Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-12-12
ECLI:NL:RBLIM:2023:7225
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,788 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03/316185-20 OWV
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2023 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1969,
gedetineerd in penitentiaire inrichting [plaats] ,
hierna te noemen [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door mr. V.S.J. Chorus, advocaat kantoorhoudende te Nuth.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 november 2023. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De zaak met parketnummer 03/316185-20 is gevoegd bij de strafzaak met parketnummer 03/326870-21. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak.
Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 12 december 2023.
Op 12 december 2023 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.
2De vordering van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op € 117.896,78.
Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld.
Beoordeling
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] wederrechtelijk voordeel heeft genoten ter hoogte van in totaal € 117.896,78, bestaande uit de volgende posten:
€ 54.713,- van [naam slachtoffer bedrijf 1] ;
€ 5.989,50 + € 7.986,00 + € 5.989,50 van [naam slachtoffer 1] ;
€ 1.000,- van [naam slachtoffer 2] ;
€ 5.095,55 van [naam slachtoffer 3] ;
€ 1.353,- van [naam slachtoffer 4] ;
€ 8.923,75 van [naam slachtoffer 5] (€ 4.500,- + € 945,- + € 3.478,75);
€ 3.890,25 van [naam slachtoffer 6] ;
€ 22.049,23 van [naam slachtoffer 7] (€ 10.000,- + € 8.222,50 exclusief BTW);
€ 907,- van [naam slachtoffer 8] .
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 54.713,- dat is gekoppeld aan de post [naam slachtoffer bedrijf 1] onjuist is. [verdachte] heeft een bedrag ter hoogte van € 53.213,- ontvangen, samengesteld uit twee facturen van € 27.798,- en
€ 25.415,- (pag. 293 van het dossier).
Inzake [naam slachtoffer 1] moet ervan worden uitgegaan dat [verdachte] zich onrechtmatig heeft verrijkt door het besparen van kosten. Dit betreft een bedrag ter hoogte van € 13.310,- inclusief BTW. Als [verdachte] de kosten zelf betaald had, dan had hij de BTW kunnen verrekenen, waarna een bedrag van € 11.000,- over blijft.
Met betrekking tot de posten [naam slachtoffer 5] en [naam slachtoffer 7] heeft de verdediging verzocht om het ontnemingsbedrag met de helft, althans met een in goede justitie te bepalen bedrag, te matigen. Reden hiervoor is gelegen in het feit dat [verdachte] werkzaamheden heeft verricht en derhalve ook kosten heeft gemaakt die door de rechtbank kunnen worden geschat.
Met betrekking tot de posten [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 6] refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Met betrekking tot de posten [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 8] heeft de verdediging vrijspraak bepleit.
De verdediging heeft tot slot betoogd dat de ontnemingsvordering moet worden verrekend met de vorderingen van de benadeelde partijen voor zover toegewezen, om dubbele betaling te voorkomen en dat er rekening moet worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM.
3.3
Beoordeling
3.3.1
Inleiding
Bij voormeld vonnis van 12 december 2023 is [verdachte] onder meer veroordeeld wegens oplichting van [naam slachtoffer bedrijf 1] en/of [naam slachtoffer bedrijf 2] (hierna: [naam slachtoffer bedrijf 1] ) gepleegd in de periode van 13 december 2014 tot en met 27 juli 2015 en verduistering in dienstbetrekking bij [naam slachtoffer bedrijf 1] , gepleegd in de periode van 15 januari 2014 tot en met 31 augustus 2015. [verdachte] is tevens veroordeeld wegens oplichting van [naam slachtoffer 5] (hierna: [naam slachtoffer 5] ) in de periode van 1 september 2018 tot en met 15 juli 2019, oplichting van [naam slachtoffer 6] en/of [naam slachtoffer 6] (hierna: [naam slachtoffer 6] ), gepleegd in de periode van 27 juni 2018 tot en met 17 juni 2019, oplichting van [naam slachtoffer 7] en/of [naam slachtoffer 7] (hierna: [naam slachtoffer 7] ), gepleegd in de periode van 1 november 2018 tot en met 31 mei 2019 en oplichting van [naam slachtoffer 8] , gepleegd in de periode van 18 december 2018 tot en met 27 juni 2019.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.
