Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-09-28
ECLI:NL:RBLIM:2023:5814
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
4,524 tokens
Inleiding
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats ROERMOND
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 23/1919, ROE 23/1920, ROE 23/1921, ROE 23/1922 en ROE 23/1924
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
1 [verzoeker] ,
2. [verzoeker] ,
3. [verzoeker] ,
4. [verzoeker] ,
5. [verzoeker] ,
6. [verzoeker] ,
7. [verzoeker] .,
8. [verzoeker], allen wonende dan wel gevestigd te [plaats] , gezamenlijk te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. E.H.E.J. Wijnen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren,
(verweerder).
(gemachtigden: mr. S.M.Y. Huijnen, K. Rocha-Brás en R.J.P. Geraedts)
Als derde-partijen hebben aan de gedingen deelgenomen:
1 [vergunninghoudster] ., vergunninghoudster in de zaken
ROE 23/1919. ROE 23/1920, ROE 23/1922 en ROE 23/1924,
(gemachtigde: mr. R.J.J.M.M. Metsemakers)
2. [vergunninghoudster 2], vergunninghoudster in de zaak ROE 23/1921.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers, naar aanleiding van de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunningen die, samengevat, verband houden met de herontwikkeling van het voormalige terrein van de [vergunninghoudster 2] ( [bedrijfsterrein] ) aan de [adres] in de gemeente Echt-Susteren.
1.1.
De raad van de gemeente Echt-Susteren heeft op 8 oktober 2020 het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” vastgesteld (hierna: “het bestemmingsplan”). Dit bestemmingsplan heeft tot doel het centrumgebied van Echt te versterken. Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om een foodmarkt, foodgerelateerde detailhandel, horeca en ambachtelijke bedrijven in de foodsector met ondergeschikte detailhandel en horeca te realiseren op het Valkterrein.
1.2.
Verzoekers, en anderen, hebben tegen het bestemmingsplan beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
1.3.
Op 23 december 2021 heeft verweerder bekendgemaakt dat op 9 december 2021 een aanvraag is ontvangen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een Jumbo Foodmarkt op het perceel aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente Echt, [perceel] .
1.4.
Verzoekers, en anderen, hebben daarop de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat het besluit van de raad van de gemeente Echt-Susteren van 8 oktober 2020 wordt geschorst voor zover dat betrekking heeft op de gronden van het kadastrale perceel, gemeente Echt, [perceel] met de bestemming “Detailhandel-Foodmarkt”. De voorzieningenrechter heeft het verzoek bij uitspraak van 8 maart 2022 toegewezen.
1.5.
Verzoekers hebben vervolgens de voorzieningenrechter van de Afdeling later opnieuw verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, omdat er meerdere aanvragen werden ingediend om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten op de gronden van de kadastrale percelen, gemeente Echt, [perceel] met de bestemmingen “Detailhandel-Foodmarkt” en “Verkeer”, en niet uitgesloten kon worden dat er nog nieuwe aanvragen zouden worden ingediend voordat op het beroep tegen het bestemmingsplan is beslist. Het verzoek zag op het schorsen van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op de hiervoor genoemde kadastrale percelen met de bijbehorende perceelnummers. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft het verzoek bij uitspraak van 3 augustus 2023 toegewezen.
1.6.
Verzoekers hebben bij brief van 16 augustus 2023 een zestal verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend bij deze rechtbank. Deze verzoeken zien op de hierna onder 2 e.v. genoemde verleende omgevingsvergunningen. Met deze verzoeken beogen verzoekers te voorkomen dat vergunninghoudster op 21 augustus 2023 haar bouwwerkzaamheden, na de bouwvakantie, op het Valkterrein hervat.
1.7.
De voorzieningenrechter heeft vergunninghoudster in de gelegenheid gesteld te reageren op de verzoeken. Vergunninghoudster heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Bij brief van 21 augustus 2023 heeft vergunninghoudster aangegeven dat zij haar werkzaamheden met betrekking tot de aanleg van riolering respectievelijk waterhuishoudkundige voorzieningen wel voortzet op het buitenterrein van de percelen bekend als [perceel] ter plaatse waar krachtens het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ’ de bestemming “Verkeer” rust. Daarbij heeft vergunninghoudster verklaard dat het hierbij om vergunningvrije werkzaamheden gaat, die bovendien geen onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunningen waarop het verzoek om voorlopige voorziening ziet en deze voorzieningen rechtstreeks zijn toegelaten op [perceel] . Met betrekking tot [perceel] (alsook [perceel] ) geldt dat ook onder het voorgaande bestemmingsplan “De Loop 2012, eerste herziening” binnen het aldaar geldende bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” waterhuishoudkundige voorzieningen rechtstreeks zijn toegelaten.
1.8.
