Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2021-04-23
ECLI:NL:RBLIM:2021:3575
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
6,030 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2021:3575 text/xml public 2026-02-06T11:25:09 2021-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2021-04-23 AWB 21/848 en AWB 21/847 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2021:3575 text/html public 2021-04-26T13:23:58 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2021:3575 Rechtbank Limburg , 23-04-2021 / AWB 21/848 en AWB 21/847 Sluiting van een woning in Urmond voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De voorzieningenrechter doet uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening en op het beroep. De burgemeester is bevoegd om de woning te sluiten, maar de voorzieningenrechter acht het sluiten van de woning niet evenredig. De noodzaak van sluiting ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde is in dit geval niet heel groot geweest en de voorzieningenrechter acht de gevolgen van de woningsluiting voor eiser, afgezet tegen hetgeen over de noodzaak is overwogen, niet evenredig. Beroep gegrond. Voorlopige voorziening wordt afgewezen. RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 21/848 en AWB 21/847 Uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2021 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam 1] , eiser (gemachtigde: mr. A.J.J. Kreutzkamp), en de burgemeester van de gemeente Stein, de burgemeester (gemachtigden: [naam 2] en [naam 3] ). Procesverloop Bij besluit van 12 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang aan eiser opgelegd die inhoudt dat hij de woning aan [adres] (de woning), dient te sluiten en voor de duur van drie maanden gesloten dient te houden. Bij besluit van 12 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer AWB 21/848). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te treffen (zaaknummer AWB 21/847). De burgemeester heeft voorafgaand aan de zitting aangegeven te wachten met het effectueren van de last onder bestuursdwang in afwachting van de uitspraak in de onderhavige procedure. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De voorzieningenrechter doet met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook onmiddellijk in de hoofdzaak. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. Het gaat in deze zaak om de sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Deze bepaling maakt het mogelijk om - kort gezegd - een woning te sluiten indien vanuit die woning hard- of softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Deze uitspraak gaat over de vraag of de burgemeester bevoegd was de woning te sluiten en in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Wat ging aan deze zaak vooraf? 2. Op 11 juni 2020 is de politie de woning in het kader van een strafrechtelijk onderzoek binnengetreden. De woning is eigendom van Stichting Wonen Limburg (de woningstichting). Eiser huurt deze woning van de woningstichting. In de kast naast de televisie in de woonkamer van de woning werden volgens de politie 47,2 gram cocaïne, 23 XTC-tabletten en 8,5 gram heroïne aangetroffen. Bij deze volgens de politie aangetroffen harddrugs lag ook een weegschaaltje. Ook werd in de woning een replica van een AK-47 en een handvuurwapen aangetroffen. 3. Op 15 juli 2020 heeft de burgemeester het voornemen uitgebracht om de woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Aan dit voornemen heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat de onder 2. genoemde harddrugs, het weegschaaltje en de wapens in de woning werden aangetroffen. 4. Bij het primaire besluit heeft de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang aan eiser opgelegd die inhoudt dat hij de woning dient te sluiten en voor de duur van drie maanden gesloten dient te houden. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 5. In de uitspraak van 16 november 2020 (zaaknummer AWB/ROE 20/621) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Hiertoe heeft zij overwogen dat twijfel bestaat over de evenredigheid van de sluiting. Er bestaat namelijk twijfel over de aangetroffen middelen in de woning van eiser. Uit het door eiser overgelegde rapport NFIDENT van de Forensische Opsporing Politie Eenheid Limburg blijkt dat één van de in de woning aangetroffen stoffen positief testte op MDMA. De andere in de woning aangetroffen stoffen testten niet positief op cocaïne en/of heroïne, maar wel op lidocaïne. Dit betekent, zo heeft de voorzieningenrechter geoordeeld, dat de sluiting van de woning hooguit gebaseerd kan zijn op de 23 XTC-tabletten. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat een gemotiveerde belangenafweging ontbreekt, omdat de burgemeester niet alle daarbij betrokken feiten en omstandigheden in kaart heeft gebracht. Daarbij komt dat de mogelijkheid bestaat dat eiser na de sluiting niet kan terugkeren naar de woning. 6. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser heeft de commissie bezwaar (de commissie) op 5 februari 2021 geadviseerd het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren. Volgens de commissie is de burgemeester bevoegd de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten, omdat hij op basis van het aantreffen van de 23 XTC-tabletten heeft mogen aannemen dat de aangetroffen XTC-tabletten deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden bestemd is. Ook is de commissie van mening dat de burgemeester van zijn bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. Eiser heeft aangevoerd dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van overtreding van de Opiumwet. Volgens de commissie kan het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Van een dergelijke situatie is naar de mening van de commissie echter geen sprake, aangezien het niet voor de hand ligt dat eiser als enige bewoner van de woning niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning. Voorts concludeert de commissie dat de omstandigheid dat eiser zijn woning bij sluiting moet verlaten geen bijzondere omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, die maakt dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Dat eiser een minderjarige dochter heeft, is evenmin een dergelijke omstandigheid, aldus de commissie. Deze dochter woont namelijk niet bij eiser en hij heeft geen concrete (uitbreiding van de) omgangsregeling met zijn dochter. De commissie heeft de burgemeester geadviseerd in de te nemen beslissing op bezwaar de belangenafweging nader te onderbouwen/motiveren, in het bijzonder wat betreft de woonsituatie van eiser, indien alsnog ontbinding van zijn huurovereenkomst plaatsvindt. 7. Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester - onder overneming van het advies van de commissie - het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. In de aanvullende motivering van het bestreden besluit heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat de sluiting van de woning evenredig is. Hierbij heeft de burgemeester betrokken dat het inherent is aan de sluiting van de woning dat eiser de woning moet verlaten. Eiser heeft als huurder van de woning geen bijzondere binding met de woning.
Volledig
De minderjarige dochter van eiser woont niet in de woning en op dit moment wordt nog onderzocht of er sprake kan zijn van een (uitbreiding van de) omgangsregeling tussen eiser en zijn dochter. De begeleiding van eiser door Kracht in Zorg is afgerond en indien de woning wordt gesloten, kan eiser terecht bij de algemene maatschappelijke opvang. Hij kan zich parallel daaraan wenden tot het Loket Housing, een loket dat gespecialiseerd is in het bemiddelen naar een passende (huur)woning. 8. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd, gaat de voorzieningenrechter hierna inhoudelijk in. Is voldaan aan de voorwaarden voor het treffen van een voorlopige voorziening en/of te beslissen op het door eiser ingestelde beroep? 9. In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de twee in artikel 8:81 van de Awb neergelegde formele vereisten is voldaan, nu eiser beroep heeft ingesteld tegen het besluit waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de bestuursrechter bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang bij het onderhavige verzoek genoegzaam is aangetoond. 11. Het verzoek om een voorlopige voorziening betreft een verzoek hangende beroep in de hoofdzaak. Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter dan onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak, indien zij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. 12. Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt met zich dat de voorzieningenrechter overgaat tot het geven van een rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit. In dit kader moet de voorzieningenrechter beoordelen of de burgemeester bevoegd was tot sluiting van de woning over te gaan en in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting over te gaan? 13. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan het bestreden besluit enkel nog de aanwezigheid van 23 XTC-tabletten ten grondslag is gelegd. Voor de beoordeling geldt artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet als wettelijk kader. Hierin is bepaald dat de burgemeester bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien - voor zover hier relevant - in woningen een middel als bedoeld in lijst I of II van deze wet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. XTC is een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet. 14. Ter uitvoering van de bevoegdheid neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet heeft de burgemeester het Damoclesbeleid Stein 2011 (de beleidsregel) vastgesteld. In de beleidsregel is bepaald dat indien er sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van harddrugs, deze woning zonder waarschuwing wordt gesloten voor drie maanden. 15. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 1 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2933), overwogen dat mag worden aangenomen dat een meer dan geringe hoeveelheid drugs niet, althans niet uitsluitend, voor eigen gebruik van een persoon bestemd is, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. Daarbij kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria, volgens welke een hoeveelheid van 0,5 gram harddrugs voor eigen gebruik wordt aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid is in beginsel aannemelijk dat deze bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van eiser om het tegendeel aannemelijk te maken. Deze lijn heeft de Afdeling in de uitspraak van 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:738) nogmaals bevestigd. 