Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-05-17
ECLI:NL:RBLIM:2024:2531
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,064 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 21 / 1976 en ROE 21 / 1973
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2024 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser
(gemachtigde: mr. S.J.H.G.M. Schils),
en
[eiseres] , uit [woonplaats 2] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.H.D. Elings),
hierna samen te noemen: eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder
(gemachtigden: mr. M.E.J.M. Vorstermans en [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] , uit [woonplaats 3]
(de vergunninghouder).
Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van een appartement in de schuur van het pand aan de [adres 1] te [plaats 1] .
Bij besluit van 14 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten om het bezwaar van de vergunninghouder gegrond te verklaren en de weigering van de omgevingsvergunning te herroepen. Verweerder heeft alsnog de aangevraagde omgevingsvergunning verleend en hieraan het voorschrift verbonden dat het pand niet bewoond wordt door studenten.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit afzonderlijk beroep ingesteld.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 april 2024 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers met hun gemachtigden, de gemachtigden van verweerder, de vergunninghouder en zijn partner.
Overwegingen
Overgangsrecht Omgevingswet
1. Het bestreden besluit is een besluit genomen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit is ingediend voor 1 januari 2024, volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.
Feiten
2. Op 10 februari 2021 heeft de vergunninghouder een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag is ingediend voor het legaliseren van een appartement in de schuur van het pand aan de [adres 1] te [plaats 1] . Verweerder heeft de aanvraag voor de omgevingsvergunning aangemerkt als een aanvraag voor de volgende activiteiten:
- het (ver)bouwen van een bouwwerk;
- het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening;
- het wijzigen/herstellen van een beschermd monument dan wel het slopen van een beschermd monument;
- het slopen van een bouwwerk.
3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Verweerder heeft geweigerd om van het bestemmingsplan ‘Itteren-Borgharen’ en de facetbestemmingsplannen ‘Woningsplitsing en woningomzetting’ en ‘Parkeren’ af te wijken en toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4 onderdeel 9 van Bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht (Bor) (de kruimelgevallenregeling). Volgens verweerder is er geen sprake van een goede ruimtelijke ordening onder andere omdat Itteren, de plaats waar de betreffende schuur staat, niet valt onder het stedelijk gebied terwijl de uitbreidingsvraag naar wonen juist in het stedelijk gebied moet landen. De vergunninghouder heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder besloten om het bezwaar van de vergunninghouder gegrond te verklaren en de weigering van de omgevingsvergunning te herroepen. Verweerder heeft alsnog de aangevraagde omgevingsvergunning verleend en hieraan het voorschrift verbonden dat het pand niet bewoond wordt door studenten. Volgens verweerder is het appartement waarvoor de legalisatieaanvraag is ingediend in strijd met artikel 24, onder c, van het bestemmingsplan ‘Itteren-Borgharen’. Verweerder is met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4 onderdeel 9 van Bijlage II bij het voormalige Bor (de kruimelgevallenregeling) van het bestemmingsplan afgeweken. Volgens verweerder is er sprake van een goede ruimtelijke ordening onder andere omdat het gaat om een woningtype dat past binnen het dorpse milieu, namelijk een grondgebonden woning. Verder gaat het om de invulling van een bestaand, rijksmonumentaal pand dat met respect voor de monumentale waarden geschikt te maken is voor de woonfunctie en daarnaast draagt de woning bij aan het behoud van het (onderhavige deel van het) rijksmonument. De verleende omgevingsvergunning heeft weliswaar tot gevolg dat er een toename van de parkeerbehoefte is van (naar boven afgerond) 1 parkeerplaats, maar omdat er volgens verweerder op eigen terrein geparkeerd kan worden leidt dit niet tot een onevenredige toename van de parkeerbehoefte.
5. Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en hebben tegen het bestreden besluit afzonderlijk beroep ingesteld.
Belanghebbenden
6. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder hun bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij stellen wel degelijk zicht te hebben op het betreffende perceel van de vergunninghouder. Verder stellen eisers dat zij door de verleende omgevingsvergunning parkeeroverlast zullen ondervinden.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers terecht niet als belanghebbenden heeft gezien. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
8. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken.
8.1.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in, onder andere, haar uitspraak van 23 augustus 2017 is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef-, of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
9. De rechtbank overweegt dat, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, de feitelijke gevolgen van enige betekenis die eisers zouden kunnen ondervinden van de verleende omgevingsvergunning in twee aspecten gelegen kunnen zijn, namelijk zicht op het appartement in de schuur en parkeeroverlast als gevolg van de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank zal die aspecten hierna bespreken, te beginnen met het aspect zicht.
