juridisch kader
De rechtbank dient te beoordelen of de verdachte wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, met het oogmerk haar te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of vrees aan te jagen. Bij de beantwoording van deze vraag moet in aanmerking worden genomen de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Bewijsoverweging en partiële vrijspraak
Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte in de periode van 18 februari 2023 tot en met 12 april 2023 tweemaal bij de woning van [naam 1] in [plaats] is geweest en daar heeft aangebeld. Bovendien heeft hij 185 e-mails naar haar gestuurd en heeft hij berichten op sociale media geplaatst. Uit het dossier blijkt voorts dat sommige van de e-mails mogelijk als dreigend kunnen worden aangemerkt.
Uit het dossier (en met name het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 6] ) blijkt echter ook dat de mails die als bedreigend opgevat zouden kunnen worden en de berichten geplaatst op/over de sociale media buiten de tenlastegelegde periode vallen.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan belaging van [naam 1] door twee keer bij haar aan te bellen en veelvuldig e-mails te sturen. De verdachte zal partieel worden vrijgesproken van het versturen van dreigende mails en het plaatsten van berichten op/over de sociale media pagina’s.
Dat de verdachte zelf meent dat er geen sprake is van belaging, omdat hij niets doet en slechts een vraag wil stellen, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank betrekt bij haar oordeel niet alleen de twee bezoeken van de verdachte en de gestuurde e-mails, maar tevens de voorgeschiedenis van de verdachte met betrekking tot de belaging van [naam 1] . Verdachte is eerder veroordeeld voor de belaging van [naam 1] . Bovendien is een in verband hiermee eerdere door de rechtbank opgelegde voorwaardelijke straf, ten uitvoer gelegd. Verdachte moet dus hebben geweten dat zijn gedrag niet gewenst is en als zeer beangstigend voor [naam 1] wordt ervaren. Met zijn gedragingen onder de genoemde omstandigheden heeft de verdachte dan ook opnieuw wederrechtelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [naam 1] . Daarnaast is, gelet op de hoeveelheid en intensiteit van de berichten, in samenhang bezien met de eerdere veroordeling van de verdachte, er sprake van stelselmatigheid.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
in de periode van 18 februari 2023 tot en met 12 april 2023 te [plaats] wederrechtelijk, stelselmatig, opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam 1] , door:
- meermaals aan te bellen bij de woning van genoemde [naam 1] en
- het veelvuldig e-mails sturen en contact zoeken naar/met die [naam 1]
met het oogmerk die [naam 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
belaging
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
Ten aanzien van de verdachte is door de psychiater drs. S.
Beoordeling
Bij de vraag of de verdachte straf en/of een maatregel of wellicht een zorgmachtiging moet worden opgelegd, dient de rechtbank te letten op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte.
Tav de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan
De verdachte heeft [naam 1] in het verleden belaagd en is daar nu, na zijn eerste veroordeling en een eerdere tenuitvoerlegging, weer opnieuw mee begonnen. De verdachte was (en is) ervan overtuigd dat de oudste zoon van [naam 1] niet haar eigen zoon is, maar in werkelijkheid de zoon van een andere vrouw. Deze andere vrouw zou [naam 7] heten. De verdachte stelt lang geleden een relatie met deze [naam 7] te hebben gehad en hij is er van overtuigd dat hij de biologische vader van deze zoon is. Hij wilde (en wil) dat [naam 1] hem hierin gelijk geeft. De verdachte heeft niet alleen mails naar [naam 1] gestuurd, maar is ook meerdere keren bij haar woning langsgegaan, hetgeen als zeer beangstigend is ervaren voor haar en haar gezinsleden. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat [naam 1] zich tot de dag van vandaag onveilig voelt, constant angstig is en al tijden in een voortdurende staat van spanning en onzekerheid leeft door de belaging. De verdachte geeft er geen blijk van zich enige voorstelling te kunnen, maar ook niet te willen maken van de gevolgen van zijn handelen voor haar, aangezien hij niet bereid is geweest zich in het kader van de eerdere veroordeling te laten behandelen. Gebleken is dat de verdachte zich nog steeds de ernst van deze gedragingen niet realiseert, hetgeen de rechtbank zeer zorgelijk acht.
