Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-12-22
ECLI:NL:RBLIM:2023:7502
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,172 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/1686
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: R.M.E. Wenmakers),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiseres tegen het besluit van de SVB over de berekening van haar aflossingscapaciteit.
1.1.
De SVB heeft met het besluit van 21 januari 2022 de aflossingscapaciteit van eiseres vastgesteld op € 247,88 met ingang van maart 2022 en bepaald dat dit bedrag maandelijks wordt verrekend met de AOW-uitkering. Met het bestreden besluit van 11 juli 2022 op het bezwaar van eiseres is de SVB bij de vastgestelde aflossingscapaciteit gebleven, zij het dat de verplichte aflossing op 1 augustus 2022 ingaat en dat de hogere aflossingscapaciteit (dan voorheen) stapsgewijs wordt ingevoerd.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is toegewezen op 8 november 2022 (ROE 22/2068) en het bestreden besluit is geschorst vanaf 1 november 2022 tot de uitspraak op het beroep.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de SVB.
De behandeling van de zaak is aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen na te denken over de mogelijkheid om de aflossing drie jaar op 50% van de door de SVB berekende aflossingscapaciteit te houden.
1.3.
De SVB heeft op 22 juni 2023 te kennen gegeven geen verdere ruimte te zien om aan dit voorstel mee te werken. Tevens is verzocht om de zaakn aan te houden totdat de Centrale Raad van Beroep (de Raad) uitspraak heeft gedaan in vergelijkbare zaken.
De gemachtigde van eiseres heeft niet gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken of zij op een nadere zitting willen worden gehoord. Nu partijen van die gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt en de rechtbank een nadere zitting niet nodig acht, is het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding voor het verzoek van de SVB om de uitspraak in deze zaak aan te houden. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat er op korte termijn geen uitspraak van de Raad in vergelijkbare zaken te verwachten is.
3. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1933, heeft sinds december 1998 een AOW-pensioen. Aanvankelijk is dat pensioen betaald naar de norm voor een alleenstaande. In 2007 werd de norm met terugwerkende kracht vanaf december 1998 gewijzigd naar de norm voor gehuwden, omdat eiseres een gezamenlijke huishouding bleek te voeren met [naam] . Daardoor is over de periode december 1998 tot en met mei 2007 een vordering ontstaan van € 29.195,95. Het door eiseres hiertegen gemaakte bezwaar werd ongegrond verklaard evenals het vervolgens daartegen ingestelde beroep. De Raad heeft de betreffende uitspraak van de rechtbank Maastricht bij uitspraak van 25 mei 2010 bevestigd. Vanaf mei 2007 werd de norm gewijzigd naar die van een ongehuwde, omdat zij vanaf 9 mei 2007 niet langer een gezamenlijke huishouding voerde. Ook hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is eveneens ongegrond verklaard. Vanaf 2008 had eiseres op grond van de destijds geldende regels (vrijwel) geen capaciteit om de vordering in maandelijkse termijnen terug te betalen. Tot januari 2022 stond daardoor nog een bedrag aan terug te betalen AOW-pensioen open van € 28.587,76.
4. Bij het primaire besluit heeft de SVB aan eiseres laten weten dat er vanaf januari 2021 nieuwe regels zijn voor het vaststellen van het bedrag dat zij maandelijks moet terugbetalen. Door de nieuwe regels is het voortaan verplicht om af te lossen op een openstaande vordering bij de SVB. Doordat de beslagvrije voet niet langer wordt berekend op basis van de feitelijke woon- en zorgkosten, maar op basis van het bruto jaarinkomen en deze leeftijdsonafhankelijk is geworden, wordt de beslagvrije voet voor AOW-gerechtigden lager en daarmee de aflossingscapaciteit hoger. Het aflossingsbedrag is daarom niet langer nihil maar € 247,88 per maand.
4.1.
Na heroverweging in bezwaar heeft de SVB uit coulance besloten om de verhoging van de aflossingscapaciteit niet ineens maar in drie stappen in te voeren. Het eerste jaar wordt – vanaf augustus 2022 – 50% van de aflossingscapaciteit verrekend met het AOW-pensioen, het tweede jaar 75% en in het derde jaar zal een bedrag ter hoogte van de volledige aflossingscapaciteit worden verrekend. Tevens wordt de maandelijks opgebouwde vakantie-uitkering in de verrekening meegenomen. Op deze manier kan eiseres in de visie van de SVB wennen aan de nieuwe inkomenssituatie.