10. Eiser woont op het perceel aan de [adres 2] te [plaats 2] . Eiseres woont op het perceel aan de [adres 3] te [plaats 3] . Zij is echter ook mede-eigenaar van het perceel aan de [adres 2] te [plaats 2] . De rechtbank stelt vast dat eisers, zelfs gelet op de door hen zelf overgelegde foto’s, vanaf hun perceel weliswaar gedeeltelijk het pand aan de [adres 1] te [plaats 1] kunnen zien, maar niet het gedeelte van het pand aan de straatzijde waarop de verleende omgevingsvergunning betrekking heeft. Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank dus geen zicht op dit gedeelte van het pand en dus ook niet op het appartement dat met de omgevingsvergunning is gelegaliseerd. Dat eisers erg begaan zeggen te zijn met de (ontwikkeling van) de [straat] en het appartement wel kunnen zien als ze er langslopen of rijden, levert geen relevant zicht op. Verder is de rechtbank van oordeel dat, zelfs al zouden eisers wel zicht op het appartement gehad hebben, dit zicht dermate gering is, gelet op de afstand van maar liefst 130 meter tussen hun perceel en dat van de vergunninghouder, dat van feitelijke gevolgen van enige betekenis vanwege zicht ook dan geen sprake is.
11. Over het aspect parkeren overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder is bij het verlenen van de omgevingsvergunning ervan uit gegaan dat ter plaatse van het pand aan de [adres 1] te [plaats 1] geparkeerd kan worden op eigen terrein en dat daarmee de toegenomen parkeerbehoefte van één parkeerplaats ondervangen wordt zonder toename van de parkeerdruk. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning voorziet in het parkeren op eigen terrein voor de bewoner van het appartement en de overige bewoners van het perceel. De parkeerplaatsen op het eigen terrein zijn door de vergunninghouder namelijk op een tekening van de architect van de vergunninghouder, die onderdeel uitmaakt van de aanvraag, ingetekend en de aanvraag voor de omgevingsvergunning maakt op zijn beurt onderdeel uit van de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank neemt dan ook aan dat aan de vergunninghouder de omgevingsvergunning is verleend met de bedoeling om op eigen terrein te parkeren. Eisers betwisten weliswaar dat het voor de vergunninghouder mogelijk is om op eigen terrein te parkeren, maar zij hebben hun standpunt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd gelet op de grootte van het terrein van de vergunninghouder en de mogelijkheden hiervan om dat terrein zodanig in te richten dat hierop geparkeerd kan worden. Het betwisten van de juistheid van voornoemde tekening bij de aanvraag zonder dit nader te onderbouwen is daarvoor onvoldoende. De rechtbank neemt dan ook als uitgangspunt dat ter plaatse van de [adres 1] op eigen terrein geparkeerd kan worden.
Conclusie
13. De beroepen van eiser en eiseres zijn ongegrond. Eiser en eiseres krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E.M. Genders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: 17 mei 2024
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 17 mei 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo of artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo.
ECLI:NL:RVS:2017:2271.
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 21 / 1976 en ROE 21 / 1973
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2024 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser
(gemachtigde: mr. S.J.H.G.M. Schils),
en
[eiseres] , uit [woonplaats 2] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.H.D. Elings),
hierna samen te noemen: eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder
(gemachtigden: mr. M.E.J.M. Vorstermans en [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] , uit [woonplaats 3]
(de vergunninghouder).
Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van een appartement in de schuur van het pand aan de [adres 1] te [plaats 1] .
Bij besluit van 14 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten om het bezwaar van de vergunninghouder gegrond te verklaren en de weigering van de omgevingsvergunning te herroepen. Verweerder heeft alsnog de aangevraagde omgevingsvergunning verleend en hieraan het voorschrift verbonden dat het pand niet bewoond wordt door studenten.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit afzonderlijk beroep ingesteld.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 april 2024 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers met hun gemachtigden, de gemachtigden van verweerder, de vergunninghouder en zijn partner.
Overwegingen
Overgangsrecht Omgevingswet
1. Het bestreden besluit is een besluit genomen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit is ingediend voor 1 januari 2024, volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.
Feiten
2. Op 10 februari 2021 heeft de vergunninghouder een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag is ingediend voor het legaliseren van een appartement in de schuur van het pand aan de [adres 1] te [plaats 1] . Verweerder heeft de aanvraag voor de omgevingsvergunning aangemerkt als een aanvraag voor de volgende activiteiten:
- het (ver)bouwen van een bouwwerk;
- het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening;
- het wijzigen/herstellen van een beschermd monument dan wel het slopen van een beschermd monument;
- het slopen van een bouwwerk.
