Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-08-23
ECLI:NL:RBLIM:2023:4969
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,739 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.114838.23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 augustus 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
gedetineerd in P.I. [detentieplaats] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.P. Plasman, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 augustus 2023. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
heeft geprobeerd een onbekend gebleven slachtoffer te doden, dan wel heeft geprobeerd aan het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door het slachtoffer meermalen tegen het hoofd te trappen.
Beoordeling
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van poging tot doodslag. De officier van justitie is van mening dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer kwam te overlijden doordat hij het slachtoffer meermalen tegen het hoofd heeft getrapt terwijl het slachtoffer roerloos op de grond lag.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
3.3
Beoordeling
De bewijsmiddelen:
Op 4 mei 2023 krijgen verbalisanten omstreeks 05.00 uur de melding om naar de Vissersmaas in het centrum (de rechtbank begrijpt van Maastricht) te rijden, omdat er een dronken man was die gevallen zou zijn naar aanleiding van een vechtpartij. Ter hoogte van het Bat in Maastricht zien ze een jongeman die naar hen zwaaide en hen aansprak. Hij zei dat hij juist door drie andere personen was gepakt. De verbalisanten zien dan dat de jongeman een bult bij zijn linkerwenkbrauw had. Volgens de jongeman zouden er drie personen het [naam hotel] zijn binnengegaan.
Op de camerabeelden, die later op het bureau worden bekeken is te zien dat het leek of de betreffende man een woordenwisseling had met vier personen ter hoogte van de Vissersmaas. Over en weer wordt geslagen. Op enig moment komt hij ten val door een klap. Een man die achter hem stond trapt hem vervolgens met kracht tegen de rechterkant van zijn hoofd, ter hoogte van zijn slaap. De jongeman valt naar achteren en blijft levenloos op de grond liggen. Vervolgens wordt hij door dezelfde man nog meerdere keren tegen zijn hoofd geschopt. Op enig moment ligt hij bewusteloos op de grond. Eén van de personen van de groep gaat dan telefoneren.
Uit de politiesystemen komt naar voren dat degene die de melding bij de politie heeft gedaan [naam 1] is. In een telefoongesprek met de politie bevestigt [naam 1] dat hijzelf, [naam 2] en [verdachte] betrokken waren bij de mishandeling en dat [verdachte] degene was die de jongen heeft geschopt.
De verdachte heeft ter terechtzitting op 9 augustus 2023 het volgende verklaard:
Ik ben degene die op de camerabeelden te zien is als degene die op 4 mei 2023 in Maastricht een man meerdere malen heeft geschopt.
Overwegingen
Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 4 mei 2023 op de Vissersmaas te Maastricht een onbekend gebleven persoon (hierna: slachtoffer) een trap tegen het hoofd heeft gegeven ter hoogte van zijn slaap terwijl het slachtoffer op de grond zit. Het slachtoffer valt naar achteren op de grond waarna de verdachte nog meerdere trappen geeft tegen het hoofd van het slachtoffer.
Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte minimaal voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het eventuele gevolg heeft aanvaard.
Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal kunnen intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
In dit geval heeft de verdachte met kracht tegen de rechterkant van het hoofd van het slachtoffer geschopt, ter hoogte van de slaap, en vervolgens een aantal keren het op de grond liggend slachtoffer tegen zijn hoofd geschopt, terwijl deze op dat moment levenloos op de grond lag. Naar algemene ervaringsregels is het hoofd, waaronder de slaap, een kwetsbaar deel van het lichaam. Bij meerdere trappen tegen het hoofd, zeker als het slachtoffer onbeschermd en levenloos op de grond ligt, is de kans op het overlijden van het slachtoffer dan ook aanmerkelijk. Naar het oordeel van de rechtbank is het handelen van de verdachte, het meermalen met geschoeide voet tegen het hoofd van het slachtoffer schoppen, naar de uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht geweest op het toebrengen van dodelijk letsel bij het slachtoffer, dat het niet anders kan dan dat de verdachte door op dergelijke wijze te handelen die aanmerkelijke kans welbewust heeft aanvaard. De verdachte heeft met zijn handelen dus in ieder geval voorwaardelijk opzet gehad op het doden van het slachtoffer. Daarmee acht de rechtbank het primair tenlastegelegde – poging tot doodslag – wettig en overtuigend bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
op 4 mei 2023 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om een onbekend gebleven persoon opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd van die onbekend gebleven persoon heeft getrapt/geschopt, terwijl die onbekend gebleven persoon op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
poging tot doodslag
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De straf
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de periode die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht te volstaan met een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte als ‘first offender’ aangemerkt dient te worden, hij vanaf het begin verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, hij deze verantwoordelijk op geen enkele wijze op het slachtoffer heeft afgeschoven en een veroordeling grote gevolgen voor hem heeft in zijn privéleven. Zo verliest hij onder andere zijn baan bij Defensie.
6.3
Beoordeling
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door het slachtoffer meermalen met kracht tegen het hoofd te trappen, ook terwijl het slachtoffer levenloos op de grond ligt.
De ernst van het feit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt echter rekening met de omstandigheden van het geval en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte bij het bepalen van de strafmaat. Zo is het slachtoffer onbekend gebleven en is onbekend wat de gevolgen van het geweld van de verdachte zijn geweest bij het slachtoffer. Het slachtoffer gaf aan “het zelf wel op te zullen lossen”. Daarnaast blijkt onder andere uit diverse verklaringen in het dossier, dat het slachtoffer al de hele avond zeer vervelend gedrag vertoonde richting de verdachte en zijn collega’s en ook naar een jonge jongen, die zelfs aangaf bij de verdachte en zijn vrienden dat hij angst had voor het slachtoffer. Het slachtoffer bleef gedurende de avond/nacht de confrontatie opzoeken, ook toen hem diverse malen te kennen was gegeven weg te gaan. Verder neemt de rechtbank mee bij het bepalen van de strafmaat dat de verdachte vanaf het begin zijn verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, hij schuldbewust is en de schuld niet op het slachtoffer heeft afgeschoven. Hij heeft steeds gezegd, nadat hij de beelden had gezien: “Dit heeft die jongen niet verdiend”. Bovendien heeft de verdachte zijn leven goed op orde. Waarschijnlijk zal hij, doordat de rechtbank de poging tot doodslag bewezen acht, zijn baan bij Defensie verliezen, maar Defensie heeft al aangegeven dat hij steeds een goede werknemer is geweest en dat zij hem daarom zullen begeleiden naar een andere functie.
Al deze omstandigheden afwegende is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van de periode die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht daarnaast een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis een passende straf is.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.
7De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
Strafbaarheid
verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte voor het primaire feit tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;
beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Loof, voorzitter, mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe en mr. L.E.M. Hendriks, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Tubée, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 augustus 2023.
Buiten staat
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij, op of omstreeks 4 mei 2023 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het
door verdachte voorgenomen misdrijf om een onbekend gebleven persoon
opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, (met kracht)
(met geschoeide voet) op/tegen het hoofd van die onbekend gebleven persoon
heeft getrapt/geschopt (terwijl die onbekend gebleven persoon op de grond lag),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 4 mei 2023 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het
door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een onbekend gebleven persoon
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal,
(met kracht) (met geschoeide voet) op/tegen het hoofd, in ieder geval tegen het
lichaam, van die onbekend gebleven persoon heeft getrapt, geschopt en/of geslagen
(terwijl die onbekend gebleven persoon op de grond lag),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2411-2023067728, gesloten d.d. 7 mei 2023, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 78.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 mei 2023, PL2300-2023067338-2 pag, 1 en 2 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 mei 2023, PL2300-2023067338-4, pag. 3 en 4.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 mei 2023, PL2300-2023067338-14, pag. 1.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 mei 2023, PL2300-2023067338-13, pag. 1.