Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-11-23
ECLI:NL:RBLIM:2023:6874
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,841 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/1043
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2023 in de zaak tussen
Vereniging van Eigenaars [naam], gevestigd in Rijswijk, de vereniging
(gemachtigde: mr. Ö. Ekinci),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, het college
(gemachtigde: T.J.T. Goessens).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van de vereniging tegen de beslissing op bezwaar van 30 maart 2022 (het bestreden besluit 1).
2. Het college heeft met zijn besluit van 24 november 2021, welke zij heeft gericht aan de vereniging, de huisnummers [adres 1] en [adres 2] te [plaats] ingetrokken (het intrekkingsbesluit), omdat is gebleken dat deze objecten niet voldoen aan de voorwaarden voor een eigen huisnummer. Met de beslissing op bezwaar heeft het college deze intrekking gehandhaafd.
2.1.
Met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 1 augustus 2022 heeft het college de intrekking van het huisnummer [adres 1] herroepen, omdat tijdens de beroepsprocedure is gebleken dat het object waaraan dit huisnummer is toegekend niet ondersteunend is aan het appartement en daardoor wel voldoet aan de voorwaarden voor een eigen huisnummer. Het college blijft met betrekking tot het ander object bij zijn standpunt. Het beroep heeft mede betrekking op dit besluit (het bestreden besluit 2).
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de vertegenwoordiger van de vereniging, de gemachtigde van de vereniging en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
3. De rechtbank ziet zich voor de ambtshalve te beantwoorden vraag gesteld of de vereniging belanghebbende is bij het intrekkingsbesluit. Een belanghebbende is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende dient volgens vaste rechtspraak sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, persoonlijk (eigen) en voldoende actueel belang, dat bovendien rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen kunnen als belanghebbende in beginsel worden beschouwd de eigenaar of zakelijk rechthebbende uit anderen hoofde, alsmede de gebruiker van een verblijfsobject.
4. De vereniging heeft ter zitting aangevoerd dat zij als belanghebbende dient te worden aangemerkt omdat zij de Vereniging van Eigenaars betreft van het gebouw waar het object, waarvan het huisnummer is ingetrokken, onderdeel van uitmaakt. Daarnaast heeft het besluit van het college tot gevolg dat de splitsingsaktes feitelijk onjuist worden, waardoor ze bij de notaris dienen te worden aangepast. Ze geeft daarbij aan dat de kosten hiervan zullen worden verhaald op alle eigenaren.
5. De rechtbank is van oordeel dat de vereniging niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het intrekkingsbesluit. De vereniging is niet de rechthebbende of gebruiker van het object en wordt door de bestreden besluiten niet in een eigen belang geraakt. Het eigen belang van een Vereniging voor Eigenaars bestaat volgens vaste rechtspraak uit de gemeenschappelijke belangen van de eigenaars. De bestreden besluiten komen daar niet aan, nu die alleen gaan over de intrekking van een huisnummer van het object. Het door de vereniging gestelde belang dat zij vanwege de intrekking van het huisnummer de splitsingsakte moet wijzigen en de kosten hiervan zal verhalen op alle eigenaren, is te ver verwijderd en te indirect om haar op grond daarvan als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht aan te merken. Het enkele feit dat het intrekkingsbesluit aan de vereniging is gericht maakt haar evenmin belanghebbende.
6. Omdat de vereniging geen belanghebbende is bij het intrekkingsbesluit, heeft het college haar bezwaar ten onrechte niet niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. Dit betekent in dit geval echter niet dat de vereniging gelijk heeft, maar dat het college een onjuiste beslissing heeft genomen. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet daarbij aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in de zin dat het bezwaar van de vereniging nietontvankelijk wordt verklaard.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan de vereniging het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
9. De rechtbank veroordeelt het college ten slotte in de door de vereniging gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,00 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigd de bestreden besluiten;
verklaart het bezwaar van de vereniging niet-ontvankelijk;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de bestreden besluiten;
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 365,00 aan de vereniging te vergoeden;
veroordeelt het college in de proceskosten van de vereniging tot een bedrag van € 1.674,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2023
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 23 november 2023
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI0442.
Zie Kamerstukken II 2006/07, 30 968, nr. 3, blz. 18.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1060.