Bij uitspraak van 30 augustus 2023 heeft de Afdeling in het beroep tegen het bestemmingsplan een tussenuitspraak gedaan. In deze tussenuitspraak heeft de Afdeling – onder meer – overwogen dat de begrippen foodmarkt en foodgerelateerde detailhandel in het bestemmingsplan onvoldoende gedefinieerd zijn en daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid. De Afdeling heeft de raad van de gemeente Echt-Susteren daarom opgedragen deze geconstateerde gebreken binnen zestien weken te herstellen.
1.9.
Verweerder heeft op de verzoeken om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.10.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken gevoegd behandeld op de zitting van 19 september 2023. Hieraan hebben als partij deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers, [verzoekers] verzoekers, de gemachtigden van verweerder, de gemachtigde van vergunninghoudster en [bestemmingsplan] namens vergunninghoudster.
1.11.
De voorzieningenrechter heeft ter zitting vastgesteld dat de verzoekers
[verzoekers] en [verzoeker] in de zaak met procedurenummer ROE 23/1924 geen beroep hebben ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 21 juni 2023 en geen bezwaar hebben gemaakt in de zaak met procedurenummer ROE 23/1920 tegen de verleende omgevingsvergunning van 13 juni 2023. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers om die reden de verzoeken om een voorlopige voorziening in de procedures ROE 23/1920 en ROE 23/1924 ingetrokken, voor zover deze zijn ingesteld namens [bedrijf] . en [verzoeker] .
Totstandkoming van de besluiten
2. Bij besluit van 21 juni 2023 heeft verweerder het bezwaar van verzoekers tegen een aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning van 27 januari 2023 voor het wijzigen van het bestemmingsplan naar horeca op de verdieping op het adres Aasterbergerweg 2C te Echt, ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen het besluit op bezwaar van 21 juni 2023 (pro forma) beroep ingesteld (zaaknummer ROE 23/1759). Verder hebben zij de voorzieningenrechter verzocht ten aanzien van dit besluit een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer ROE 23/1924).
2.1.
Bij besluit van 4 mei 2023 heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een overkapping op het De Valk plein op het perceel kadastraal bekend gemaakt gemeente Echt, sectie K, nummer 7668. Verzoekers hebben een bezwaarschrift ingediend tegen deze omgevingsvergunning.
Beoordeling
Omvang van het geding
4. Verzoekers hebben te kennen gegeven dat zij zich niet kunnen vinden in de wijze waarop de herontwikkeling van het [bedrijfsterrein] wordt gerealiseerd. De door vergunninghoudster verrichte bouwactiviteiten zien op de realisatie van een groot pand dat bestaat uit horeca, fooddetailhandel en een Jumbo Foodmarkt. Verzoekers zijn het – met name – niet eens met de (uitbreidende) horecamogelijkheden, omdat zij vrezen dat dit tot leegstand zal leiden in de binnenstad.
4.1.
Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekers de onderhavige verzoeken om een voorlopige voorziening graag in een breder verband wensen te trekken, biedt de onderhavige procedure hiertoe geen ruimte. In de procedure is enkel de vraag aan de orde of de omgevingsvergunningen, waartegen de onderhavige verzoeken om een voorlopige voorziening zijn gericht, geschorst moeten worden, in ieder geval totdat is beslist op het respectievelijke bezwaar- of beroepschrift.
Voorvragen
5. Voordat de voorzieningenrechter aan die inhoudelijke beoordeling van de verzoeken om voorlopige voorziening kan toekomen, zijn er een aantal stappen die eerst gezet moeten worden. Zo dienen verzoekers om te beginnen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb bij de bestreden besluiten te zijn. Ook is voor het treffen van een voorlopige voorziening een spoedeisend belang vereist. Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Volgens dit artikel kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5.1.
Hierna zal de voorzieningenrechter per verzoek om voorlopige voorziening (dus per zaaknummer) voormelde voorvragen, voor zover nodig, bespreken. Eerst de vraag of verzoekers bij de betreffende besluiten belanghebbende zijn en daarna komt de vraag aan de orde of sprake is van een spoedeisend belang.
Belanghebbende
ROE 23/1921(omgevingsvergunning voor het aanleggen van een nieuwe ontsluiting van het [adres] te [plaats] )
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb zijn bij de omgevingsvergunning voor het aanleggen van een nieuwe ontsluiting van het [adres] . Het verzoek dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
6.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit, die het besluit toestaat, in beginsel als belanghebbende wordt aangemerkt. Het criterium "gevolgen van enige betekenis" dient als correctie op dit uitgangspunt. Als gevolgen van enige betekenis ontbreken, wordt geen belanghebbendheid aangenomen. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
6.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat, naar aanleiding van het debat tussen partijen op zitting, als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat het bestreden besluit niet ziet op de beoogde inrichting van het [adres] , maar enkel op de door de gemeente gewenste ontsluiting van het [adres] vanaf een recent aangelegde rotonde. Die ontsluiting heeft, onweersproken, tot gevolg dat in totaal drie parkeerplaatsen op het [adres] zullen verdwijnen. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag op welke wijze verzoekers in hun belangen zijn getroffen door het verdwijnen van deze drie parkeerplaatsen.
