Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2022-02-24
ECLI:NL:RBLIM:2022:1586
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,679 tokens
Inleiding
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 21 / 243
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2022
in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
en
de Belastingdienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: [Gemachtigde] en [Gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 6 november 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de zorgtoeslag van eiser over het jaar 2019 definitief berekend op een bedrag van € 1.770,- en de teveel betaalde zorgtoeslag ten bedrage van € 544,- (exclusief € 2,- rente) van eiser teruggevorderd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 12 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn broer [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Verweerder heeft de zorgtoeslag berekend op basis van een toetsingsinkomen in 2019 van € 24.971,-.
2. Eiser kan zich niet verenigen met de definitief vastgestelde zorgtoeslag en de terugvordering van het bedrag van € 544,-. Eiser heeft namelijk op 4 oktober 2018 een uitkering ingevolge de Participatiewet aangevraagd. Naar aanleiding daarvan heeft hij in februari 2019 bijstandsuitkering over de periode 4 oktober 2019 tot en met 31 december 2018 ontvangen. Eiser is van mening dat verweerder deze nabetaling over een eerder jaar als bijzonder inkomen had moeten aanmerken en bij de vaststelling van de zorgtoeslag over 2019 buiten beschouwing had moeten laten. Dit is wel gebeurd bij de huurtoeslag. Verder vindt eiser het bestreden besluit onrechtvaardig en onredelijk, want hij kan er niets aan doen dat de bijstandsuitkering pas in 2019 is betaald. Als deze in 2018 was betaald, dan was er geen probleem geweest. Bovendien heeft hij, nu hij in 2018 nog geen uitkering ontving, moeten interen op zijn laatste spaargeld. Eiser stelt dat hij ook in 2019 heeft moeten leven van een inkomen op bijstandsniveau. Als hij moet terugbetalen, komt hij onder het bestaansminimum.
3. Verweerder stelt zich in het verweerschrift van 9 juni 2021 op het standpunt dat het recht op zorgtoeslag terecht is gebaseerd op de in de Basisregistratie Inkomen (Bri) vastgelegde inkomensgegevens van eiser en zijn toeslagpartner in 2019 van in totaal € 24.971. Anders dan bij huurtoeslag is er volgens verweerder wettelijk geen mogelijkheid om bij de vaststelling van zorgtoeslag de nabetaling aan bijstandsuitkering over 2018 buiten beschouwing te laten. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:659 en 11 nov 2020, ECLI:2020:2628, ro 4.2. Ten aanzien van de terugvordering stelt verweerder zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3536 en het Verzamelbesluit Toeslagen op het standpunt dat in dit geval, waarbij de herziening van de toeslag het gevolg is van een verschil tussen het daadwerkelijke vastgestelde inkomen en het, in het kader van de berekening van het voorschot, geschatte inkomen, geen sprake is van een bijzondere omstandigheid om tot matiging van het teruggevorderde bedrag over te gaan. Bovendien volgt uit het Verzamelbesluit Toeslagen dat de financiële situatie van de belanghebbende in het algemeen niet leidt tot een matiging. Ook de overige door eiser geschetste omstandigheden zijn volgens verweerder op zichzelf en in samenhang geen bijzondere omstandigheden om te matigen. Verweerder acht de nadelige gevolgen van de terugvordering van € 544 niet onevenredig met de daarmee te dienen doelen. Verweerder constateert in het verweerschrift echter dat in het bestreden besluit met betrekking tot de terugvordering geen belangenafweging is gemaakt. Verweerder vindt dat dit gebrek met het verweerschrift is hersteld en verzoekt de rechtbank dit gebrek van het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren. Verweerder is in verband hiermee wel bereid aan eiser het griffierecht en de door hem gemaakte proceskosten te vergoeden.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. Blijkens artikel 1, eerste lid, sub, en tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag is zorgtoeslag een tegemoetkoming in de premie en het eigen risico voor de zorgverzekering en is de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen. Op grond van artikel 7, eerste lid, en artikel 8, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, worden ter bepaling van de draagkracht de inkomensgegevens van de belanghebbende en zijn partner in aanmerking genomen.
Op 7 juli 2020 is artikel 13b van de Awir in werking getreden. Dit artikel luidt als volgt:
"1. Bij het vaststellen van een beschikking op grond van deze wet, de daarop berustende bepalingen of een inkomensafhankelijke regeling weegt de Belastingdienst/Toeslagen de rechtstreeks betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een beschikking als bedoeld in het eerste lid mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die beschikking te dienen
doelen".
Op 1 januari 2021 is een wijziging van artikel 26 van de Awir in werking getreden. Dit artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"1. Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.
2. Het terug te vorderen bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig door de Belastingdienst/Toeslagen teruggevorderd. Voor zover de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering van het bedrag ingevolge het eerste lid onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, kan de Belastingdienst/Toeslagen bij het vaststellen van de beschikking tot terugvordering een lager bedrag terugvorderen dan het bedrag ingevolge het eerste lid".
6. Verweerder heeft erkend dat het bestreden besluit gebrekkig is in die zin dat daarin ten aanzien van de terugvordering geen afweging van belangen heeft plaatsgevonden, maar is van mening dat dit gebrek in het verweerschrift en/of ter zitting is hersteld. De uitkomst van de alsnog gemaakte afweging van belangen is volgens verweerder dat eiser door de terugvordering van een bedrag van € 544 niet onevenredig wordt benadeeld.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder ten aanzien van de vraag of van eiser € 544,- mocht worden teruggevorderd alsnog een kenbare belangenafweging heeft gemaakt, zodat het desbetreffende motiveringsgebrek van het bestreden besluit in zoverre is hersteld.
7. Ten aanzien van de vraag of het bestreden besluit daarmee thans voldoende is onderbouwd, overweegt de rechtbank als volgt.
7.1.
De staatssecretaris van Financiën heeft in het Verzamelbesluit Toeslagen beleid over de terugvordering van toeslagen vastgesteld (Verzamelbesluit). Het Verzamelbesluit houdt onder meer het volgende in:
"Dit betekent dat de Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 13b, eerste lid, Awir de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen en onder bijzondere omstandigheden van terugvordering moet afzien of het terug te vorderen bedrag moet matigen. Op grond van artikel 13b, tweede lid, Awir mogen de nadelige gevolgen van het terugvorderingsbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Alleen bijzondere omstandigheden kunnen zich verzetten tegen gehele terugvordering. Als bij de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden gehele terugvordering onevenredig is, kan de Belastingdienst/Toeslagen afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering matigen".
Volgens het Verzamelbesluit is geen sprake van bijzondere omstandigheden als de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval kan er bij de aanwezigheid van aanvullende omstandigheden die – op zichzelf of in samenhang – wel zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden, na een belangenafweging echter toch reden zijn de terugvordering te matigen.
7.2.
De rechtbank houdt het ervoor dat de zorgtoeslag over 2019 naar de letter van de wet correct is vastgesteld en zal de beroepsgronden van eiser hierna bespreken in relatie tot de terugvordering.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de beslissing dat eiser € 544 (exclusief rente) moet terugbetalen is gehandhaafd;
herroept het primaire besluit in die zin dat geheel wordt afgezien van
terugvordering van het bedrag van € 544 (exclusief rente) en bepaalt dat deze
uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden
besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier.
Dictum
rechter
De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op: 24 februari 2022
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.