Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-09-16
ECLI:NL:RBLIM:2024:10326
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,650 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 16 september 2024
Zaaknummer: C/03/329003 / FA RK 24-1165
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven inzake:
[de moeder] ,
verzoekster, verder te noemen: de moeder,
wonend te [woonplaats] ,
advocaat mr. B.H.S. Brinkman, kantoorhoudend te Heerlen,
tegen:
[de vader] ,
wederpartij, verder te noemen: de vader,
wonend te [woonplaats] ,
advocaat mr. V.A.C. Kerckhoffs, kantoorhoudend te Heerlen.
Met toepassing van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, gevestigd te Maastricht,
verder te noemen: de raad,
door de rechtbank als adviseur bij deze zaak betrokken.
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam.
1Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van de moeder, ingediend op 18 maart 2024;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vader, ingediend op 1 augustus 2024;
de mondelinge behandeling op 16 augustus 2024, waarbij zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- een vertegenwoordigster van de raad.
De GI is niet verschenen ter zitting.
Feiten
2.1.
Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
2.2.
De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 17 juli 2023 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 4 juli 2024 is de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar verlengd, aldus van 17 juli 2024 tot 17 juli 2025.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
De moeder heeft, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verzocht:
- de beslissing van de rechtbank, vastgelegd in het proces-verbaal van 26 mei 2023, waarbij een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige kinderen werd vastgesteld, te wijzigen en verzoekt thans vast te stellen dat aan de vader de omgang wordt ontzegd.
- om de voornamen van [minderjarige 2] te wijzigen, in die zin dat de vijfde en zesde voornaam ‘ [voornamen 1] ’ worden vervangen door ‘ [voornamen 2] ’;
- althans een voorziening in goede justitie te treffen.
3.2.
De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het verzochte. Tevens heeft de vader bij wege van zelfstandig verzoek verzocht om de omgangsregeling te wijzigen, in die zin dat deze inhoudt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] elke twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de vader verblijven.
3.3.
Op de door partijen over en weer betrokken stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, hierna ingaan.
Beoordeling
Verzoeken inzake omgang
4.1.
Artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is op het verzoek tot vaststellen van een omgangsregeling van toepassing.
4.2.
De moeder heeft ter zitting haar verzoek tot ontzegging van de omgang ingetrokken, zodat enkel het zelfstandig verzoek van de vader aan de rechtbank voorligt.
4.3.
Gelet op artikel 1:377e BW kan de rechter een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De omgang is in april 2024 stopgezet. Dat maakt dat de omstandigheden zijn gewijzigd en de rechtbank het verzoek inhoudelijk kan beoordelen.
4.4.
De ouders hebben voorafgaand en tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over een opbouwende omgangsregeling bij de vader thuis. De overeengekomen regeling houdt in dat de kinderen met de vader omgang hebben:
in de eerste maand eens in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 13.00 uur;
in de tweede maand eens in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 15.00 uur;
in de derde maand eens in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur,
waarbij de moeder de kinderen naar de vader brengt en de vader de kinderen terug naar de moeder brengt. Het eerste omgangsmoment zal plaatsvinden op 31 augustus 2024.
4.5.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met de door de ouders overeengekomen omgangsregeling.
4.6.
Nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich tegen deze regeling verzet zal de rechtbank deze omgangsregeling in de beschikking vastleggen.
Verzoek tot voornaamswijziging
4.7.
Op grond van artikel 1:4 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan wijziging van de voornamen op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden gelast door de rechtbank. Voor een dergelijke wijziging dient een voldoende zwaarwegend belang te bestaan.
De rechtbank overweegt als volgt. De beëindiging van de relatie tussen de ouders heeft ertoe geleid dat er een periode geen omgang tussen de vader en [minderjarige 2] heeft plaatsgevonden. De moeder heeft aangegeven dat zij het lastig vindt dat [minderjarige 2] twee namen draagt die zijn gelieerd aan de familie van de vader, namelijk zijn stiefvader en pleegzus, met wie al voor het verbreken van de relatie geen contact meer was.
Nog daargelaten het feit dat [minderjarige 2] en de vader inmiddels wel weer contact hebben en dat, nu de vader inwoont bij zijn stiefvader en pleegzus, ook het contact tussen [minderjarige 2] en de familieleden van vader weer zal plaatsvinden en dit argument van de moeder daarom niet meer te handhaven is, acht de rechtbank dit argument onvoldoende om te kunnen spreken van een zwaarwegend belang van [minderjarige 2] voor wijziging van twee van haar voornamen. De moeder heeft ter zitting erkend dat [minderjarige 2] geen last heeft van de betreffende voornamen. Dat de moeder zelf moeite heeft met de voornamen die gelieerd zijn aan familie van de vader is wellicht invoelbaar, maar dit maakt niet dat sprake is van een zwaarwegend belang voor [minderjarige 2] , temeer niet omdat het gaat om de vijfde en zesde voornaam, die in het maatschappelijk verkeer niet of nauwelijks gebruikt worden.
Namens de moeder is nog verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank (ELCI:NL:RBLIM:2023:7017). In deze zaak echter hadden beide ouders het zwaarwegend belang aangetoond, bestond er al jaren geen contact tussen ouders en kind enerzijds en de familieleden waarnaar het kind vernoemd was anderzijds en was het onwaarschijnlijk dat dit contact wel weer tot stand zou komen. Van die situatie is in de onderhavige zaak geen sprake.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder dan ook onvoldoende onderbouwd dat er een zwaarwegend belang is om de voornamen van [minderjarige 2] te wijzigen, zodat de rechtbank het verzoek zal afwijzen.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 26 mei 2023 vastgestelde omgangsregeling en bepaalt dat de vader omgang kan hebben met de minderjarige kinderen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats] , met ingang van 31 augustus 2024:
in de eerste maand eens in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 13.00 uur;
in de tweede maand eens in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 15.00 uur;
in de derde maand eens in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur,
waarbij de moeder de kinderen naar de vader brengt en de vader de kinderen terug naar de moeder brengt;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
5.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.C. Groen-Witvliet, griffier, op 16 september 2024.BGW
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.