6.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ondervinden verzoekers geen gevolgen van enige betekenis van de verleende omgevingsvergunning. Daarbij volgt de voorzieningenrechter het standpunt van verweerder dat de gevolgen van de vergunde activiteiten voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van verzoekers dermate gering zijn dat een persoonlijk belang hierbij ontbreekt. De voorzieningenrechter stelt vast dat de afstand tussen het pand van [bedrijf] aan de [adres] en de ontsluiting in kwestie 180 meter bedraagt. De afstand tussen het pand van [naam 1] aan de [adres] en de ontsluiting bedraagt (hemelsbreed) ruim 207 meter. De panden van de overige verzoekers, die gelegen zijn [adres] en de [adres] , zijn nog verder verwijderd van het [adres] en door de tussenliggende bebouwing hebben deze panden bovendien geen zicht op de vergunde activiteiten. De door verweerder genoemde afstanden alsmede het ontbreken van zicht op de vergunbare activiteiten, zijn door verzoekers niet bestreden. Bovendien gaat het slechts om het verdwijnen van drie parkeerplaatsen op een veel groter totaal en ook nog eens om drie parkeerplaatsen waarvan gelet op de afstand en de bestaande en dichterbij gelegen parkeerplaatsen hoogst onzeker is of die drie parkeerplaatsen gebruikt worden door bezoekers van de ondernemingen van verzoekers. Gelet hierop kunnen verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als belanghebbenden worden aangemerkt waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Overige zaken
7. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de belanghebbendheid van verzoekers bij de overige bestreden besluiten niet geheel buiten twijfel staat. De voorzieningenrechter kiest er echter voor om voor het vervolg van de beoordeling van de verzoeken om voorlopige voorziening in het midden te laten of verzoekers belanghebbend zijn bij die bestreden besluiten. Dit omdat voorzieningenrechter, zie het navolgende, van oordeel is dat, ook als verzoekers belanghebbend zouden zijn, het spoedeisend belang bij hun verzoek ontbreekt.
Spoedeisend belang
8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt als het gaat om het ontbreken van een spoedeisend belang bij verzoekers.
ROE 23/1924
(omgevingsvergunning voor het wijzigen van het bestemmingsplan naar horeca op de verdieping van het gebouw [naam 2] ) en
ROE 23/1922
(omgevingsvergunning voor het plaatsen van een overkapping op het [bedrijfsterrein] )
9. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2023 heeft vergunninghoudster aangegeven te wachten met het voortzetten van de activiteiten op grond van de beide hiervoor genoemde omgevingsvergunningen totdat de Afdeling einduitspraak heeft gedaan. Gelet hierop is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten aanzien van deze verzoeken om een voorlopige voorziening geen sprake van een spoedeisend belang. Uit het gegeven dat vergunninghoudster bereid is te wachten op de einduitspraak blijkt dat zij zich in het geval van een voor haar nadelige einduitspraak zal beraden over de te nemen van vervolgstappen. Immers, wanneer de Afdeling het bestemmingsplan (gedeeltelijk) vernietigt, kan dit tot gevolg hebben dat de verleende omgevingsvergunningen (in ieder geval voor zover het gaat om artikel 2:1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) vernietigbaar zijn en het vergunde gebruik beëindigd wordt.
Conclusie
11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening in de zaken met procedurenummer ROE 23/1924, ROE 23/1922, ROE 23/1920 en ROE 23/1919. Dat betekent dat in deze zaken niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de verzoeken. De verzoeken worden daarom afgewezen.
11.1.
In de zaak met procedurenummer ROE 23/1921 kunnen verzoekers niet worden aangemerkt als belanghebbenden. Ook in deze zaak wordt daarom niet toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek. Nu het hier echter een ontvankelijkheidsvereiste betreft wordt het verzoek in die zaak niet-ontvankelijk verklaard.
11.2.
Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat in deze zaken geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter:
verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek om een voorlopige voorziening voor wat betreft de procedure met zaaknummer ROE 23/1921.
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af voor wat betreft de procedures met zaaknummers ROE 23/1924, ROE 23/1922, ROE 23/1920 en ROE 23/1919.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier.
Dictum
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 28 september 2023.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RVS:2022:675.
ECLI:NL:RVS:2023:29.
ECLI:NL:RVS:2023:3327.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3521.