Het standpunt van eiseres
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat door de wijziging in de regelgeving geen maatwerk meer mogelijk is op basis van draagkracht, waardoor de SVB geen rekening meer houdt met haar persoonlijke situatie. Ook al verhoogt de SVB de aflossingscapaciteit in drie stappen, uiteindelijk zal de aflossingscapaciteit € 247,88 bedragen terwijl deze eerst nihil was. Eiseres heeft (in bezwaar) een kostenoverzicht overgelegd. In beroep heeft zij een geactualiseerd inkomensoverzicht, dat betrekking heeft op januari 2023, overgelegd.
5.1.
Daarbij heeft eiseres opgemerkt dat de bereidheid om af te lossen er wel is, maar niet met het door de SVB opgelegde bedrag. Het aflossingsbedrag is, ook in de eerste stap van de coulanceregeling, dusdanig hoog dat eiseres een deel van haar vaste lasten en/of kosten van levensonderhoud niet meer zal kunnen betalen. De financiële draagkracht is als gevolg van de hoge inflatie en sterk gestegen energieprijzen verslechterd. Het maandelijkse energievoorschot is verhoogd van € 144,- naar € 279,- per maand. Dan blijft er € 233,46 per maand (€ 53,87 per week) over voor levensonderhoud. Van het vakantiegeld schaft eiseres duurdere dingen aan die vervangen moeten worden. Verzocht wordt om de hardheidsclausule toe te passen zodat er uiteindelijk een bedrag bepaald wordt dat billijk is.
Het standpunt van de SVB
6. De SVB stelt zich op het standpunt dat de wettelijke regeling geen ruimte biedt om de aflossingscapaciteit op een lager bedrag vast te stellen.
6.1.
Tot 2021 bedroeg de standaard-beslagvrije voet 90% van de toepasselijke (leeftijdsafhankelijke) bijstandsnorm. Deze leeftijdsafhankelijke standaard-beslagvrije voet werd enerzijds verhoogd met de woonlasten en zorgpremie en anderzijds verminderd met de normhuur, ontvangen huurtoeslag, normpremie en ontvangen zorgtoeslag. Vanaf 2021 is de beslagvrije voet niet meer afhankelijk van woonlasten, zorgpremie, kindgebonden budget en (beslag op) eventuele toeslagen. De beslagvrije voet is alleen nog afhankelijk van de leefsituatie, het woonland en de hoogte van het (gezamenlijke) belastbaar inkomen en is verhoogd tot 95% van de bijstandsnorm. De beslagvrije voet is daarmee leeftijdsonafhankelijk geworden. Door maximering van de beslagvrije voet is deze nooit te hoog om in ieder geval 5% van het inkomen als schuldaflossing in te vorderen.
6.2.
De SVB vindt dat de beslagvrije voet onder de huidige regels juist is vastgesteld en dat zij niet meer kan betekenen voor eiseres dan door het treffen van de coulanceregeling (gewenningsregeling) haar geleidelijk te laten wennen aan de hogere aflossing. Deze coulanceregeling is gebaseerd op artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en niet op artikel 3, zevende lid, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (de Regeling). Daarnaast meent de SVB dat er in het geval van eiseres geen sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden die maken dat de hardheidsclausule toegepast moet worden van artikel 3, zevende lid, van de Regeling.
De rechtbank overweegt als volgt.
Kader
7. Artikel 3:4 van de Awb luidt als volgt.
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2 De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
7.1.
Op grond van artikel 1, aanhef en onder q, van de Regeling wordt onder aflossingscapaciteit verstaan: het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering.
7.2.
In artikel 3, zevende lid, van de Regeling is bepaald dat indien toepassing van dit artikel tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, de SVB hiervan kan afwijken.
7.3.
In artikel 4, tweede lid, in verbinding met artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Regeling is bepaald dat bij schending van de inlichtingenplicht de periodieke betalingen of verrekeningen zodanig worden vastgesteld dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.
Op grond van artikel 4, zesde lid, van de Regeling is artikel 3, zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
7.4.
Op 1 januari 2021 is de Wet Vereenvoudiging Beslagvrije voet (Wvbvv) in werking getreden. Met deze wet wordt een standaard rekenwijze geïntroduceerd voor de berekening van de beslagvrije voet. Deze wet heeft voor mensen met de AOW-gerechtigde leeftijd een negatief gevolg. De bijstandsnorm is voor AOW-gerechtigden hoger, maar bij de Wvbvv wordt geen onderscheid meer gemaakt in leeftijdscategorieën en geldt ook voor de AOW-gerechtigden de normale – lagere – bijstandsnorm bij de berekening van de beslagvrije voet.
Beoordeling
8. Eiseres stelt zich, zoals ter zitting nader toegelicht, op het standpunt dat de SVB met het besluit, ondanks de toepassing van de coulanceregeling, onvoldoende maatwerk heeft verricht en ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast. Zij houdt te weinig inkomen over om in al haar vaste lasten en andere kosten van levensonderhoud te voorzien.