16. Niet in geschil is dat in de woning van eiser een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram harddrugs is aangetroffen. Gelet hierop heeft de burgemeester mogen aannemen dat de aangetroffen XTC deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden bestemd is. De burgemeester is dan ook bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 13b van de Opiumwet niet vereist dat eiser kennis moet hebben gehad van de aanwezigheid van de verdovende middelen en/of dat hij betrokken moet zijn geweest bij de verkoop ervan. De door eiser aangevoerde omstandigheid dat hij niet wist dat de XTC-tabletten zich in zijn woning bevonden, is voor het vaststellen van de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang dan ook niet relevant. Heeft de burgemeester gehandeld in overeenstemming met zijn beleid? 17. Bij het uitoefenen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet heeft de burgemeester beleidsvrijheid. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij het besluit om van de bevoegdheid gebruik te maken. Daaruit vloeit voort dat de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid door de burgemeester terughoudend moet toetsen. Ook bij de sluitingsduur heeft de burgemeester beleidsvrijheid. Uit de beleidsregels volgt dat een woning zonder waarschuwing wordt gesloten voor de duur van drie maanden indien is geconstateerd dat sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van harddrugs. De sluiting van de woning voor de duur van drie maanden is in overeenstemming met zijn beleid. Heeft de burgemeester in redelijkheid aanleiding moeten zien af te wijken van de beleidsregels? 18. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840), herhaald bij de uitspraak van 5 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2924) en de uitspraak van 28 augustus 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:2912), dient de burgemeester alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb, die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. 19. Bij de beoordeling of zich bijzondere omstandigheden voordoen, moet worden bekeken of sluiting van de woning noodzakelijk en evenredig is. Bij de beantwoording van die vraag hanteert de voorzieningenrechter het toetsingskader, zoals de Afdeling dat heeft uiteengezet in de uitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912). Daaruit volgt dat in de eerste plaats aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding en in verband daarmee de handel in de woning wordt beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. In de tweede plaats wordt beoordeeld of de sluiting evenredig is en in dit verband (onder meer) de verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting. De noodzaak 19.1. Over de ernst en de omvang van de overtreding overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Volledig
De aangetroffen 23 XTC-tabletten zijn een handelshoeveelheid, maar niet een dermate grote handelshoeveelheid dat de burgemeester enkel op basis daarvan tot sluiting van de woning heeft kunnen overgaan. In het nadeel van betrokkene geldt dat het gaat om harddrugs en dat daarom de noodzaak om tot sluiting over te gaan in algemene zin groter is dan in het geval enkel softdrugs in de woning zouden zijn aangetroffen. Daarnaast kan de voorzieningenrechter de burgemeester volgen in zijn stelling dat het zichtbaar sluiten van een woning voor de bij de betreffende woning betrokken drugscriminelen en voor buurtbewoners een signaal is dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in de woning. Met een sluiting wordt voorts beoogd dat de bekendheid van een pand als drugspand wordt weggenomen en de “loop” naar het pand eruit wordt gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Voor beide is van belang dat aangenomen kan worden dat de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Indien een pand immers niet bekend is bij drugscriminelen of anderszins in verband wordt gebracht met drugscriminaliteit, hoeft er immers ook geen signaal als hiervoor bedoeld uit te gaan en hoeft er geen “loop” uit de woning te worden gehaald. Uit de rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1333), volgt dat als uitgangspunt geldt dat als in een pand een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat dat pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Uit de meer recente uitspraak van de Afdeling van 15 april 2021, ECLI:NLRVS:2021:799 leidt de rechtbank evenwel af dat voornoemd rechtsvermoeden niet steeds onverkort opgeld doet en tevens gekeken moet worden naar de omstandigheden van het geval. De voorzieningenrechter overweegt in dat verband dat het dossier geen aanknopingspunten bevat waaruit blijkt dat er meldingen of andere signalen van overlast rond de woning zijn dan wel dat feitelijke handel in of rondom de woning is waargenomen. Daarnaast zijn in de woning geen attributen zoals verpakkingsmaterialen aangetroffen die erop wijzen dat de XTC-tabletten in of rondom de woning werden verhandeld. Weliswaar is er een weegschaal aangetroffen, maar deze kan moeilijk met de aangetroffen XTC-tabletten in verband worden gebracht, nu niet valt in te zien waarom deze pillen bij verkoop vanuit de woning eerst nog gewogen zouden moeten worden. Er zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen concrete aanwijzingen dat er feitelijk een “loop” naar de woning is geweest. Ook zijn er geen aanwijzingen dat de woning feitelijk bekend is geweest als drugspand. Al deze omstandigheden tegen elkaar afgewogen leiden de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de noodzaak van sluiting ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde in dit geval niet heel groot is geweest. 