3.3.2
Het bewijs
De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen zoals opgenomen in het vonnis van deze rechtbank van 12 december 2023 in de onderliggende strafzaak (met het parketnummer 03/316185-20). Die bewijsmiddelen worden hieronder aangevuld met de bewijsmiddelen waaruit kan worden afgeleid dat [verdachte] hieruit voordeel heeft genoten.
[naam slachtoffer bedrijf 1]
In het kader van de nacalculatie van het project ‘Doc Morris’ heeft [verdachte] samen met
[naam 1] [naam slachtoffer bedrijf 1] bewogen tot de afgifte van € 54.713,- door het opmaken van valse facturen ter hoogte van € 26.915,- en € 27.798,-. [verdachte] heeft namelijk via [naam 1] ‘advieskosten’ naar [naam slachtoffer bedrijf 1] doorbelast en deze in de facturen vermelde fictieve geldbedragen als directeur van [naam slachtoffer bedrijf 1] geaccordeerd, waardoor [naam slachtoffer bedrijf 1] de bedragen van € 26.915,- en
€ 27.798,- heeft betaald aan [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] , de bedrijven van [naam 1] .
Het door [verdachte] wederrechtelijk genoten voordeel betreft echter maar € 53.213,-, omdat het bedrag dat door [verdachte] (middels een factuur op naam van HP Project Realisatie) aan de bedrijven van [naam 1] is gefactureerd, lager was. Dit betreffen namelijk bedragen van
€ 27.798,- en € 25.415,-. [naam bedrijf 1] heeft op 17 december 2014 een bedrag van
€ 27.798,- onder de omschrijving ‘HJ Project Realisatie’ overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer] . Op 14 en 27 juli 2015 heeft [naam bedrijf 2] onder dezelfde omschrijving geldbedragen van respectievelijk € 15.249,- en € 10.166,- naar hetzelfde Belgische rekeningnummer overgemaakt. Dit betrof een rekening op naam van [naam 3] , de ex-partner van [verdachte] . Deze rekening gebruikte [verdachte] zonder medeweten van [naam 3] .
[naam slachtoffer 1]
[verdachte] is vrijgesproken van verduistering in dienstbetrekking van de in relatie tot [naam slachtoffer 1] ten laste gelegde geldbedragen van € 5.989,50, € 7.986,00 en € 5.989,50.
[verdachte] heeft ter terechtzitting van 14 november 2023 echter verklaard dat [naam slachtoffer bedrijf 1] ten onrechte de factuur van [naam 4] ter hoogte van € 13.310,- heeft betaald, waardoor dit geldbedrag door [verdachte] wederrechtelijk genoten voordeel betreft.
[naam slachtoffer 2]
[naam slachtoffer bedrijf 1] heeft een CV-ketel bij [naam slachtoffer 2] geleverd. Hij heeft op 31 augustus 2015 € 1.000,- contant betaald aan [verdachte] en hiervan is een handgeschreven kwitantie opgemaakt. Dit geldbedrag is niet aan [naam slachtoffer bedrijf 1] gegeven.
[verdachte] heeft ter terechtzitting van 14 november 2023 verklaard dat dit geldbedrag aan [naam slachtoffer bedrijf 1] toekwam en dat hij dit ten onrechte heeft ontvangen en gehouden.
[naam slachtoffer 3]
[naam slachtoffer bedrijf 1] heeft acht jetroosters geleverd en geïnstalleerd bij [naam slachtoffer 3] in Amsterdam en hiervoor een bedrag van € 5.095,55 gefactureerd. Uit berichtenverkeer tussen [verdachte] en een contactpersoon van [naam slachtoffer 3] , is gebleken dat [verdachte] zelf een geldbedrag van € 7.045,- in rekening heeft gebracht en dit bedrag contant heeft ontvangen.