8.1.
De rechtbank begrijpt uit de uitleg van de SVB dat de coulanceregeling gebaseerd is op artikel 3:4 van de Awb. Het coulance-/gewenningsbeleid is bestemd voor situaties zoals die van eiseres, waarbij de wettelijke aflossingscapaciteit per 1 januari 2021 met meer dan
€ 50,- per maand is gestegen ten opzichte van daarvoor en die stijging niet veroorzaakt is door fouten bij eerdere opgaven of vaststellingen, door structurele stijging van inkomen of leefsituatie/woonland, maar toe te schrijven is aan de inwerkingtreding van de Wvbvv.
8.3.
Ter beoordeling ligt dus voor of de SVB het aflossingsbedrag terecht heeft vastgesteld op € 247,88 per maand en de toepassing van de coulanceregeling geen onevenredig nadelige gevolgen voor eiseres heeft. De SVB heeft ter zitting in reactie op het lastenoverzicht van eiseres gezegd dat daarin geen “heel gekke dingen’ zitten, maar dat een deel van die lasten niet van belang zijn voor het vaststellen van de aflossingscapaciteit. De rechtbank volgt de SVB in dit standpunt. De wettelijke systematiek van de berekening van de aflossingscapaciteit gebeurt op basis van genormeerde bedragen, de zogenoemde beslagvrije voet. Van belang is daarbij dat het uitgangspunt van de wetgever is dat met het inkomen onder de beslagvrije voet de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud kunnen worden gedragen. Slechts in beperkte mate zijn de daadwerkelijke uitgaven van eiseres daarbij relevant.
8.4.
Dit neemt niet weg dat, indien zou blijken dat er sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat, als bedoeld in het zevende lid van artikel 3 van de Regeling, de SVB van deze wettelijke systematiek kan afwijken. De SVB is van mening dat er geen sprake is van een schrijnende situatie die noopt tot toepassing van de hardheidsclausule.
8.5.
De rechtbank kan zich vinden in dit standpunt. Ook indien wordt uitgegaan van het door eiseres opgestelde lastenoverzicht, is niet gebleken dat de door de SVB berekende aflossingscapaciteit zo hoog is dat zij haar vaste lasten niet kan blijven betalen. Daarbij ziet de rechtbank dat in dit overzicht geen uitgaven voor dagelijkse boodschappen en kleding zijn opgenomen, maar ook indien rekening wordt gehouden met een geschat bedrag van circa € 300,- per maand (eiseres heeft hierover niets gesteld), is dat niet anders. Dat eiseres geen ruimte heeft om te reserveren voor grotere uitgaven, zoals de onlangs aangeschafte en door haar zelf betaalde, rollator, maakt het oordeel niet anders, reeds omdat onbekend is of van dergelijke, noodzakelijke, uitgaven in de nabije toekomst opnieuw sprake zal zijn en ook of deze dan wel of niet door de ziektekostenverzekeraar dan wel op basis van enige overheidsregeling worden vergoed. Ten slotte is niet gebleken van betalingsachterstanden met betrekking tot energie- of woonlasten of de zorgpremie.
8.6.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat het belang van de SVB daarin is gelegen dat haar vordering op eiseres die voortvloeit uit ten onrechte genoten AOW, gemeenschapsgeld, voor zover mogelijk wordt terugbetaald. Van eiseres mag daarom worden verwacht dat zij de haar beschikbare middelen zoveel mogelijk inzet om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. Het ligt dus op de weg van eiseres om haar uitgavenpatroon aan die betalingsverplichtingen aan te passen, en niet andersom.
8.7.
Gelet op het voorgaande bestaat er voor de rechtbank onvoldoende reden om aan te nemen dat de vaststelling van de aflossingscapaciteit, zoals bepaald in het bestreden besluit, waarbij coulance is toegepast, leidt tot een onredelijk resultaat.. De rechtbank weegt voorts in haar oordeel mee dat de beslagvrije voet opnieuw kan worden berekend indien de in dit verband relevant te achten uitgaven van eiseres wijzigen.
Conclusie
9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond is.
Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.T. Coenegracht, voorzitter, en mr. J.M.E. Derks en mr. C.L.G.F.H. Albers, leden, in aanwezigheid van mr. T.M. Horsten-Kuijpers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2023
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 22 december 2023
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie Kamerstukken II 2016-2017, 34 628, nr. 3, p. 40.
Zie Kamerstukken II 2016-2017, 34 628, nr. 3, p. 40 en 41.
Zie Kamerstukken II 2021-2022, 24 515, nr. 617, p.3.