Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2022-06-22
ECLI:NL:RBLIM:2022:4721
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,696 tokens
Inleiding
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 21 / 644
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2022 in de zaak tussen
[eisers] , te [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. R. Gilissen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder
(gemachtigden: mr. M.A.M.A. Huppertz en mr. J.A.L. Devoi).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Wonen Limburg, te Roermond
(gemachtigde: mr. D. Hessel-Schreurs).
Procesverloop
Bij besluit van 9 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan voornoemde derde-partij (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van het pand aan de [adres] ten behoeve van de vestiging van een nieuwe Dag- en Nachtopvang (DNO) van het Leger des Heils.
Bij besluit van 18 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2022. Eisers [eiseres 1] , [eiser 2] en [eiser 3] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunning-houdster is vertegenwoordigd door [naam] , bijgestaan door haar gemachtigde.
Overwegingen
Feiten
1. Het primaire besluit betreft een vergunning voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ten behoeve van de vestiging van een DNO van het Leger des Heils.
2. Verweerder heeft de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers volgens verweerder geen belanghebbende zijn bij het primaire besluit.
3. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit. Het perceel [adres] bevindt zich aan een weg die voor eisers de enige toegangsroute naar het centrum van Heerlen vormt. De DNO is grootschalig en sedert het voorjaar van 2021 aan de [adres] gevestigd. Met het verplaatsen van de DNO vanaf [naam locatie] , in het centrum van Heerlen, naar de [straatnaam 1] , is de overlast die zich eerst bij [naam locatie] voordeed, opgeschoven naar de woonomgeving. De omwonenden van de [straatnaam 2] (zoals eisers) zijn in toenemende mate geconfronteerd met zwerfafval, basefoils en wikkels van drugs. Er wordt bij woningen gedeald, er worden daar drugs gevonden, en onlangs was er in een straatje achter de woningen brandstichting. Recentelijk zijn door één van de bewoners van de DNO twee doodsbedreigingen geuit aan één van de eisers (met zijn gezin). Hun woon- en leefomgeving wordt hierdoor ernstig aangetast. Verder vrezen eisers dat door de komst van de DNO de verkoopbaarheid van hun woningen afneemt en de waarde lager wordt. De ruimtelijke uitstraling van de DNO aan de [straatnaam 1] is volgens eisers, als gevolg van onder meer de aard van de opvang, het aantal wooneenheden (te weten 30) en de looprichting van de bewoners van de DNO (in de richting van de [straatnaam 2] ), dusdanig groot dat zij als belanghebbende bij het primaire besluit hadden moeten worden aangemerkt. Het afstands- en zichtcriterium dat verweerder heeft gebruikt om te bepalen of eisers belanghebbende zijn achten zij te beperkt.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht het de taak van het bestuursorgaan is om de kring van belanghebbenden vast te stellen aan de hand van de feitelijke gevolgen van het besluit. De verleende omgevingsvergunning heeft slechts betrekking op bouwwerkzaamheden bestaande uit een gevelverandering van de zuidelijke gevel (de kozijnen) en het intern brandwerend maken van de muren van de gebouwen aan de [adres] . De woningen van eisers bevinden zich op afstanden van 254 tot 290 meter van deze bebouwing. Tussen de woningen en de bebouwing aan de [adres] bestaat een hoogteverschil en bevindt zich bebouwing en begroeiing waardoor eisers hier geen zicht op hebben. Verweerder is daarom van mening dat de vergunde werkzaamheden geen gevolgen van enige betekenis hebben voor eisers, zodat zij geen belanghebbende zijn bij het primaire besluit. Verweerder heeft hieraan toegevoegd dat met het primaire besluit niet het vestigen van een DNO is vergund. Een vergunning hiervoor is volgens verweerder namelijk niet nodig omdat een DNO past binnen de ingevolge het bestemmingsplan “Kissel-Voskuilenweg 2014” (bestemmingsplan) geldende bestemming “Maatschappelijk”.
De ontvankelijkheid van de bezwaren van eisers
5. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eisers geen belanghebbende zijn bij het primaire besluit. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
6. In artikel 8.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan in stellen bij de bestuursrechter. Op grond van artikel 1:2 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Eisers zijn als belanghebbende bij het primaire besluit aan te merken als zij een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang hebben dat hen in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit, tenzij die gevolgen geen gevolgen van enige betekenis zijn (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van
9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2205, r.o. 7).
Artikel 2.10 van de Wabo, voor zover hier van belang, luidt als volgt:
“1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. (…);
b. (…);
c: de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…), tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is”.
7. Uit artikel 2.10 van de Wabo volgt dat bij een vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen dient te worden getoetst of het te (ver)bouwen bouwwerk past binnen de ter plaatse geldende bestemming en de daarbij behorende bouwregels en gebruiksregels. Dit betekent dat een belanghebbende die ten aanzien van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen stelt dat het voorgenomen gebruik in strijd is met de ter plaatste geldende bestemming, in rechte tegen deze omgevingsvergunning moet kunnen opkomen en in het bezwaar tegen deze omgevingsvergunning moet worden ontvangen.
8. Verweerder diende te toetsen of het gebruik van de gebouwen aan de [adres] past binnen de bestemming “Maatschappelijk”. Eisers hebben in bezwaar tegen het primaire besluit aangevoerd dat het gebruik van het te bouwen bouwwerk voor een DNO in strijd is met de bestemming “Maatschappelijk”. Zij hadden in hun bezwaar moeten worden ontvangen indien zij bij dit besluit belanghebbende zijn (door dit gebruik gevolgen van enige betekenis ondervinden).
9. Eisers hebben, zoals onder r.o. 3 vermeld, uiteen gezet welke gevolgen het vestigen van de DNO voor hun persoonlijke woonomgeving heeft en deze gevolgen waren volgens eisers ten tijde van het primaire besluit ook voorzienbaar. Verweerder heeft dit niet weersproken. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat deze (ruimtelijke) gevolgen voor de woon- en leefsituatie van eisers geen gevolgen van enige betekenis hebben. De ruimtelijke uitstraling van het primaire besluit op de woon- en leefsituatie van eisers is dusdanig dat eisers ten aanzien van dat besluit als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb moeten worden aangemerkt.
Tussenconclusie
10. Het standpunt van verweerder dat eisers met betrekking tot het primaire besluit geen belanghebbende zijn, is dus niet juist en de bezwaren van eisers zijn ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van eisers is gegrond en het bestreden besluit kan niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.
De inhoudelijke beroepsgronden van eisers
11. Partijen hebben ter zitting ermee ingestemd dat de rechtbank, indien deze van oordeel zou zijn dat eisers als belanghebbende bij het primaire besluit zijn aan te merken, een oordeel zal geven over de inhoudelijke gronden die eisers tegen het primaire besluit hebben aangevoerd. De rechtbank overweegt daarom, nu partijen als belanghebbende zijn aan te merken en hun bezwaren ontvankelijk zijn, verder als volgt.
12. Eisers hebben tegen het primaire besluit aangevoerd dat het gebruik van het perceel aan de [adres] als “maatschappelijke (dag- en nacht)opvang” in strijd is met het bestemmingsplan, omdat dit niet past binnen de bestemming “Maatschappelijk”.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt op 22 juni 2022.
rechter
De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.
Afschrift verzonden op: 22 juni 2022
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.