Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-03-06
ECLI:NL:RBLIM:2024:1131
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
639 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10845396 \ CV EXPL 23-5606
Vonnis van de kantonrechter van 6 maart 2024
in de zaak van:
STICHTING WONEN LIMBURG,
gevestigd te Roermond,
eisende partij,
gemachtigde Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,
tegen:
1 [gedaagde sub 1] ,
2 [gedaagde sub 2] ,beiden wonend [adres] , [woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederende in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- het antwoord van gedaagde partij;
- de op 26 februari 2024 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is gedaagde sub 1 [gedaagde sub 1] , verschenen, die desgevraagd verklaarde ook de niet verschenen gedaagde sub 2, [gedaagde sub 2] , te vertegenwoordigen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] erkennen de huurachterstand. De hoofdvordering dient daarom te worden toegewezen. Bij gebreke van verweer en nu ook wordt voldaan aan het bepaalde in art. 6:96 BW, worden eveneens de gevorderde incassokosten toegewezen.
2.2.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
dagvaarding € 129,85
griffierecht € 365,00
salaris gemachtigde € 398,00
totaal € 892,85
Dictum
De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de somma van € 1.921,82, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 december 2023 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 892,85,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.