Tav de persoon van de verdachte en de adviezen van de gedragsdeskundigen en de reclassering
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een reclasseringsrapport van 8 juli 2024. Daarin heeft de reclassering gerapporteerd dat het risico op recidive en het risico op onttrekken aan voorwaarden ingeschat wordt als hoog. Het is volgens de reclassering van belang dat er interventies ingezet worden ten aanzien de psychiatrische problematiek van verdachte, teneinde recidive te voorkomen. Gezien de aanwezige psychiatrische problematiek worden interventies of toezicht vanuit de reclassering in een ambulant kader ontoereikend geacht.
Ook de psychiater en de psycholoog schatten het recidiverisico in als hoog. De kans op het aanklampend gedrag en de gefixeerde intentie om [naam 1] en ‘zijn’ zoon op te zoeken zoals ten laste gelegd, wordt ook op de korte termijn als hoog beoordeeld. De gedragsdeskundigen zien vooralsnog geen beschermende factoren die de kans op een herhaling matigen. Het gevaar van escalerend geweld en agressie wordt daarentegen als laag beschouwd.
De gedragsdeskundigen benadrukken dat het behandelen van de psychopathologie een uiterst moeilijke opgave zal zijn. De complexe problematiek van de verdachte vraagt een langdurende klinische en gesloten aanpak; een snelle succesvolle oplossing is niet mogelijk. Een behandeling binnen een ambulant kader wordt niet aangewezen of haalbaar geacht vanwege het gebrek aan inzicht, het ontbreken van elke motivatie voor behandeling en het feit dat de verdachte niet bereid is zich aan voorwaarden te houden. Volgens de gedragsdeskundigen moet gedacht worden aan een behandeling binnen een gedwongen kader. Omdat het eerdergenoemde risico op escalatie laag is en er geen noodzaak tot een hoog beveiligingsniveau bestaat, is nog het meest voor de hand liggend om de verdachte een zorgmachtiging te verlenen en geen tbs-maatregel aan hem op te leggen.
Met de verplichte zorg in het kader van een zorgmachtiging kan binnen een langer durende klinische start op een FPA binnen de GGZ nader onderzoek en bewerking/behandeling van de problematiek plaatsvinden. In een behandeling zal uitgebreid onderzoek verricht moeten worden naar de etiologie van de realiteitstoetsingsproblematiek van de verdachte. Vervolgens zal daar een adequate behandeling op ingezet moeten worden. Dit dient te bestaan uit psycho-educatie (gericht op ziektebesef en -inzicht en paranoïde assumpties) en het ontwikkelen van behandelmotivatie. Het voorschrijven en beoordelen van de effecten van medicatie wordt geacht centraal te staan in de behandeling. Nader uitgebreid neuropsychiatrisch onderzoek dient te worden ingezet om de invloed van hersenorganische oorzaken van de problematiek verder in kaart te brengen.
Waarschijnlijk zal een onderzoeks- en behandeltermijn niet binnen een half jaar (zijnde de duur van een eerste/initiële zorgmatiging) gerealiseerd zijn. Overigens is niet uitgesloten dat het inzetten van medicatie gunstige effecten bij de verdachte tot stand brengt. De gedragsdeskundigen verwachten dat bij het verlenen van een zorgmachtiging de forensisch psychiatrische expertise dusdanig zal zijn dat verlenging van de zorgmachtiging net zolang kan voorduren tot een voldoende gunstig behandelingsresultaat is bereikt.
Beide gedragsdeskundigen hebben ter terechtzitting van 26 juli 2024 hun advies herhaald.
Conclusie
Geen tbs met dwangverpleging
Gelet op voorgaande adviezen acht de rechtbank interventies noodzakelijk teneinde recidive te voorkomen. Ambulante hulpverlening is ontoereikend gebleken, waardoor hulpverlening binnen een gedwongen kader geboden is. Uit het dossier en met name het deskundigenrapport, is de rechtbank gebleken dat een tbs met voorwaarden weinig kans van slagen heeft, omdat de verdachte geen inzicht heeft in zijn eigen situatie, ontkent hulp nodig te hebben en ook niet bereid is hulp te aanvaarden. Verdachte zal zich bovendien niet conformeren aan de voorwaarden. Een tbs-maatregel met voorwaarden acht de rechtbank daarom niet opportuun, aangezien dit zonder meer tot een omzetting naar een onvoorwaardelijke tbs zal leiden.