3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Verweerder heeft geweigerd om van het bestemmingsplan ‘Itteren-Borgharen’ en de facetbestemmingsplannen ‘Woningsplitsing en woningomzetting’ en ‘Parkeren’ af te wijken en toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4 onderdeel 9 van Bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht (Bor) (de kruimelgevallenregeling). Volgens verweerder is er geen sprake van een goede ruimtelijke ordening onder andere omdat Itteren, de plaats waar de betreffende schuur staat, niet valt onder het stedelijk gebied terwijl de uitbreidingsvraag naar wonen juist in het stedelijk gebied moet landen. De vergunninghouder heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder besloten om het bezwaar van de vergunninghouder gegrond te verklaren en de weigering van de omgevingsvergunning te herroepen. Verweerder heeft alsnog de aangevraagde omgevingsvergunning verleend en hieraan het voorschrift verbonden dat het pand niet bewoond wordt door studenten. Volgens verweerder is het appartement waarvoor de legalisatieaanvraag is ingediend in strijd met artikel 24, onder c, van het bestemmingsplan ‘Itteren-Borgharen’. Verweerder is met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4 onderdeel 9 van Bijlage II bij het voormalige Bor (de kruimelgevallenregeling) van het bestemmingsplan afgeweken. Volgens verweerder is er sprake van een goede ruimtelijke ordening onder andere omdat het gaat om een woningtype dat past binnen het dorpse milieu, namelijk een grondgebonden woning. Verder gaat het om de invulling van een bestaand, rijksmonumentaal pand dat met respect voor de monumentale waarden geschikt te maken is voor de woonfunctie en daarnaast draagt de woning bij aan het behoud van het (onderhavige deel van het) rijksmonument. De verleende omgevingsvergunning heeft weliswaar tot gevolg dat er een toename van de parkeerbehoefte is van (naar boven afgerond) 1 parkeerplaats, maar omdat er volgens verweerder op eigen terrein geparkeerd kan worden leidt dit niet tot een onevenredige toename van de parkeerbehoefte.
5. Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en hebben tegen het bestreden besluit afzonderlijk beroep ingesteld.
Belanghebbenden
6. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder hun bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij stellen wel degelijk zicht te hebben op het betreffende perceel van de vergunninghouder. Verder stellen eisers dat zij door de verleende omgevingsvergunning parkeeroverlast zullen ondervinden.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers terecht niet als belanghebbenden heeft gezien. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
8. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken.
8.1.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in, onder andere, haar uitspraak van 23 augustus 2017 is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef-, of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
9. De rechtbank overweegt dat, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, de feitelijke gevolgen van enige betekenis die eisers zouden kunnen ondervinden van de verleende omgevingsvergunning in twee aspecten gelegen kunnen zijn, namelijk zicht op het appartement in de schuur en parkeeroverlast als gevolg van de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank zal die aspecten hierna bespreken, te beginnen met het aspect zicht.
10. Eiser woont op het perceel aan de [adres 2] te [plaats 2] . Eiseres woont op het perceel aan de [adres 3] te [plaats 3] . Zij is echter ook mede-eigenaar van het perceel aan de [adres 2] te [plaats 2] . De rechtbank stelt vast dat eisers, zelfs gelet op de door hen zelf overgelegde foto’s, vanaf hun perceel weliswaar gedeeltelijk het pand aan de [adres 1] te [plaats 1] kunnen zien, maar niet het gedeelte van het pand aan de straatzijde waarop de verleende omgevingsvergunning betrekking heeft. Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank dus geen zicht op dit gedeelte van het pand en dus ook niet op het appartement dat met de omgevingsvergunning is gelegaliseerd. Dat eisers erg begaan zeggen te zijn met de (ontwikkeling van) de [straat] en het appartement wel kunnen zien als ze er langslopen of rijden, levert geen relevant zicht op. Verder is de rechtbank van oordeel dat, zelfs al zouden eisers wel zicht op het appartement gehad hebben, dit zicht dermate gering is, gelet op de afstand van maar liefst 130 meter tussen hun perceel en dat van de vergunninghouder, dat van feitelijke gevolgen van enige betekenis vanwege zicht ook dan geen sprake is.
11. Over het aspect parkeren overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder is bij het verlenen van de omgevingsvergunning ervan uit gegaan dat ter plaatse van het pand aan de [adres 1] te [plaats 1] geparkeerd kan worden op eigen terrein en dat daarmee de toegenomen parkeerbehoefte van één parkeerplaats ondervangen wordt zonder toename van de parkeerdruk. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning voorziet in het parkeren op eigen terrein voor de bewoner van het appartement en de overige bewoners van het perceel. De parkeerplaatsen op het eigen terrein zijn door de vergunninghouder namelijk op een tekening van de architect van de vergunninghouder, die onderdeel uitmaakt van de aanvraag, ingetekend en de aanvraag voor de omgevingsvergunning maakt op zijn beurt onderdeel uit van de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank neemt dan ook aan dat aan de vergunninghouder de omgevingsvergunning is verleend met de bedoeling om op eigen terrein te parkeren. Eisers betwisten weliswaar dat het voor de vergunninghouder mogelijk is om op eigen terrein te parkeren, maar zij hebben hun standpunt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd gelet op de grootte van het terrein van de vergunninghouder en de mogelijkheden hiervan om dat terrein zodanig in te richten dat hierop geparkeerd kan worden. Het betwisten van de juistheid van voornoemde tekening bij de aanvraag zonder dit nader te onderbouwen is daarvoor onvoldoende. De rechtbank neemt dan ook als uitgangspunt dat ter plaatse van de [adres 1] op eigen terrein geparkeerd kan worden.
Conclusie
13. De beroepen van eiser en eiseres zijn ongegrond. Eiser en eiseres krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E.M. Genders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: 17 mei 2024
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 17 mei 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo of artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo.
ECLI:NL:RVS:2017:2271.