Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-01-31
ECLI:NL:RBLIM:2024:485
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,885 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10705075 \ CV EXPL 23-3972
Vonnis van 31 januari 2024
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ ,
gemachtigde: Inkassier, Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
2Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord - de conclusie van repliek - de schriftelijke weergave van de mondelinge dupliek.
2.1.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
3.1.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] met VGZ een verzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet heeft afgesloten, op grond waarvan [gedaagde] aan VGZ premie verschuldigd is.
3.2.
Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert VGZ bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van
€ 13.614,68, bestaande uit € 13.447,95 aan hoofdsom, € 24,13 aan vervallen wettelijke rente, € 1.099,59 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten, minus het door [gedaagde] betaalde bedrag van in totaal € 956,99, vermeerderd met de wettelijke rente over
€ 13.447,95 vanaf 3 september 2023 tot de dag van algehele voldoening, alsmede veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en nakosten.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
[gedaagde] is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn.
Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’).
4.2.
Gesteld noch anderszins is gebleken dat in deze zaak beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht zijn geschonden.
4.3.
Ten aanzien van het verweer van [gedaagde] dat rechtbank Roermond een aantal jaar geleden een vonnis heeft gewezen, merkt de kantonrechter op dat VGZ destijds - ter voorkoming van een hoger bedrag aan griffiegeld voor [gedaagde] - maar een deel van de vordering heeft gevorderd (vordering beperkt tot € 500,00) en tot dat bedrag toegewezen heeft gekregen, waarbij VGZ haar rechten met betrekking tot invordering van het restant heeft gereserveerd. Nu [gedaagde] het restant van de vordering niet minnelijk heeft voldaan dan wel de betalingsregeling niet tijdig en correct is nagekomen waardoor deze is komen te vervallen, staat het VGZ vrij [gedaagde] thans opnieuw in rechte te betrekken voor het restant van de vordering.
4.4.
Nu vast is komen te staan dat partijen de onderhavige zorgverzekeringovereenkomst hebben gesloten, is [gedaagde] als contractspartij uit dien hoofde gehouden de verplichtingen voortvloeiende uit deze overeenkomst te voldoen, waaronder de betalingsverplichting. Nu [gedaagde] geen verdere betaalbewijzen in het geding heeft gebracht, is niet komen vast te staan dat de onderhavige vordering door [gedaagde] is voldaan. Betalingsonmacht aan de zijde van [gedaagde] kan niet aan toewijzing van de vordering in de weg staan. De kantonrechter constateert dat in de gevorderde hoofdsom een bedrag van in totaal € 3,00 aan kosten acceptgiro is verdisconteerd. VGZ grondt dit deel van haar vordering op de polisvoorwaarden en verwijst naar een bijgevoegde link. Nu VGZ niet heeft gesteld welke van de daarop vermelde polisvoorwaarden van toepassing zijn, kan de kantonrechter de gegrondheid daarvan niet beoordelen, zodat de vordering op dit punt moet worden afgewezen. Het vorenstaande brengt mee dat aan hoofdsom een bedrag van € 13.444,95 zal worden toegewezen.
4.5.
VGZ maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. De gemachtigde van VGZ heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten van
€ 1.099,59 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
4.6.
De door het enkele betalingsverzuim verschuldigde wettelijke rente ligt eveneens voor toewijzing gereed.
4.7.
Met inachtneming van het vorenoverwogene, het gegeven dat een bedrag van in totaal € 956,99 door [gedaagde] is voldaan, ligt de vordering tot een bedrag van € 13.611,68 voor toewijzing gereed.
4.8.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van VGZ als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
130,48
- griffierecht
€
1.384,00
- salaris gemachtigde
€
792,00
(2 punten × € 396,00)
Totaal
€
2.306,48
4.9.
Volgens vaste rechtspraak levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Een veroordeling tot betaling van de proceskosten omvat dus een veroordeling tot betaling van de nakosten. Daarin ziet de kantonrechter aanleiding de nakosten en de wettelijke rente daarover niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling te vermelden (vergelijk HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853, rov. 2.3).
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 13.611,68, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 13.444,95 vanaf 3 september 2023 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van VGZ tot dit vonnis vastgesteld op € 2.306,48,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2024.
CJ