20. Naast noodzakelijk moet de woningsluiting ook evenredig zijn. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De evenredigheid 20.1. Niet kan worden aangenomen dat bij eiser verwijtbaarheid ontbreekt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist is voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. De vraag of eiser een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, kan daarentegen wel aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting (zie in dit verband de uitspraak van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2241). Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van de situatie dat eiser niet - op zijn minst - redelijkerwijs op de hoogte moest zijn van de aanwezigheid van de XTC-tabletten in zijn woning. Eiser is namelijk de enige die de woning bewoont waarin de XTC-tabletten zijn aangetroffen. Daarbij komt dat deze XTC-tabletten in de kast werden aangetroffen die naast de televisie staat. De stelling van eiser dat hij niet in de kasten heeft gekeken toen hij deze heeft verhuisd en dus niet wist dat de XTC-tabletten daarin lagen, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Hij heeft deze stelling ook niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld door een verklaring over te leggen van de betreffende persoon van wie de pillen dan wel zouden zijn. Deze omstandigheid weegt dan ook niet in het voordeel van eiser. 20.2. Dat eiser de woning moet verlaten is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid die maakt dat de burgemeester van het sluiten van de woning moet afzien. Aan het sluiten van de woning is immers inherent dat eiser de woning moet verlaten. Daar staat echter tegenover dat het sluiten van de woning voor eiser - onbestreden - erg verstrekkende gevolgen zal hebben. Eiser heeft onbetwist gesteld dat hij voor het betrekken van de woning dakloos is geweest en er maatschappelijk gezien niet best voor stond. Via een bijna drie jaar durend begeleidingstraject van Kracht in Zorg heeft hij zijn leven weer op de rit gekregen. De doelen van dat traject waren onder meer dat eiser een stabiele basis zou krijgen, zou toewerken naar een omgangsregeling met zijn minderjarige dochter en een toekomst zou opbouwen. Deze doelen heeft hij behaald, waarop het traject in februari 2021 is afgesloten. Zo huurt eiser inmiddels de woning en is hij niet langer dakloos, heeft hij begeleide omgang met zijn dochtertje en is hij begonnen met een opleiding. Indien eiser zijn woning moet verlaten, wordt de door hem ingezette positieve ontwikkeling doorkruist en is eiser weer terug bij af. Zo staat tussen partijen niet ter discussie dat de woningstichting na de feitelijke sluiting van de woning zeer waarschijnlijk zal overgaan tot (buitengerechtelijke) ontbinding van de huurovereenkomst, waardoor eiser niet alleen gedurende de sluiting, maar ook erna niet langer over woonruimte beschikt en weer dakloos is. Onbestreden is dat eiser geen sociaal netwerk heeft waarop hij kan terugvallen. De enige plek waar eiser de eerste zes maanden dan feitelijk terecht kan is de algemene maatschappelijke opvang - de daklozenopvang -, die als onderkant van de opvangmogelijkheden kan worden aangeduid. Het sluiten van de woning van eiser zal - zo staat tussen partijen niet discussie - bovendien zeer waarschijnlijk een negatieve invloed hebben op het onderzoek dat de Raad voor de kinderbescherming verricht naar de door eiser verzochte omgangsregeling met zijn minderjarige dochter, in die zin dat de verwachte vervolgstap niet kan worden gezet. Eiser heeft namelijk - onbestreden - gesteld dat toegewerkt wordt naar onbegeleide contacten tussen hem en zijn minderjarige dochtertje en dat deze contacten (mede) in zijn woning zullen plaatsvinden. Indien eiser zijn woning verliest, zal dit traject worden doorkruist, omdat de Raad voor de kinderbescherming buiten redelijke twijfel geen goedkeuring zal verlenen aan het laten plaatsvinden van de onbegeleide contacten in de algemene maatschappelijke opvang. Dat deze onbegeleide contacten op dit moment nog niet plaatsvinden in de woning van eiser, laat onverlet dat het voorgaande naar alle waarschijnlijkheid wel een gevolg van de sluiting zal zijn en daardoor in de belangenafweging moet worden betrokken. Tot slot betekent het sluiten van de woning ook dat het toekomstperspectief van eiser wordt doorkruist. Eiser heeft zich inmiddels aangemeld voor een tatoeëeropleiding in Amsterdam en moet in het kader van die opleiding thuis studeren en praktijkopdrachten maken. De voorzieningenrechter kan zich goed voorstellen dat de algemene maatschappelijke opvang geen geschikte plek is om aan de verplichtingen die aan de opleiding zijn verbonden te voldoen en dat eiser door de omstandigheden zijn motivatie verliest.