[verdachte] heeft ter terechtzitting van 14 november 2023 verklaard dat dit ‘nakosten’ betroffen voor een installatie die hij bij [naam slachtoffer 3] had gemaakt voordat hij bij [naam slachtoffer bedrijf 1] in dienst was, maar dat hij het door [naam slachtoffer bedrijf 1] gefactureerde bedrag van € 5.095,55 aan [naam slachtoffer bedrijf 1] door had moeten betalen. Dit bedrag heeft hij ten onrechte ontvangen en behouden.
[naam slachtoffer 4]
[verdachte] is vrijgesproken van de verduistering in dienstbetrekking van het in relatie tot [naam slachtoffer 4] ten laste gelegde geldbedrag. Met betrekking tot dit geldbedrag van € 1.353,- kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat [verdachte] dit bedrag heeft geïnd en het zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
[naam slachtoffer 5]
[verdachte] heeft voor [naam slachtoffer 5] werkzaamheden verricht en gefactureerd voor een totaalbedrag van € 8.923,75. Uit een transactieoverzicht van de Rabobank blijkt dat geldbedragen van
€ 4.500,-, € 945,- en € 3.478,75 aan [verdachte] zijn betaald. De werkzaamheden die [verdachte] had verricht, waren niet voltooid en niet deugdelijk waardoor hij ten onrechte betaling heeft genoten. De rechtbank ziet geen reden om het ontnemingsbedrag op dit punt te matigen.
[naam slachtoffer 6]
[verdachte] heeft voor [naam slachtoffer 6] werkzaamheden verricht en hiervoor per bank een bedrag van
€ 890,25 ontvangen en contant een bedrag van € 3.000,-. Ook hier waren de werkzaamheden die [verdachte] heeft verricht niet voltooid en niet deugdelijk, waardoor hij ten onrechte betaling van het bedrag van in totaal € 3.890,25 heeft genoten.
[naam slachtoffer 7]
Hetzelfde geldt voor [naam slachtoffer 7] . [verdachte] heeft aanbetalingen ontvangen van € 10.000,- en
€ 8.222,50 (exclusief BTW), maar de door hem verrichte werkzaamheden bleven onvoltooid en waren ondeugdelijk. Ook deze betalingen (van in totaal € 18.222,50) heeft [verdachte] ten onrechte ontvangen.
Dictum
De rechtbank:
stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 104.562,05 (zegge: honderdenvierduizend vijfhonderdtweeënzestig euro en vijf eurocenten);
legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 104.562,05 (zegge: honderdenvierduizend vijfhonderdtweeënzestig euro en vijf eurocenten);
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Deze uitspraak is gewezen door G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, mr. R.C.A.M. Philippart en mr. D.J.E. Hamers-Aerts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Eroktay, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 december 2023.
Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummers PL2300-2016043717, -2019159875, -2019171726, -2019186650 en -2019170504, gesloten d.d. 28 januari 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 333.
Factuur HJ Project Realisatie aan [naam bedrijf 1] d.d. 13 dec. 2014, pag. 17.
Factuur H.J. Project Realisatie aan [naam bedrijf 2] B.V. d.d. 1 juli 2015, pag. 19.
Rekeningafschrift Rabobank van [naam bedrijf 1] , pag. 18.
Rekeningafschrift ABN/AMRO van [naam bedrijf 2] , pag. 21 en 22.
Factuur [naam 4] aan [naam slachtoffer bedrijf 1] d.d. 26 feb. 2014, pag. 157.
Kwitantie d.d. 31 aug. 2015 betaling [naam slachtoffer 2] € 1.000,- ondertekend door [verdachte] , pag. 180.
Factuur 140350 d.d. 1 december 2014, pag. 170.
Berichtenverkeer tussen [emailadres 1] en [emailadres 2] , pag. 171.
Transactieoverzicht Rabobank [naam slachtoffer 5] aan [verdachte] , pag. 220.
Afschrift Rabobank [naam slachtoffer 6] aan [naam bedrijf verdachte] , pag. 231.
Kwitantie d.d. 11 okt. 2018 voor betaling € 3.000,-, pag. 232.
Kaart grootboekrekening [naam slachtoffer 7] boekjaar 2018, pag. 246.