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een onvoorwaardelijke tbs-maatregel met dwangverpleging echter ook niet aan de orde, aangezien uit de deskundigenrapporten naar voren komt dat ook een minder verstrekkend kader – te weten een zorgmachtiging - voldoende is om de verdachte de vereiste behandeling te laten ondergaan, hetgeen voor wat betreft de risicobeheersing volgens de deskundigen ook verdedigbaar is en volgens de deskundigen de voorkeur verdient
Uit het wettelijk systeem dat geldt bij het opleggen van de tbs maatregel volgt dat dient te worden nagegaan in hoeverre het gevaar met andere, minder ingrijpende sancties kan worden beteugeld. Gelet op het hier van toepassing zijnde subsidiariteitsbeginsel gaat de rechtbank dan ook niet over tot het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging, maar zal zij ambtshalve een zorgmachtiging afgeven. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit laatste ten overvloede nog het volgende.
Ambtshalve afgegeven van een zorgmachtiging
Op grond van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (hierna: Wfz) is het voor de strafrechter mogelijk om met toepassing van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) een zorgmachtiging tot verplichte zorg, waaronder opname, af te geven om ernstig nadeel af te wenden. Op grond van dit artikel komt de rechter de bevoegdheid toe ambtshalve een zorgmachtiging af te geven. Dat kan zelfs tegen het standpunt van de officier van justitie in, hoewel dat –zo volgt ook de wetsgeschiedenis– zich slechts in uitzonderingssituaties zal voordoen.
Naar het oordeel van de rechtbank doet een dergelijke uitzonderingsituatie zich hier voor. De verdachte is inmiddels al meer dan de helft van de maximaal toelaatbare straf van drie jaar in het kader van de voorlopige hechtenis gedetineerd. Indien de rechtbank eerst opdracht geeft aan de officier van justitie om het zorgmachtigingstraject in gang te zetten/te laten onderzoeken, zullen daar nog minstens drie maanden bij komen. Bovendien heeft de officier van justitie ter terechtzitting te kennen gegeven hoe dan ook geen verzoek te willen toen tot verlenen van een zorgmachtiging, aangezien zij ter genoegdoening van het slachtoffer enkel een tbs met dwangverpleging passend vindt.
Uiteraard is het ambtshalve gebruik maken van de bevoegdheid tot verlenen van een zorgmachtiging alleen mogelijk als de rechtbank beschikt over de gegevens die zij nodig heeft voor die beoordeling. In onderhavige zaak ontbreekt enkel een zorg-/behandelplan en een zorgkaart. De rechtbank acht zich echter op grond van de Pro Justitia rapportage van de gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum en hun mondelinge toelichting hieromtrent ter terechtzitting voldoende voorgelicht.
De rechtbank is op grond van voorgaande van oordeel dat het geboden is om van haar ambtshalve bevoegdheid tot het verlenen van een zorgmachtiging gebruik te maken. Aan de voorwaarden ex artikel 3:3 en 3:4 Wvggz ter verlening van de zorgmachtiging is voldaan. Het zorg-/behandelplan zal overeenkomstig het advies van de gedragsdeskundigen worden vastgesteld.
De rechtbank verleent hierom ambtshalve een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, Wfz voor de duur van zes maanden. Van die beslissing is een separate beschikking opgemaakt welke aan dit vonnis is gehecht.
Gevangenisstraf
Daarnaast acht de rechtbank, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Gelet op de eerdere belaging en de hardnekkigheid en intensiteit van de gedragingen van de verdachte, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest (op datum uitspraak 486 dagen) passend en geboden. Omdat de rechtbank het, gelet op de psychische toestand van de verdachte onwenselijk acht dat hij na de datum van de uitspraak zonder behandeling terug de maatschappij in gaat, acht de rechtbank het aangewezen de op te leggen straf te verhogen met 14 dagen, zodat er voldoende tijd zal zijn om tijdig een plek te vinden waar de verdachte krachtens de te verlenen zorgmachtiging kan verblijven en een behandeling kan ondergaan. Gelet hierop legt de rechtbank aan de verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 500 dagen met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
De rechtbank heft, met voorgaande in ogenschouw genomen, op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.
Maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank zal, zoals door [naam 1] verzocht en door de officier van justitie is gevorderd, aan de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr opleggen, ter voorkoming van strafbare feiten gericht tegen [naam 1] . De maatregel bestaat uit een contactverbod met [naam 1] en een gebiedsverbod voor de gemeente [naam 8] waar [naam 1] woonachtig is voor de duur van vijf jaren en voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet twee weken hechtenis, waarbij de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt. Ter bescherming van [naam 1] zal de rechtbank de maatregel ook dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er, gelet op de door rapporteurs en reclassering ingeschatte hoge kans op recidive, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt richting [naam 1] .
7De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
7.1
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 3.500,-, bestaande uit immateriële schade. De benadeelde partij verzoekt hierbij de toekenning van de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding.
De raadsvrouw is primair van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Dat sprake zou zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is gesteld noch gebleken uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken. Subsidiair is de raadsvrouw van oordeel dat het gevorderde bedrag gelet op vergelijkbare zaken gematigd dient te worden tot een bedrag van maximaal € 1.000,-.
7.3
Beoordeling
Artikel 6:106, aanhef en onder b, BW geeft recht op vergoeding van andere schade dan vermogensschade in geval van aantasting in de persoon “op andere wijze” dan door fysiek letsel. Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept moet voldoende concrete gegevens aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending reeds meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij geen concrete gegevens heeft aangevoerd waaruit de rechtbank geestelijk letsel in de vorm van een erkend psychiatrisch ziektebeeld kan vaststellen. De rechtbank is wel van oordeel dat de aard en de ernst van het feit met zich brengt dat nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verdachte reeds eerder veroordeeld is voor belaging jegens de benadeelde partij. Desondanks heeft hem dat niet doen stoppen en is hij doorgegaan met het stelselmatig inbreuk maken op haar persoonlijke levenssfeer. Dit deed de verdachte niet alleen via de mail, maar hij is ook daadwerkelijk bij haar woning langsgegaan. Het ligt voor de hand dat dit een grote impact heeft gehad op de benadeelde partij en dat haar gevoel van vrijheid en veiligheid ernstig is aangetast, zodat sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.
De rechtbank schat de omvang van de immateriële schade als gevolg van deze aantasting naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegewezen, op een bedrag van € 1.500,-. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 12 april 2023. Voor het meerdere zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank daarnaast de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte tot slot worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 500 dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
- legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende dat verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1069 te [geboorteplaats 2] , wonende te [adres] en dat de verdachte zich gedurende vijf jaren niet zal bevinden in de gemeente [naam 8] ;
- beveelt dat vervangende hechtenis van twee weken wordt toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
- beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 1], van een bedrag van € 1.500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil en veroordeelt de verdachte in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van deze benadeelde partij van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom, dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
Voorlopige hechtenis
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.
De beschikking tot verlening van een zorgmachtiging zal separaat worden opgemaakt en aan het vonnis worden gehecht.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. H.E.G. Peters en mr. drs. M.A.M. Pijnenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.R.C. Custers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 augustus 2024.
Buiten staat
Mr. Pijnenburg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij in of omstreeks de periode van 18 februari 2023 tot en met 12 april 2023 te [plaats] , Gemeente [naam 8] , althans in Nederland, wederrechtelijk, stelselmatig, opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam 1] , door:
- ( meermaals) aan te bellen bij de woning van genoemde [naam 1] en/of
- het veelvuldig (dreigende) berichten en/of emails sturen en/of contact zoeken naar/met die [naam 1] en/of
- het veelvuldig en plaatsen van berichten op/over de sociale media pagina('s) van die [naam 1] en/of de moeder en/of man van [naam 1]
met het oogmerk die [naam 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03.098441.23
Proces-verbaal van de openbare zitting van 9 augustus 2024 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1970,
momenteel gedetineerd in de [P.I.] .
Raadsvrouw is mr. A.J.M. Mertens, advocaat, kantoorhoudende te Weert.
Tegenwoordig:
mr. , rechter,
mr. , officier van justitie,
, griffier.
De rechter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is wel/niet in de zittingzaal aanwezig.
De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.
Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.
Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023055389, gesloten d.d. 27 mei 2023, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 74.
Proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 17 april, pagina 34 tot en met 35.
Proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 13 april 2023, pagina 69 tot en met 71.