Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-04-03
ECLI:NL:RBLIM:2024:1675
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,318 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10657610 \ CV EXPL 23-3492
Vonnis van 3 april 2024
in de zaak van
STICHTING WELLER WONEN,
te Heerlen,
eiseres,
hierna te noemen: Weller Wonen,
gemachtigde: Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,
tegen
1. [gedaagde sub 1], handelend onder de naam [handelsnaam], in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [naam onderbewindgestelde],
te [woonplaats 1] ,
gemachtigde: mr. F.E.L. Teerling,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats 2] ,
niet verschenen,
gedaagden,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] - de brief van 8 november 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- de door Weller Wonen ten behoeve van de mondelinge behandeling in het geding gebrachte aanvullende stukken
- de mondelinge behandeling van 7 februari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Tegen [gedaagde sub 2] is verstek verleend.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] huren van Weller Wonen de woonruimte met aanhorigheden, staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] (verder: de woning), tegen een bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van thans (per 1 september 2023) € 895,86 per maand.
2.2.
Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert Weller Wonen hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 5.648,25, zijnde € 4.988,91 aan huurachterstand tot en met augustus 2023 en € 659,34 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert Weller Wonen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, alsmede betaling van een bedrag van
€ 889,86 per maand aan huur c.q. gebruiksvergoeding vanaf 1 september 2023 tot de uiteindelijke ontruiming en veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de kosten van deze procedure.
2.3.
[gedaagde sub 1] voert verweer.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
3.1.
[gedaagde sub 2] is niet verschenen, maar krachtens artikel 140 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt ook jegens hem geoordeeld en beslist in dit vonnis op tegenspraak.
3.2.
Nu [gedaagde sub 1] de betalingsregeling niet tijdig en correct is nagekomen en deze daardoor is komen te vervallen, staat het Weller Wonen vrij (de bewindvoerder van) [gedaagde sub 1] in rechte te betrekken om een executoriale titel voor haar vordering te verkrijgen. Van rauwelijks dagvaarden is geen sprake.
3.3.
Uit het door Weller Wonen voorafgaand aan de mondelinge behandeling in het geding gebrachte overzicht blijkt dat de huurachterstand tot en met augustus 2023
€ 4.938,91 bedraagt en niet het in het exploot van dagvaarding genoemde bedrag van
€ 4.988,91. Nu Weller Wonen dit verschil niet nader heeft verklaard en [gedaagde sub 1] het door Weller Wonen in het geding gebrachte overzicht niet heeft weersproken, ligt de gevorderde huurachterstand tot en met augustus 2023 tot een bedrag van € 4.938,91 voor toewijzing gereed. De kantonrechter oordeelt dat met de door [gedaagde sub 1] geschetste financiële situatie (betalingsonmacht) geen rekening kan worden gehouden. Het betreffen omstandigheden die voor rekening en risico van [gedaagde sub 1] komen en doen aan haar betalingsverplichting jegens Weller Wonen niet af. De achterstand rechtvaardigt de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, met dien verstande dat de ontruimingstermijn zal worden bepaald op twee weken na betekening van dit vonnis. Voor een langere ontruimingstermijn wordt geen aanleiding gezien. De huur c.q. gebruikersvergoeding over de periode vanaf 1 september 2023 tot de uiteindelijke ontruiming kan eveneens worden toegewezen, tot vandaag op grond van de huurovereenkomst en hierna op grond van artikel 7:225 BW. De kantonrechter merkt in dit verband wel nog op dat de door Weller gevorderde gebruiksvergoeding is gebaseerd op de oude huurprijs. Nu Weller Wonen haar vordering op dit punt niet heeft gewijzigd / vermeerderd kan de kantonrechter de gebruiksvergoeding niet toewijzen conform de per 1 september 2023 geldende huurprijs, maar zal hij de oude huurprijs hanteren.
3.4.
Ten slotte maakt Weller Wonen aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. [gedaagde sub 1] heeft betwist de brief van 5 juli 2023 (productie 3 dagvaarding) te hebben ontvangen. De kantonrechter passeert deze betwisting. Alhoewel uitgangspunt is dat een verklaring eerst werking heeft zodra zij de geadresseerde heeft bereikt en in voorkomend geval de bewijslast ter zake op de verzender rust, mag van [gedaagde sub 1] worden gevergd dat zij ter staving van haar verweer voldoende feitelijke gegevens verstrekt. [gedaagde sub 1] heeft echter volstaan met een enkele ontkenning van de ontvangst van de brief. Die enkele ontkenning brengt in het licht van de omstandigheden van het onderhavige geval niet met zich dat van de juistheid van de stelling van [gedaagde sub 1] moet worden uitgegaan. Immers, de brief van 5 juli 2023 is gericht aan het adres van [gedaagde sub 1] en niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde sub 1] in die periode is verhuisd of dat sprake was van een incorrecte postbezorging aan het adres van [gedaagde sub 1] . Er zal derhalve van worden uitgegaan dat [gedaagde sub 1] voormelde brief ontvangen heeft.
De door Weller Wonen aan [gedaagde sub 1] verstuurde aanmaning voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten zal dan ook worden toegewezen.
3.5.
Voor de vordering tegen [gedaagde sub 2] is de vraag slechts of deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Dat is niet het geval. De vordering zal worden toegewezen, met dien verstande dat de vergoeding buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, omdat zich bij de stukken geen veertiendagen brief bevindt gericht aan [gedaagde sub 2] .
3.6.
[gedaagde sub 1] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Weller Wonen, hoofdelijk met [gedaagde sub 2] voor zover die kosten ook aan hem zijn toe te rekenen. De kosten aan de zijde van Weller Wonen worden aldus tot de uitspraak van dit vonnis begroot op: - dagvaarding € 129,85
- griffierecht € 514,00- salaris gemachtigde € 678,00 (2 punten x tarief € 339,00)
Totaal € 1.321,85
Dictum
4.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het gehuurde, de woonruimte met aanhorigheden, staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] , binnen twee weken na betekening van dit vonnis met al het hunne en de hunnen te verlaten, te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Weller Wonen te stellen,
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om tegen bewijs van kwijting aan Weller Wonen te betalen:
€ 4.938,91 aan huurachterstand tot en met augustus 2023, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling,
vanaf 1 september 2023 voor elke maand of gedeelte hiervan, een ingegane maand daarbij gerekend voor een hele maand, waarin [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het gehuurde nog niet geheel ontruimd ter vrije beschikking van Weller Wonen hebben gesteld, het bedrag van € 889,86 per maand,
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van € 659,34 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling,
4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten van Weller Wonen tot en met de dagvaarding, begroot op € 982,85, en veroordeelt [gedaagde sub 1] daarnaast tot betaling van de proceskosten van Weller Wonen sindsdien, tot vandaag begroot op € 339,00,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2024.
CJ