Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-04-30
ECLI:NL:RBLIM:2024:2239
Civiel recht; Goederenrecht
Kort geding
2,279 tokens
Inleiding
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/329119 / KG ZA 24-91
Vonnis in kort geding van 30 april 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaatsnaam] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. N.V.T. Cremers,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaatsnaam] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R. Engwegen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord
- de eiswijziging van de vrouw - de mondelinge behandeling van 29 april 2024.
Feiten
2.1.
De vrouw en de man hebben een affectieve relatie gehad en hebben samen een minderjarig kind.
2.2.
De vrouw is enig eigenaar van een woning, gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de woning). De vrouw en de man hebben samen met hun kind in die woning gewoond.
2.3.
Op 1 januari 2024 is de relatie tussen de man en de vrouw verbroken. De vrouw heeft de man gevraagd om de woning te verlaten, in eerste instantie uiterlijk op 1 maart 2024. In de e-mail van 12 maart 2024 van de advocaat van de vrouw aan de advocaat van de man is die termijn verlengd tot 1 april 2024.
2.4.
Ten tijde van de mondelinge behandeling van dit kort geding woonden partijen nog steeds samen in de woning.
Geschil
3.1.
De vrouw vordert na eiswijziging – samengevat – dat de voorzieningenrechter voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man zal veroordelen om de woning aan de [adres] te [postcode] [plaatsnaam] uiterlijk op dinsdag 30 april 2024 althans een in goede justitie vast te stellen datum te verlaten, onder medeneming van zijn kleding en lijfgoederen, alle grote inboedelgoederen die aan hem zijn toebedeeld conform de lijst overgelegd als productie 3 bij dagvaarding alsmede alle kleine inboedelgoederen conform een door partijen nader op te stellen lijst, onder afgifte van de sleutels van de woning aan de vrouw, en de woning niet verder te betreden;
II. de man zal veroordelen om zich te doen uitschrijven als bewoner van de woning aan de [adres] te [postcode] [plaatsnaam] , uiterlijk op zaterdag 30 april 2024 althans een in goede justitie vast te stellen datum;
III. het gevorderde onder I. en II. onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat de man in gebreke blijft om aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van € 20.000,00;
IV. de man zal veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder mede begrepen het salaris van de raadsvrouw van de vrouw en de verplichte verschotten.
3.2.
De man voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Anders dan de man heeft betoogd is het spoedeisend belang van de vrouw bij de verzochte voorzieningen naar zijn aard gegeven. De voorzieningenrechter zal dan ook overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak.
4.2.
Tussen partijen staat vast dat de woning in eigendom toebehoort aan de vrouw, terwijl de man er na het verbreken van de relatie niet langer met instemming van de vrouw verblijft. Hoewel het evident is dat de man de woning zal moeten verlaten, dient in deze procedure beoordeeld te worden of de vrouw haar eigendomsrecht in dit kort geding geldend kan maken. Aan de orde is daarom de vraag of het belang van de vrouw bij de toewijzing van haar vorderingen zwaarder weegt dan het belang van de man bij de afwijzing daarvan.
4.3.
Tegenover het belang van de vrouw om zo spoedig mogelijk alleen over haar woning te beschikken en een einde te creëren aan de in haar ogen gespannen situatie mede ten behoeve van het kind, staat het belang van de man om, in afwachting van het ter beschikking komen van andere woonruimte, een verblijfplaats te hebben.
4.4.
Gelet op de door de man overgelegde stukken is niet kenbaar geworden binnen welke termijn de man over een nieuwe woning zal beschikken. Vanuit het gezichtspunt van de man is begrijpelijk dat hij in de woning wenst te verblijven, totdat hij een geschikte woning voor zichzelf en het kind heeft gevonden. Echter, naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan van de vrouw niet (veel) langer meer gevergd worden dat de man in haar woning verblijft. Zeker nu de termijn die de man nog nodig zal hebben voor het betrekken van nieuwe woonruimte ongewis is, mag de man niet zonder meer verwachten dat hij nog voor een onbepaalde periode in de woning kan verblijven.
4.5.
De voorzieningenrechter zal dan ook de vordering toewijzen tot ontruiming van de woning door de man. Ook de veroordeling tot medeneming van zijn kleding en lijfgoederen, alle grote inboedelgoederen die aan hem zijn toebedeeld conform de lijst overgelegd als productie 3 zal worden toegewezen. De vordering tot het medenemen van nog onbepaalde kleine inboedelgoederen zal worden afgewezen, nu daartoe naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang ontbreekt. Immers dienen partijen daar nog overeenstemming over te bereiken.
4.6.
Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door de vrouw gevorderde ontruiming vóór 30 april 2024 niet redelijk is. De voorzieningenrechter acht een termijn van 6 weken redelijk, zodat de man voldoende gelegenheid heeft om (tijdelijke) vervangende woonruimte te vinden.
4.7.
Gelet op het voorgaande, zal de voorzieningenrechter de ontruiming van de woning bepalen op 6 weken na betekening van dit vonnis. Indien de man vóór afloop van die zes weken nog geen passende woonruimte heeft gevonden, zal hij tijdelijk elders onderdak moeten vinden.
4.8.
De voorzieningenrechter zal, gelet op de bij hem gerezen twijfel over het al dan niet daadwerkelijk (tijdig) verlaten van de woning door de man, aan de veroordeling een dwangsom als prikkel tot nakoming verbinden. De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom matigen zoals hierna in de beslissing is bepaald. Het is wat betreft het voorkomen van het inzetten van dit dwangmiddel in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de man ervoor te zorgen dat het niet zover zal hoeven te komen. Als de man dit vonnis nakomt, behoeft hij immers geen negatieve gevolgen te ondervinden van de opgelegde dwangsom.
4.9.
Ten aanzien van de vordering tot uitschrijving uit de basisregistratie overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In de Wet Basisregistratie personen is bepaald onder welke omstandigheden het college van burgemeester en wethouders van een gemeente iemand in- of uitschrijft. Op basis van artikel 2.39 van de Wet BRP is de man verplicht om bij een verhuizing schriftelijk aangifte te doen van de adreswijziging bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft. Op dit moment is onzeker wanneer een dergelijke adreswijziging zou kunnen worden doorgevoerd. Bovendien zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit een weigerachtige houding van de man zou kunnen blijken om over te gaan tot aangifte indien en zodra hij nieuwe woonruimte heeft. Gelet daarop is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor een toewijzing van de vordering van de vrouw geen plaats. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.
4.10.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt de man om de woning aan de [adres] te [postcode] [plaatsnaam] uiterlijk binnen zes weken na betekening van dit vonnis, onder medeneming van zijn kleding en lijfgoederen, alle grote inboedelgoederen die aan hem zijn toebedeeld conform de lijst overgelegd als productie 3 bij dagvaarding, onder afgifte van de sleutels van de woning aan de vrouw, en de woning niet verder te betreden zonder toestemming van de vrouw,
5.2.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. R. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2024.
MS