Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-05-15
ECLI:NL:RBLIM:2024:2524
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,396 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10827440 \ CV EXPL 23-5380
Vonnis van 15 mei 2024
in de zaak van
STICHTING WOONPUNT,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonpunt,
gemachtigde: Flanderijn gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R.Ph.E.M. Cratsborn.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord
- de door Woonpunt ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding gebrachte aanvullende stukken - de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 22 maart 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
[gedaagde] heeft op 4 juni 2018 met Woonpunt een schriftelijke tijdelijke huurovereenkomst gesloten op grond waarvan zij van Woonpunt heeft gehuurd de woonruimte staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] tegen een bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van € 483,00 per maand. Inmiddels is de huurovereenkomst beëindigd. De eindoplevering heeft op 18 juli 2022 plaatsgevonden.
2.2.
Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert Woonpunt veroordeling van [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 510,11, bestaande uit € 414,09 aan achterstallige huur over de maand juli 2022, € 75,15 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten inclusief btw en € 20,87 aan vervallen wettelijke rente, vermeerderd met de wettelijke rente over € 414,09 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling, alsmede betaling van de proceskosten.
2.3.
[gedaagde] voert verweer.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
3.1.
Niet in geschil is dat partijen onderhavige huurovereenkomst hebben gesloten, zodat [gedaagde] als contractspartij uit dien hoofde gehouden is de verplichtingen voortvloeiende uit deze overeenkomst te voldoen, waaronder de betalingsverplichting. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de achterstallige huur niet weersproken. Betalingsonmacht aan de zijde van [gedaagde] kan niet aan toewijzing van de vordering in de weg staan. Dat [gedaagde] het nu niet kan betalen, doet niets af aan het feit dat Woonpunt wel recht op betaling heeft en dat Woonpunt aan de kantonrechter mag vragen om die betalingsverplichting van [gedaagde] bij vonnis uit te spreken. De door [gedaagde] gestelde persoonlijke omstandigheden komen voor haar rekening en risico en regardeert Woonpunt niet. Het vorenstaande brengt met zich dat de gevorderde achterstallige huur over juli 2022, te weten een bedrag van € 414,09, zal worden toegewezen.
3.2.
Woonpunt maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. De gemachtigde van Woonpunt heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten van
€ 75,15 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
3.3.
De door het enkele betalingsverzuim verschuldigde wettelijke rente ligt eveneens voor toewijzing gereed.
3.4.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Woonpunt als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
130,49
- griffierecht
€
322,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punten × € 135,00)
Totaal
€
722,49
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonpunt te betalen een bedrag van € 510,11, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 414,09 vanaf 23 november 2023 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Woonpunt tot dit vonnis vastgesteld op € 722,49,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2024.
CJ